Oefenen voor CFA Level I: kwantitatieve methoden en vastrentende waarden: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 20 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Tijdswaarde van geld

Eindwaarde
FV = PV·(1 + i)n
Contante waarde
PV = FV/(1 + i)n
Meerdere perioden per jaar
i = r/m, N = m·n
Annuïteit, contante waarde
PV = PMT·[1 − (1 + i)−n]/i
Annuïteit, eindwaarde
FV = PMT·[(1 + i)n − 1]/i

Methode

  1. Teken een tijdlijn met elke kasstroom en het moment waarop die valt.
  2. Laat de rente aansluiten bij de periode: een maandrente voor maandelijkse betalingen.
  3. Gebruik FV = PV·(1 + i)ⁿ voor losse bedragen en de annuïteitenformules voor gelijke betalingen.
  4. Controleer het teken en de orde van grootte van het antwoord.

NCW & IRR

Netto contante waarde
NPV = −C0 + Σ CFt/(1 + r)t
Gelijke kasstromen
NPV = −C0 + CF·[1 − (1 + r)−n]/r
Interne rentevoet
de r waarbij NPV = 0
Beslissing
accepteren als NPV > 0 (of IRR > vereist rendement)

Methode

  1. Zet alle kasstromen met hun jaar op een rij; de investering in jaar 0 is negatief.
  2. Disconteer elke kasstroom: CFt/(1 + r)t.
  3. Tel ze op om de NCW te krijgen. Positief betekent dat het project meer oplevert dan r.
  4. Zoek voor de IRR de rente waarbij de NCW nul wordt, door proberen of interpoleren.

Obligatiekoers en rendement

Obligatiekoers
P = C·(1 − (1 + y)−n)/y + F/(1 + y)n
Halfjaarlijks
C/2, y/2 en 2n perioden
Lopend rendement
C/P
Koers en rendement
rendement omhoog → koers omlaag

Methode

  1. Bepaal de coupon per periode en het rendement per periode.
  2. Prijs = contante waarde van de coupons (een annuïteit) + contante waarde van de nominale waarde.
  3. Gebruik bij halfjaarlijkse coupons de halve coupon, het halve rendement en twee keer zoveel perioden.
  4. Controle: als het rendement boven de couponrente ligt, ligt de prijs onder de nominale waarde.

CAPM en WACC

CAPM
re = rf + β·(rm − rf)
WACC
E/V·re + D/V·rd·(1 − T)
Ondernemingswaarde
V = E + D

Beschrijvende statistiek

Gemiddelde
x̄ = Σx/n
Steekproefstandaardafwijking
s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1))
Mediaan
middelste waarde van de gesorteerde gegevens
z-score
z = (x − μ)/σ
Normale verdeling
68% binnen ±1σ, 95% binnen ±2σ

Kansrekening

Complement
P(not A) = 1 − P(A)
Somregel
P(A ∪ B) = P(A) + P(B) − P(A ∩ B)
Onafhankelijke gebeurtenissen
P(A ∩ B) = P(A)·P(B)
Voorwaardelijke kans
P(A|B) = P(A ∩ B)/P(B)
Binomiaal
P(X = k) = C(n,k)·pk(1 − p)n−k

Normale verdeling

z-score
z = (x − μ)/σ
Onder x
P(X < x) = Φ(z)
Boven x
P(X > x) = 1 − Φ(z)
Tussen
Φ(z2) − Φ(z1)
Percentiel
x = μ + z·σ

Methode

  1. Reken de waarde om naar een z-score: z = (x − μ)/σ.
  2. Zoek Φ(z) op, het oppervlak links van z.
  3. Gebruik voor het oppervlak rechts 1 − Φ(z); trek voor een interval de twee linkeroppervlakken van elkaar af.
  4. Werk voor een percentiel terug: zoek z bij het oppervlak, dan x = μ + z·σ.

Betrouwbaarheidsintervallen

σ bekend
x̄ ± z·σ/√n
σ onbekend
x̄ ± t·s/√n, df = n − 1
Kritieke z
90%: 1,645, 95%: 1,96, 99%: 2,576
Steekproefomvang
n = (z·σ/E)², rounded up

Methode

  1. Kies tussen z (σ van de populatie bekend) en t (alleen de steekproef-s, met n − 1 vrijheidsgraden).
  2. Zoek de kritieke waarde bij het betrouwbaarheidsniveau.
  3. Foutmarge: E = kritieke waarde × standaardafwijking/√n.
  4. Interval: x̄ ± E.

Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

z-toets voor een gemiddelde
z = (x̄ − μ0)/(σ/√n)
t-toets voor een gemiddelde
t = (x̄ − μ0)/(s/√n), df = n − 1
Tweezijdig bij 5%
verwerp H0 als |z| > 1,96
Betrouwbaarheidsinterval
x̄ ± z·σ/√n

Methode

  1. Formuleer H₀ en H₁ en bepaal of de toets een- of tweezijdig is.
  2. Bereken de toetsingsgrootheid: (x̄ − μ₀)/(σ/√n), of met s en t.
  3. Vergelijk met de kritieke waarde, of bepaal de p-waarde.
  4. Verwerp H₀ als de toetsingsgrootheid voorbij de kritieke waarde ligt (p kleiner dan α), en formuleer de conclusie in woorden.

Lineaire regressie en correlatie

Kwadratensommen
Sxx = Σ(x − x̄)² = Σx² − (Σx)²/n, Sxy = Σxy − ΣxΣy/n
Helling
b = Sxy/Sxx
Snijpunt met de y-as
a = ȳ − b·x̄
Correlatie
r = Sxy/√(SxxSyy)
Residu
e = y − ŷ

2Oefenopgaven

1.Tijdswaarde van geldGemiddeld
jaar012€2 000FV = ?

Je belegt €2 000 tegen 8 % per jaar met continue samengestelde rente. Bereken de waarde FV na 2 jaar.

PV = €2 000r = 8%t = 2
FV = €
2.Tijdswaarde van geldMoeilijk
maanden0123…N = ?€15 000€250€250€250€2503% / 12

Je leent €15 000 tegen 3 % per jaar, maandelijks samengesteld, en betaalt aan het eind van elke maand €250 terug. Hoeveel maanden duurt het tot de lening is afgelost (de laatste betaling mag kleiner zijn)? Geef het aantal betalingen N.

P = €15 000A = €2503% / 12
N = betalingen
3.NCW & IRRGemiddeld
jaar0123−45 00021 00018 00018 000

Een investering van €45 000 levert aan het eind van jaar 1 tot en met 3 deze kasstromen op: €21 000, €18 000, €18 000. De vermogenskosten zijn 6 %. Bereken de netto contante waarde NPV.

r = 6%CF0 = −45 000CF1 = 21 000CF2 = 18 000CF3 = 18 000
NPV = €
4.NCW & IRRMoeilijk
jaar01234−40 00011 50011 50011 50011 500

Een investering van €40 000 levert 4 jaar lang aan het eind van elk jaar €11 500 op. Bereken de interne rentabiliteit IRR in procenten.

C0 = €40 000CF = €11 500n = 4
IRR = %
5.Obligatiekoers en rendementGemiddeld
halve jaren0123456€15€15€15 + €1 000P = ?

Een obligatie met een nominale waarde van €1 000 betaalt een jaarlijkse coupon van 3% in twee halfjaarlijkse termijnen en loopt over 3 jaar af. Het effectieve rendement is 3,5% per jaar. Bereken de koers P van de obligatie.

F = €1 000coupon = 3%YTM = 3,5%n = 3
P = €
6.Obligatiekoers en rendementMoeilijk
halve jaren0123…22€1 045€20€20€20 + €1 000

Een obligatie met een nominale waarde van €1 000 betaalt een jaarlijkse coupon van 4% in twee halfjaarlijkse termijnen en loopt over 11 jaar af. Ze wordt verkocht voor €1 045. Bereken het effectieve rendement YTM als jaarrente (twee keer het halfjaarlijkse rendement), in procenten.

F = €1 000coupon = 4% (2×)n = 11P = €1 045
YTM = %
7.CAPM en WACCGemiddeld
WACC = ?gewone aandelen€8 000 000re​ = 10%preferente aandelen€1 000 000rp​ = 7%schuld€3 000 000rd​ = 4,5%T = 28%

Een onderneming is gefinancierd met gewone aandelen ter waarde van €8 000 000, preferente aandelen ter waarde van €1 000 000 en vreemd vermogen ter waarde van €3 000 000. De kosten van het eigen vermogen zijn 10%, de kosten van de preferente aandelen 7% en de kosten van het vreemd vermogen vóór belasting 4,5%. Het belastingtarief is 28%. Bereken de WACC.

E = €8 000 000Ps = €1 000 000D = €3 000 000re = 10%rp = 7%rd = 4,5%T = 28%
WACC = %
8.CAPM en WACCMoeilijk
rf​ = 1%, rm​ − rf​ = 4%D/E = 0,4eigen vermogenβL​ = 1,3schuldD/E = 0,6eigen vermogenre​ = ?schuldT = 21%

De aandelen van een onderneming hebben een bèta van 1,3 bij de huidige verhouding vreemd/eigen vermogen van 0,4. Ze wil die verhouding verhogen tot 0,6. Het belastingtarief is 21%, de risicovrije rente 1% en de marktrisicopremie 4%. Bereken de kosten van het eigen vermogen re na de wijziging.

βL = 1,3D/E1 = 0,4D/E2 = 0,6T = 21%rf = 1%rm − rf = 4%
re = %
9.Beschrijvende statistiekGemiddeld
25303540455055

Bereken de steekproefstandaardafwijking s van de gegevens: 27, 34, 22, 56, 30, 30, 42.

n = 7
s =
10.Beschrijvende statistiekMoeilijk
z −2−1012

Een grootheid is normaal verdeeld met gemiddelde 70 en standaardafwijking 12. Welk deel P van de waarden ligt onder 85?

μ = 70σ = 12x = 85
P =
11.KansrekeningGemiddeld
xp(x)00,110,320,230,2540,15μ = 2,05

Bepaal voor de getoonde verdeling de variantie Var(X) van X.

x: 0, 1, 2, 3, 4p(x): 0,1, 0,3, 0,2, 0,25, 0,15
Var(X) =
12.KansrekeningMoeilijk
xp(x)00,0510,2520,1530,3540,2μ

X heeft de getoonde verdeling, en Y = 2X + 10. Bepaal de standaardafwijking σY van Y.

x: 0, 1, 2, 3, 4p(x): 0,05, 0,25, 0,15, 0,35, 0,2Y = 2X + 10
σY =
13.Normale verdelingGemiddeld
240,25254P = ?

De gewichten van zakken zijn normaal verdeeld met gemiddelde 250 g en standaardafwijking 5 g. Welk deel ligt tussen 240,25 en 254 g? Geef P als decimaal getal.

μ = 250σ = 5x1 = 240,25x2 = 254
P =
14.Normale verdelingMoeilijk
235240245250255260265gboven 15%

De gewichten van zakken zijn normaal verdeeld met gemiddelde 250 g en standaardafwijking 5 g. Sleep de grenswaarde zo dat de gearceerde bovenste 15% rechts ervan ligt. Bepaal de grenswaarde x.

μ = 250 gσ = 5 g15%
x = g
15.BetrouwbaarheidsintervallenGemiddeld
n = 16, s = 3,5L = ?Ux̄ = 70E95%

Een steekproef van 16 items heeft gemiddelde 70 en standaardafwijking s = 3,5. De populatie is bij benadering normaal verdeeld. Bereken de ondergrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde.

n = 16x̄ = 70s = 3,595%t(15) = 2,131
ondergrens =
16.BetrouwbaarheidsintervallenMoeilijk
μ₁ − μ₂, t(14) = 2,1450LU = ?x̄₁ − x̄₂E95%

Twee kunstmeststoffen worden getest. Groep 1: 11 proefvelden, gemiddelde opbrengst 73 kg, standaardafwijking 1 kg. Groep 2: 5 proefvelden, gemiddelde 67,5 kg, standaardafwijking 4,5 kg. Neem gelijke varianties aan (gepoolde t, df = n₁ + n₂ − 2). Bereken de bovengrens van het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor μ₁ − μ₂.

n₁ = 11x̄₁ = 73s₁ = 1n₂ = 5x̄₂ = 67,5s₂ = 4,595%t(14) = 2,145
bovengrens = kg
17.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallenGemiddeld
−1,961,96z = ?

Twee productielijnen maken hetzelfde onderdeel. Lijn 1: een steekproef van 80 onderdelen heeft een gemiddelde lengte van 95 mm, en de bekende standaardafwijking van de lijn is 9 mm. Lijn 2: een steekproef van 80 onderdelen heeft gemiddelde 93,7 mm, bekende standaardafwijking 14 mm. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ₁ = μ₂, met als verschil x̄₁ − x̄₂ (lijn 1 min lijn 2).

n₁ = 80x̄₁ = 95 mmσ₁ = 9 mmn₂ = 80x̄₂ = 93,7 mmσ₂ = 14 mm
z =
18.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallenMoeilijk
σ = 15, n = ?x̄ − Ex̄ + Ex̄E = 0,595%

Hoe groot moet een steekproef zijn zodat het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde een foutmarge van hoogstens 0,5 heeft? De standaardafwijking is 15. Bereken de kleinste steekproefomvang n.

σ = 15E = 0,595%
n =
19.Lineaire regressie en correlatieGemiddeld
xy238346443547646746xy2464045

De tabel geeft 6 gepaarde waarnemingen van x = advertentie-uitgaven in k€ en y = verkoop in k€. Hun sommen zijn gegeven. Bereken uit deze sommen de correlatiecoëfficiënt van Pearson r.

n = 6Σx = 27Σy = 266Σx² = 139Σy² = 11850Σxy = 1219
r =
20.Lineaire regressie en correlatieMoeilijk
xy2504536638751081xy51050607080x = 7

De tabel geeft 5 gepaarde waarnemingen van x = aantal uren gestudeerd en y = tentamencijfer. Gebruik de kleinstekwadratenlijn ŷ = a + b·x. Voorspel ŷ voor x = 7.

n = 5x = 7
ŷ =

3Oplossingen

1.Tijdswaarde van geld

Antwoord: FV = 2347 €

Tijdswaarde van geld: geld vandaag is meer waard dan hetzelfde bedrag later, omdat het rente kan opbrengen. Bij een rente i per periode groeit een bedrag tot FV = PV·(1 + i)n. Een reeks gelijke betalingen (een annuïteit) waardeer je door alle betalingen op te tellen; daaruit volgen de annuïteitenformules.

Exponent

r·t = 0,08·2 = 0,16
e0,16 = 1,174

Eindwaarde

FV = 2 000·1,174 = €2 347,02

Antwoord

FV = €2 347,02
2.Tijdswaarde van geld

Antwoord: N = 66 betalingen

Tijdswaarde van geld: geld vandaag is meer waard dan hetzelfde bedrag later, omdat het rente kan opbrengen. Bij een rente i per periode groeit een bedrag tot FV = PV·(1 + i)n. Een reeks gelijke betalingen (een annuïteit) waardeer je door alle betalingen op te tellen; daaruit volgen de annuïteitenformules.

Herschrijf de annuïteitenformule

i = 0,0025
(1 + i)−N = 1 − 15 000·0,0025/250 = 0,85

Los op met logaritmen

N = −ln(0,85)/ln(1,002) = 65,09

Rond naar boven af op hele betalingen

65 volledige betalingen laten een klein saldo over, dat de laatste, kleinere betaling aflost.

N = 66

Antwoord

N = 66 betalingen
3.NCW & IRR

Antwoord: NPV = 5944 €

Netto contante waarde: zet elke kasstroom met het vereiste rendement r terug naar vandaag en tel ze op: NPV = Σ CFₜ/(1 + r)ᵗ. Een project met NPV > 0 verdient meer dan r en voegt waarde toe. De interne rentabiliteit (IRR) is de rente waarbij NPV = 0.

Contante waarde van elke kasstroom

CF0 = −45 000
CF1/(1 + 0,06)1 = 21 000/1,06 = 19 811,32
CF2/(1 + 0,06)2 = 18 000/1,124 = 16 019,94
CF3/(1 + 0,06)3 = 18 000/1,191 = 15 113,15

Optellen

NPV = €5 944,40

Antwoord

NPV = €5 944,40

De NCW is positief, dus het project verdient meer dan het vereiste rendement.

4.NCW & IRR

Antwoord: IRR = 5,835 %

Netto contante waarde: zet elke kasstroom met het vereiste rendement r terug naar vandaag en tel ze op: NPV = Σ CFₜ/(1 + r)ᵗ. Een project met NPV > 0 verdient meer dan r en voegt waarde toe. De interne rentabiliteit (IRR) is de rente waarbij NPV = 0.

Benodigde annuïteitsfactor

(1 − (1 + i)−4)/i = 40 000/11 500 = 3,478

Los de rente op

De annuïteitsfactor daalt als de rente stijgt; sluit de rente in tussen twee waarden en verklein het interval.

i = 5%: 3,546
i = 6%: 3,465
IRR = 5,835%

Antwoord

IRR = 5,835%
5.Obligatiekoers en rendement

Antwoord: P = 985,9 €

Obligatiewaardering: de koers van een obligatie is de contante waarde van haar kasstromen, verdisconteerd tegen het effectieve rendement (yield to maturity, YTM): de coupons vormen een annuïteit en de nominale waarde wordt op de aflossingsdatum terugbetaald. P = C·(1 − (1 + y)⁻ⁿ)/y + F/(1 + y)ⁿ. Als het rendement boven de couponrente ligt, noteert de obligatie onder de nominale waarde, en omgekeerd.

Per periode

C = €15,00, i = 0,0175, N = 6

Contante waarde van de coupons

€15,00·(1 − 0,9011)/0,0175 = €84,73

Contante waarde van de nominale waarde

€1 000·0,9011 = €901,14

Koers

P = €985,88

Antwoord

P = €985,88

Het rendement ligt boven de couponrente, dus de obligatie wordt onder pari verkocht.

6.Obligatiekoers en rendement

Antwoord: YTM = 3,504 %

Obligatiewaardering: de koers van een obligatie is de contante waarde van haar kasstromen, verdisconteerd tegen het effectieve rendement (yield to maturity, YTM): de coupons vormen een annuïteit en de nominale waarde wordt op de aflossingsdatum terugbetaald. P = C·(1 − (1 + y)⁻ⁿ)/y + F/(1 + y)ⁿ. Als het rendement boven de couponrente ligt, noteert de obligatie onder de nominale waarde, en omgekeerd.

Per periode

C = €20,00, N = 22

Los numeriek op

i = 1,752% per halfjaar

YTM

YTM = 2·1,752% = 3,504%

Antwoord

YTM = 3,504%
7.CAPM en WACC

Antwoord: WACC = 8,06 %

Vermogenskosten: CAPM geeft het rendement dat aandeelhouders eisen: re = rf + β·(rm − rf). De gewogen gemiddelde vermogenskosten combineren eigen en vreemd vermogen naar hun marktwaarden: WACC = E/V·re + D/V·rd·(1 − T), met V = E + D. Rente is fiscaal aftrekbaar, vandaar de (1 − T).

Gewichten

V = 8 000 000 + 1 000 000 + 3 000 000 = €12 000 000
E/V = 0,6667, Ps/V = 0,08333, D/V = 0,25

WACC

WACC = 0,6667·10% + 0,08333·7% + 0,25·4,5%·(1 − 0,28) = 8,06%

Antwoord

WACC = 8,06%
8.CAPM en WACC

Antwoord: re = 6,824 %

Bèta met hefboom (Hamada): vreemd vermogen maakt het eigen vermogen riskanter. βL = βU·(1 + (1 − T)·D/E), waarbij βU de bèta van de onderneming zonder schuld is. Om een bèta naar een andere vermogensstructuur om te zetten, haal je eerst de hefboom eruit (unlever) en reken je hem daarna opnieuw in bij de nieuwe D/E (relever).

Haal de hefboom uit de bèta

βU = 1,3/(1 + 0,79·0,4) = 0,9878

Reken de hefboom in bij de nieuwe D/E

βL = 0,9878·(1 + 0,79·0,6) = 1,456

Kosten eigen vermogen (CAPM)

re = 1% + 1,456·4% = 6,824%

Antwoord

re = 6,824%
9.Beschrijvende statistiek

Antwoord: s = 11,34

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Gemiddelde

x̄ = 241/7 = 34,43

Gekwadrateerde afwijkingen

Σ(x − x̄)² = (−7,429)² + (−0,4286)² + (−12,43)² + 21,57² + (−4,429)² + (−4,429)² + 7,571² = 771,7

Standaardafwijking

s = √(771,7/6) = 11,34

Antwoord

s = 11,34
10.Beschrijvende statistiek

Antwoord: P = 0,8944

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Standaardiseren

z = 1,25

Tabel standaardnormale verdeling

Φ(1,25) = 0,8944
P = 0,8944

Antwoord

P = 0,8944
11.Kansrekening

Antwoord: Var(X) = 1,548

Discrete stochasten: een kansverdeling geeft elke waarde x die een variabele kan aannemen met haar kans p(x); de kansen liggen tussen 0 en 1 en tellen op tot 1. De verwachtingswaarde (het gemiddelde) is E(X) = Σx·p(x), het gemiddelde op de lange termijn. De variantie is Var(X) = Σ(x − μ)²·p(x) = E(X²) − μ², en de standaardafwijking σ = √Var(X). Voor een lineaire transformatie Y = aX + b geldt: E(Y) = a·E(X) + b, Var(Y) = a²·Var(X) en σY = |a|·σX; een constante optellen verandert de spreiding niet.

Gemiddelde

μ = 0·0,1 + 1·0,3 + 2·0,2 + 3·0,25 + 4·0,15 = 2,05

Gemiddelde van de kwadraten

E(X²) = 0·0,1 + 1·0,3 + 4·0,2 + 9·0,25 + 16·0,15 = 5,75

Variantie

Var(X) = 5,75 − 2,05² = 1,548

Antwoord

Var(X) = 1,548
12.Kansrekening

Antwoord: σY = 2,4

Discrete stochasten: een kansverdeling geeft elke waarde x die een variabele kan aannemen met haar kans p(x); de kansen liggen tussen 0 en 1 en tellen op tot 1. De verwachtingswaarde (het gemiddelde) is E(X) = Σx·p(x), het gemiddelde op de lange termijn. De variantie is Var(X) = Σ(x − μ)²·p(x) = E(X²) − μ², en de standaardafwijking σ = √Var(X). Voor een lineaire transformatie Y = aX + b geldt: E(Y) = a·E(X) + b, Var(Y) = a²·Var(X) en σY = |a|·σX; een constante optellen verandert de spreiding niet.

Spreiding van X

μ = 2,4, Var(X) = 1,44, σX = 1,2

Lineaire transformatie

σY = |2|·1,2 = 2,4

Antwoord

σY = 2,4

Het gemiddelde verschuift wel: E(Y) = 2·2,4 + 10 = 14,8.

13.Normale verdeling

Antwoord: P = 0,7626

Normale verdeling: reken een waarde x om naar een z-score, z = (x − μ)/σ, die telt hoeveel standaardafwijkingen x van het gemiddelde ligt. Een z-tabel (of Φ(z)) geeft de oppervlakte links van z, en dat is P(X < x). De oppervlakte rechts is 1 − Φ(z), en de oppervlakte tussen twee waarden is het verschil van hun twee oppervlakten.

z-scores

z₁ = (240,25 − 250)/5 = −1,95
z₂ = (254 − 250)/5 = 0,8

Oppervlakte ertussen

P = Φ(0,8) − Φ(−1,95) = 0,7881 − 0,02559 = 0,7626

Antwoord

P = 0,7626
14.Normale verdeling

Antwoord: x = 255,2 g

Van een oppervlak terug naar z: Φ(z) is het oppervlak links van z. Zoek voor een linkerstaartoppervlak A de z met Φ(z) = A in de tabel. Een rechterstaartoppervlak A betekent Φ(z) = 1 − A. Een centraal oppervlak A tussen −z en z laat (1 − A)/2 in elke staart over, dus Φ(z) = (1 + A)/2. Gebruik voor een waarde x de formule x = μ + zσ.

Oppervlak links

Φ(z) = 0,85

z uit de tabel

z ≈ 1,04

Terug naar de oorspronkelijke eenheden

x = 250 + 1,04·5 = 255,2 g

Antwoord

x = 255,2 g
15.Betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: ondergrens = 68,14

Betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde: x̄ ± foutmarge. Met een bekende populatie-σ is de marge z·σ/√n; heb je alleen de steekproefstandaardafwijking s, gebruik dan t met n − 1 vrijheidsgraden: t·s/√n. Kritieke waarden: z = 1,645 (90%), 1,96 (95%), 2,576 (99%). Voor een marge van E of kleiner heb je n ≥ (z·σ/E)² nodig, naar boven afgerond.

Kritieke waarde

df = n − 1 = 15, t = 2,131

Foutmarge

E = 2,131·3,5/√16 = 1,865

Interval

70 ± 1,865 → [68,14, 71,86]

Antwoord

ondergrens = 68,14
16.Betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: bovengrens = 8,45 kg

Interval for a difference: estimate ± critical value × standard error. For two independent means with known σ: SE = √(σ₁²/n₁ + σ₂²/n₂) and z. With equal unknown variances: pooled s_p and t with n₁ + n₂ − 2 degrees of freedom. For paired data, work with the differences: d̄ ± t·s_d/√n.

Gepoolde standaardafwijking

sp² = (10·1² + 4·4,5²)/14 = 6,5
sp = 2,55

Foutmarge

E = 2,145·2,55·√(1/11 + 1/5) = 2,95

Interval

5,5 ± 2,95 → [2,55, 8,45]

Antwoord

bovengrens = 8,45 kg
17.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: z = 0,6986

Hypothesis test: the test statistic = (estimate − value under H₀)/(standard error under H₀). The p-value is the probability, assuming H₀ is true, of a statistic at least as extreme as the one observed: the area in one tail for a one-sided H₁, twice the tail area for a two-sided H₁. Reject H₀ when p ≤ α.

Standaardfout van het verschil

SE = √(9²/80 + 14²/80) = √3,463 = 1,861

Toetsingsgrootheid

z = (95 − 93,7)/1,861 = 0,6986

Antwoord

z = 0,6986

|z| < 1.96, dus H₀ wordt niet verworpen op het 5%-niveau (tweezijdig).

18.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: n = 3458

Toetsen van een gemiddelde: de toetsingsgrootheid meet hoeveel standaardfouten het steekproefgemiddelde van de waarde in H₀ af ligt: z = (x̄ − μ₀)/(σ/√n) als σ bekend is, t = (x̄ − μ₀)/(s/√n) als die uit de steekproef wordt geschat. Een betrouwbaarheidsinterval is x̄ ± (kritieke waarde)·(standaardfout).

n oplossen

n = (1,96·15/0,5)² = 3457

Naar boven afronden

n = 3458

Antwoord

n = 3458
19.Lineaire regressie en correlatie

Antwoord: r = 0,6945

Kleinstekwadratenregressie: met x̄ en ȳ de gemiddelden, Sxx = Σ(x − x̄)², Syy = Σ(y − ȳ)² en Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) heeft de lijn ŷ = a + b·x helling b = Sxy/Sxx en snijpunt a = ȳ − b·x̄, dus gaat ze altijd door (x̄, ȳ). De correlatiecoëfficiënt van Pearson r = Sxy/√(Sxx·Syy) ligt tussen −1 en 1; r² is het deel van de variatie in y dat door de lijn wordt verklaard.

Gecentreerde sommen

Sxy = 1219 − 27·266/6 = 22
Sxx = 139 − 27²/6 = 17,5
Syy = 11850 − 266²/6 = 57,33

Correlatiecoëfficiënt

r = 22/√(17,5·57,33) = 0,6945

Antwoord

r = 0,6945
20.Lineaire regressie en correlatie

Antwoord: ŷ = 68,6

Kleinstekwadratenregressie: met x̄ en ȳ de gemiddelden, Sxx = Σ(x − x̄)², Syy = Σ(y − ȳ)² en Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) heeft de lijn ŷ = a + b·x helling b = Sxy/Sxx en snijpunt a = ȳ − b·x̄, dus gaat ze altijd door (x̄, ȳ). De correlatiecoëfficiënt van Pearson r = Sxy/√(Sxx·Syy) ligt tussen −1 en 1; r² is het deel van de variatie in y dat door de lijn wordt verklaard.

Gemiddelden

x̄ = 30/5 = 6
ȳ = 322/5 = 64,4

Kwadraten- en productsommen

Sxx = Σ(x − x̄)² = 40
Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) = 168

Regressielijn

b = 168/40 = 4,2
a = 64,4 − 4,2·6 = 39,2
ŷ = 39,2 + 4,2·x

Voorspelling

ŷ = 39,2 + 4,2·7 = 68,6

Antwoord

ŷ = 68,6

Dit is onafhankelijk oefenmateriaal. ExamProblems is niet verbonden aan of goedgekeurd door de organisatie die dit examen afneemt, en de naam van het examen wordt alleen gebruikt om de inhoud te beschrijven. CFA® and Chartered Financial Analyst® zijn merken van CFA Institute, dat niet verbonden is aan ExamProblems, het niet onderschrijft en niet instaat voor de juistheid ervan.

ExamProblems · examproblems.com/courses/cfa-level-1-quant-and-fixed-income