1.IntegralenGemiddeld
Bereken I = ∫02 e2x dx.
f(x) = e2x[0, 2]
I =
2.IntegralenMoeilijk
Bereken I = ∫₀2,5 x²·eˣ dx.
∫₀2,5 x²eˣ dx
I =
3.Rijen & reeksenGemiddeld
Bepaal de som S = Σk=1∞ 6/(k(k + 1)).
ak = 6/(k(k + 1))
S =
4.Rijen & reeksenMoeilijk
Herken de reeks en bepaal haar som: S = Σk=0∞ (−1)ᵏ·22k+1/(2k + 1)!.
ak = (−1)ᵏ·22k+1/(2k + 1)!
S =
5.Multivariabele analyseGemiddeld
z = −4xy + 2x³ met x = 3t en y = −2t² − 1. Gebruik de kettingregel om dz/dt te bepalen bij t = 2.
z = −4xy + 2x³x = 3ty = −2t² − 1t = 2
dz/dt =
6.Multivariabele analyseMoeilijk
Bereken I = ∬T (x + 3y) dA over de driehoek T begrensd door y = 0, x = 3 en y = x.
f = x + 3y0 ≤ x ≤ 30 ≤ y ≤ x
I =
7.DifferentiaalvergelijkingenGemiddeld
Een blikje frisdrank van 6 °C wordt uit de koelkast in een kamer van 22 °C gezet. Het volgt de afkoelingswet van Newton, dT/dt = −k·(T − Tₐ). Bereken met k = 0,09 min⁻¹ de temperatuur T na 29 min.
T0 = 6 °CTa = 22 °Ck = 0,09 min⁻¹t = 29 min
T = °C
8.DifferentiaalvergelijkingenMoeilijk
Een tank bevat 200 L water waarin 5 kg zout is opgelost. Pekel met 0,1 kg zout per liter stroomt in met 5 L/min, en de goed gemengde oplossing stroomt met dezelfde snelheid uit. Hoeveel zout m zit er na 25 min in de tank?
V = 200 Lm0 = 5 kgc = 0,1 kg/Lr = 5 L/min
m = kg