Oefenen voor CFA Level I: kwantitatieve methoden en vastrentende waarden: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 20 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Tijdswaarde van geld

Eindwaarde
FV = PV·(1 + i)n
Contante waarde
PV = FV/(1 + i)n
Meerdere perioden per jaar
i = r/m, N = m·n
Annuïteit, contante waarde
PV = PMT·[1 − (1 + i)−n]/i
Annuïteit, eindwaarde
FV = PMT·[(1 + i)n − 1]/i

Methode

  1. Teken een tijdlijn met elke kasstroom en het moment waarop die valt.
  2. Laat de rente aansluiten bij de periode: een maandrente voor maandelijkse betalingen.
  3. Gebruik FV = PV·(1 + i)ⁿ voor losse bedragen en de annuïteitenformules voor gelijke betalingen.
  4. Controleer het teken en de orde van grootte van het antwoord.

NCW & IRR

Netto contante waarde
NPV = −C0 + Σ CFt/(1 + r)t
Gelijke kasstromen
NPV = −C0 + CF·[1 − (1 + r)−n]/r
Interne rentevoet
de r waarbij NPV = 0
Beslissing
accepteren als NPV > 0 (of IRR > vereist rendement)

Methode

  1. Zet alle kasstromen met hun jaar op een rij; de investering in jaar 0 is negatief.
  2. Disconteer elke kasstroom: CFt/(1 + r)t.
  3. Tel ze op om de NCW te krijgen. Positief betekent dat het project meer oplevert dan r.
  4. Zoek voor de IRR de rente waarbij de NCW nul wordt, door proberen of interpoleren.

Obligatiekoers en rendement

Obligatiekoers
P = C·(1 − (1 + y)−n)/y + F/(1 + y)n
Halfjaarlijks
C/2, y/2 en 2n perioden
Lopend rendement
C/P
Koers en rendement
rendement omhoog → koers omlaag

Methode

  1. Bepaal de coupon per periode en het rendement per periode.
  2. Prijs = contante waarde van de coupons (een annuïteit) + contante waarde van de nominale waarde.
  3. Gebruik bij halfjaarlijkse coupons de halve coupon, het halve rendement en twee keer zoveel perioden.
  4. Controle: als het rendement boven de couponrente ligt, ligt de prijs onder de nominale waarde.

CAPM en WACC

CAPM
re = rf + β·(rm − rf)
WACC
E/V·re + D/V·rd·(1 − T)
Ondernemingswaarde
V = E + D

Beschrijvende statistiek

Gemiddelde
x̄ = Σx/n
Steekproefstandaardafwijking
s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1))
Mediaan
middelste waarde van de gesorteerde gegevens
z-score
z = (x − μ)/σ
Normale verdeling
68% binnen ±1σ, 95% binnen ±2σ

Kansrekening

Complement
P(not A) = 1 − P(A)
Somregel
P(A ∪ B) = P(A) + P(B) − P(A ∩ B)
Onafhankelijke gebeurtenissen
P(A ∩ B) = P(A)·P(B)
Voorwaardelijke kans
P(A|B) = P(A ∩ B)/P(B)
Binomiaal
P(X = k) = C(n,k)·pk(1 − p)n−k

Normale verdeling

z-score
z = (x − μ)/σ
Onder x
P(X < x) = Φ(z)
Boven x
P(X > x) = 1 − Φ(z)
Tussen
Φ(z2) − Φ(z1)
Percentiel
x = μ + z·σ

Methode

  1. Reken de waarde om naar een z-score: z = (x − μ)/σ.
  2. Zoek Φ(z) op, het oppervlak links van z.
  3. Gebruik voor het oppervlak rechts 1 − Φ(z); trek voor een interval de twee linkeroppervlakken van elkaar af.
  4. Werk voor een percentiel terug: zoek z bij het oppervlak, dan x = μ + z·σ.

Betrouwbaarheidsintervallen

σ bekend
x̄ ± z·σ/√n
σ onbekend
x̄ ± t·s/√n, df = n − 1
Kritieke z
90%: 1,645, 95%: 1,96, 99%: 2,576
Steekproefomvang
n = (z·σ/E)², rounded up

Methode

  1. Kies tussen z (σ van de populatie bekend) en t (alleen de steekproef-s, met n − 1 vrijheidsgraden).
  2. Zoek de kritieke waarde bij het betrouwbaarheidsniveau.
  3. Foutmarge: E = kritieke waarde × standaardafwijking/√n.
  4. Interval: x̄ ± E.

Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

z-toets voor een gemiddelde
z = (x̄ − μ0)/(σ/√n)
t-toets voor een gemiddelde
t = (x̄ − μ0)/(s/√n), df = n − 1
Tweezijdig bij 5%
verwerp H0 als |z| > 1,96
Betrouwbaarheidsinterval
x̄ ± z·σ/√n

Methode

  1. Formuleer H₀ en H₁ en bepaal of de toets een- of tweezijdig is.
  2. Bereken de toetsingsgrootheid: (x̄ − μ₀)/(σ/√n), of met s en t.
  3. Vergelijk met de kritieke waarde, of bepaal de p-waarde.
  4. Verwerp H₀ als de toetsingsgrootheid voorbij de kritieke waarde ligt (p kleiner dan α), en formuleer de conclusie in woorden.

Lineaire regressie en correlatie

Kwadratensommen
Sxx = Σ(x − x̄)² = Σx² − (Σx)²/n, Sxy = Σxy − ΣxΣy/n
Helling
b = Sxy/Sxx
Snijpunt met de y-as
a = ȳ − b·x̄
Correlatie
r = Sxy/√(SxxSyy)
Residu
e = y − ŷ

2Oefenopgaven

1.Tijdswaarde van geldGemiddeld
jaar0123…9PV = ?€10 000+3%+3%…r = 9%

Een vastgoedobject levert volgend jaar naar verwachting €10 000 netto huur op. De huur groeit naar verwachting voor altijd met 3 % per jaar. Het vereiste rendement is 9 % per jaar. Bereken de waarde PV van het object vandaag.

C1 = €10 000g = 3%r = 9%
PV = €
2.Tijdswaarde van geldMoeilijk
maanden0123…48€25 000AAAA4,8% / 12, I = ?

Een lening van €25 000 wordt in 4 jaar afgelost met gelijke maandbedragen tegen 4,8 % per jaar, maandelijks samengesteld. Hoeveel rente I wordt er in totaal over de looptijd van de lening betaald?

P = €25 0004,8% / 12N = 48
I = €
3.NCW & IRRGemiddeld
jaar0123…9−100 0006 000+3%+3%…r = 8%, NPV = ?

Een project kost vandaag €100 000. Het levert aan het eind van het eerste jaar €6 000 op, en de kasstroom groeit daarna voor altijd met 3 % per jaar. De vermogenskosten zijn 8 %. Bereken de netto contante waarde NPV.

C0 = €100 000CF1 = €6 000g = 3%r = 8%
NPV = €
4.NCW & IRRMoeilijk
jaar0123−20 0007 50014 00014 000

Een project kost €20 000 en levert aan het eind van jaar 1 tot en met 3 €7 500, €14 000, €14 000 op. Bereken de interne rentabiliteit IRR in procenten.

CF0 = −20 000CF1 = 7 500CF2 = 14 000CF3 = 14 000
IRR = %
5.Obligatiekoers en rendementGemiddeld
jaar012345€961C = ?C = ?C = ? + €1 000

Een obligatie met een nominale waarde van €1 000 loopt over 5 jaar af en betaalt jaarlijkse coupons. Ze wordt verkocht voor €961 als het effectieve rendement 9% is. Bereken het couponpercentage c in procenten.

F = €1 000n = 5P = €961YTM = 9%
c = %
6.Obligatiekoers en rendementMoeilijk
jaar0123…9€930€50€50 + €1 000

Een obligatie met een nominale waarde van €1 000 en een jaarlijkse coupon van 5% loopt over 9 jaar af en wordt verkocht voor €930. Bereken het effectieve rendement YTM in procenten.

F = €1 000coupon = 5%n = 9P = €930
YTM = %
7.CAPM en WACCGemiddeld
WACC = ?eigen vermogen€5 000 000re​ = 13%schuld€6 000 000rd​ = 5%T = 20%

Een onderneming heeft eigen vermogen ter waarde van €5 000 000 en vreemd vermogen ter waarde van €6 000 000. De kosten van het eigen vermogen zijn 13%, de kosten van het vreemd vermogen vóór belasting zijn 5% en het belastingtarief is 20%. Bereken de WACC.

E = €5 000 000D = €6 000 000re = 13%rd = 5%T = 20%
WACC = %
8.CAPM en WACCMoeilijk
WACC = ?eigen vermogen5 000 000 × €29,50β = 1,8rf​ = 2%, rm​ = 8,5%schuld10 000 × €1 000rd​ = 4,5%T = 21%

Een onderneming heeft 5 000 000 aandelen van €29,50 per stuk en 10 000 obligaties met een koers van €1 000 per stuk. De kosten van het vreemd vermogen vóór belasting zijn 4,5% en het belastingtarief is 21%. De bèta van het aandeel is 1,8, de risicovrije rente 2% en het marktrendement 8,5%. Bereken de WACC.

β = 1,8rf = 2%rm = 8,5%rd = 4,5%T = 21%
WACC = %
9.Beschrijvende statistiekGemiddeld
1520253035404550

Bereken de steekproefstandaardafwijking s van de gegevens: 39, 24, 41, 15, 33, 52, 26.

n = 7
s =
10.Beschrijvende statistiekMoeilijk
z −2−1012

Tentamencijfers zijn normaal verdeeld met gemiddelde 100 en standaardafwijking 8. Bereken de z-score z van een score van 104,8.

μ = 100σ = 8x = 104,8
z =
11.KansrekeningGemiddeld
xp(x)100,2200,15300,35400,3μ = 27,5

Bepaal voor de getoonde verdeling de standaardafwijking σ van X.

x: 10, 20, 30, 40p(x): 0,2, 0,15, 0,35, 0,3
σ =
12.KansrekeningMoeilijk
n = 11, p = 0,5: P(X = 2) = ?k01234567891011

Een toets heeft 11 meerkeuzevragen. Een student die gokt, heeft elke vraag onafhankelijk goed met kans 0,5. Wat is de kans P op precies 2 goede antwoorden?

n = 11p = 0,5k = 2
P =
13.Normale verdelingGemiddeld
248,5252,75P = ?

De gewichten van zakken zijn normaal verdeeld met gemiddelde 250 g en standaardafwijking 5 g. Welk deel ligt tussen 248,5 en 252,75 g? Geef P als decimaal getal.

μ = 250σ = 5x1 = 248,5x2 = 252,75
P =
14.Normale verdelingMoeilijk
157164171178185192199cmonder 95%

De lengtes van volwassen mannen zijn normaal verdeeld met gemiddelde 178 cm en standaardafwijking 7 cm. Sleep de grenswaarde zo dat de gearceerde onderste 95% links ervan ligt. Bepaal de grenswaarde x.

μ = 178 cmσ = 7 cm95%
x = cm
15.BetrouwbaarheidsintervallenGemiddeld
n = 20, sd​ = 2,20L = ?Ud̄ = 6,4E90%

De bloeddruk van 20 patiënten wordt gemeten voor en na een behandeling. De verschillen d = voor − na (mmHg) hebben gemiddelde 6,4 en standaardafwijking 2,2. Bereken de ondergrens van het 90%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde verschil.

n = 20d̄ = 6,4sd = 2,290%t(19) = 1,729
ondergrens = mmHg
16.BetrouwbaarheidsintervallenMoeilijk
n = 15σ = ?Us = 595%

De diameters van 15 bewerkte assen hebben een steekproefstandaardafwijking van 5 µm. Neem aan dat de diameters normaal verdeeld zijn en bereken de ondergrens σ van het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor de standaardafwijking van de populatie. Bij df = 14 ligt 2,5% van de χ²-verdeling onder 5,629 en 2,5% boven 26,119.

n = 15s = 5 µmχ² = 5,629, 26,119
σ = µm
17.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallenGemiddeld
−2,1452,145t = ?df = 14

Twee lesmethoden worden vergeleken. Groep 1: 9 studenten, gemiddelde score 84,5, standaardafwijking 4,5. Groep 2: 7 studenten, gemiddelde score 76,6, standaardafwijking 6. Neem gelijke populatievarianties aan en gebruik de gepoolde t-toets voor twee steekproeven. Bereken de toetsingsgrootheid t voor H₀: μ₁ = μ₂, met als verschil x̄₁ − x̄₂ (groep 1 min groep 2).

n₁ = 9x̄₁ = 84,5s₁ = 4,5n₂ = 7x̄₂ = 76,6s₂ = 6
t =
18.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallenMoeilijk
H₀H₁μ₀x̄cμ₀ + 5α = 0,05βσ = 11, onderscheidend vermogen 95%, n = ?

Een eenzijdige z-toets bij α = 0,05 moet een verschuiving van het gemiddelde van 5 eenheden ontdekken met een onderscheidend vermogen van 95 %. De standaardafwijking is 11. Bereken de minimale steekproefomvang n.

α = 0,05onderscheidend vermogen = 95%δ = 5σ = 11zα = 1,645zβ = 1,645
n =
19.Lineaire regressie en correlatieGemiddeld
xy17562076238026952911432125xy202530100

De tabel geeft 6 gepaarde waarnemingen van x = temperatuur in °C en y = verkochte ijsjes. Bereken de correlatiecoëfficiënt van Pearson r.

n = 6
r =
20.Lineaire regressie en correlatieMoeilijk
xy18882195241182712730141xy202530100120140x = 19,5

De tabel geeft 5 gepaarde waarnemingen van x = temperatuur in °C en y = verkochte ijsjes. Gebruik de kleinstekwadratenlijn ŷ = a + b·x. Voorspel ŷ voor x = 19,5.

n = 5x = 19,5
ŷ =

3Oplossingen

1.Tijdswaarde van geld

Antwoord: PV = 166667 €

Tijdswaarde van geld: geld vandaag is meer waard dan hetzelfde bedrag later, omdat het rente kan opbrengen. Bij een rente i per periode groeit een bedrag tot FV = PV·(1 + i)n. Een reeks gelijke betalingen (een annuïteit) waardeer je door alle betalingen op te tellen; daaruit volgen de annuïteitenformules.

Groeiende perpetuïteit

PV = C1/(r − g) = 10 000/(0,09 − 0,03) = 10 000/0,06 = €166 666,67

Antwoord

PV = €166 666,67
2.Tijdswaarde van geld

Antwoord: I = 2527 €

Tijdswaarde van geld: geld vandaag is meer waard dan hetzelfde bedrag later, omdat het rente kan opbrengen. Bij een rente i per periode groeit een bedrag tot FV = PV·(1 + i)n. Een reeks gelijke betalingen (een annuïteit) waardeer je door alle betalingen op te tellen; daaruit volgen de annuïteitenformules.

Maandbedrag

i = 0,004, N = 48
A = 25 000·0,004/(1 − (1 + 0,004)−48) = €573,47

Totale rente

I = N·A − P = 48·573,5 − 25 000 = €2 526,57

Antwoord

I = €2 526,57
3.NCW & IRR

Antwoord: NPV = 20000 €

Netto contante waarde: zet elke kasstroom met het vereiste rendement r terug naar vandaag en tel ze op: NPV = Σ CFₜ/(1 + r)ᵗ. Een project met NPV > 0 verdient meer dan r en voegt waarde toe. De interne rentabiliteit (IRR) is de rente waarbij NPV = 0.

Waarde van de kasstromen

PV = 6 000/(0,08 − 0,03) = 120 000,00

NPV

NPV = 120 000,00 − 100 000 = €20 000,00

Antwoord

NPV = €20 000,00

De NCW is positief, dus het project verdient meer dan het vereiste rendement.

4.NCW & IRR

Antwoord: IRR = 31,36 %

Netto contante waarde: zet elke kasstroom met het vereiste rendement r terug naar vandaag en tel ze op: NPV = Σ CFₜ/(1 + r)ᵗ. Een project met NPV > 0 verdient meer dan r en voegt waarde toe. De interne rentabiliteit (IRR) is de rente waarbij NPV = 0.

De IRR insluiten

De NCW daalt als de rente stijgt, dus de IRR ligt tussen een rente met positieve en een met negatieve NCW.

NPV(30%) = 425,58
NPV(35%) = −1 072,50

Verfijnen

Lineair interpoleren geeft een eerste schatting; dat herhalen (of de IRR-functie van een rekenmachine) geeft de exacte rente.

IRR ≈ 30 + 5·425,58/(425,58 − (−1 072,50)) = 31,42%
exact: NPV(31,36%) = 0 → IRR = 31,36%

Antwoord

IRR = 31,36%
5.Obligatiekoers en rendement

Antwoord: c = 7,997 %

Obligatiewaardering: de koers van een obligatie is de contante waarde van haar kasstromen, verdisconteerd tegen het effectieve rendement (yield to maturity, YTM): de coupons vormen een annuïteit en de nominale waarde wordt op de aflossingsdatum terugbetaald. P = C·(1 − (1 + y)⁻ⁿ)/y + F/(1 + y)ⁿ. Als het rendement boven de couponrente ligt, noteert de obligatie onder de nominale waarde, en omgekeerd.

Contante waarde van de nominale waarde

1000·(1 + 0,09)−5 = €649,93

Coupon

C = (961 − 649,93)/3,89 = €79,97

Couponrente

c = 79,97/1000 = 7,997%

Antwoord

c = 7,997%
6.Obligatiekoers en rendement

Antwoord: YTM = 6,031 %

Obligatiewaardering: de koers van een obligatie is de contante waarde van haar kasstromen, verdisconteerd tegen het effectieve rendement (yield to maturity, YTM): de coupons vormen een annuïteit en de nominale waarde wordt op de aflossingsdatum terugbetaald. P = C·(1 − (1 + y)⁻ⁿ)/y + F/(1 + y)ⁿ. Als het rendement boven de couponrente ligt, noteert de obligatie onder de nominale waarde, en omgekeerd.

Vergelijking voor het rendement

€930 = €50·(1 − (1 + y)⁻⁹)/y + €1 000/(1 + y)⁹

Los numeriek op

P(6%) = €931,98, P(7%) = €869,70
YTM = 6,031%

Antwoord

YTM = 6,031%
7.CAPM en WACC

Antwoord: WACC = 8,091 %

Vermogenskosten: CAPM geeft het rendement dat aandeelhouders eisen: re = rf + β·(rm − rf). De gewogen gemiddelde vermogenskosten combineren eigen en vreemd vermogen naar hun marktwaarden: WACC = E/V·re + D/V·rd·(1 − T), met V = E + D. Rente is fiscaal aftrekbaar, vandaar de (1 − T).

Gewichten

V = €11 000 000, E/V = 0,4545, D/V = 0,5455

WACC

WACC = 0,4545·13% + 0,5455·5%·(1 − 0,2) = 8,091%

Antwoord

WACC = 8,091%
8.CAPM en WACC

Antwoord: WACC = 13,06 %

Vermogenskosten: CAPM geeft het rendement dat aandeelhouders eisen: re = rf + β·(rm − rf). De gewogen gemiddelde vermogenskosten combineren eigen en vreemd vermogen naar hun marktwaarden: WACC = E/V·re + D/V·rd·(1 − T), met V = E + D. Rente is fiscaal aftrekbaar, vandaar de (1 − T).

Marktwaarden

E = 5 000 000·€29,50 = €147 500 000
D = 10 000·€1 000 = €10 000 000

Kosten eigen vermogen (CAPM)

re = 2% + 1,8·6,5% = 13,7%

Gewichten

V = €157 500 000, E/V = 0,9365, D/V = 0,06349

WACC

WACC = 0,9365·13,7% + 0,06349·4,5%·(1 − 0,21) = 13,06%

Antwoord

WACC = 13,06%
9.Beschrijvende statistiek

Antwoord: s = 12,35

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Gemiddelde

x̄ = 230/7 = 32,86

Gekwadrateerde afwijkingen

Σ(x − x̄)² = 6,143² + (−8,857)² + 8,143² + (−17,86)² + 0,1429² + 19,14² + (−6,857)² = 914,9

Standaardafwijking

s = √(914,9/6) = 12,35

Antwoord

s = 12,35
10.Beschrijvende statistiek

Antwoord: z = 0,6

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Standaardiseren

z = (104,8 − 100)/8 = 0,6

Antwoord

z = 0,6
11.Kansrekening

Antwoord: σ = 10,9

Discrete stochasten: een kansverdeling geeft elke waarde x die een variabele kan aannemen met haar kans p(x); de kansen liggen tussen 0 en 1 en tellen op tot 1. De verwachtingswaarde (het gemiddelde) is E(X) = Σx·p(x), het gemiddelde op de lange termijn. De variantie is Var(X) = Σ(x − μ)²·p(x) = E(X²) − μ², en de standaardafwijking σ = √Var(X). Voor een lineaire transformatie Y = aX + b geldt: E(Y) = a·E(X) + b, Var(Y) = a²·Var(X) en σY = |a|·σX; een constante optellen verandert de spreiding niet.

Gemiddelde

μ = 10·0,2 + 20·0,15 + 30·0,35 + 40·0,3 = 27,5

Gemiddelde van de kwadraten

E(X²) = 100·0,2 + 400·0,15 + 900·0,35 + 1600·0,3 = 875

Variantie

Var(X) = 875 − 27,5² = 118,8
σ = √118,8 = 10,9

Antwoord

σ = 10,9
12.Kansrekening

Antwoord: P = 0,02686

Kansrekening: bij even waarschijnlijke uitkomsten is P(A) = gunstig/totaal. Bij onafhankelijke gebeurtenissen vermenigvuldig je: P(A en B) = P(A)·P(B). De complementregel helpt vaak: P(minstens één) = 1 − P(geen). Binomiaal: bij n onafhankelijke pogingen met succeskans p geldt P(X = k) = C(n, k)·pᵏ·(1 − p)ⁿ⁻ᵏ.

Binomiale formule

P(X = 2) = 55·0,52·0,59 = 55·0,25·0,001953 = 0,02686

Antwoord

P = 0,02686
13.Normale verdeling

Antwoord: P = 0,3268

Normale verdeling: reken een waarde x om naar een z-score, z = (x − μ)/σ, die telt hoeveel standaardafwijkingen x van het gemiddelde ligt. Een z-tabel (of Φ(z)) geeft de oppervlakte links van z, en dat is P(X < x). De oppervlakte rechts is 1 − Φ(z), en de oppervlakte tussen twee waarden is het verschil van hun twee oppervlakten.

z-scores

z₁ = (248,5 − 250)/5 = −0,3
z₂ = (252,75 − 250)/5 = 0,55

Oppervlakte ertussen

P = Φ(0,55) − Φ(−0,3) = 0,7088 − 0,3821 = 0,3268

Antwoord

P = 0,3268
14.Normale verdeling

Antwoord: x = 189,5 cm

Van een oppervlak terug naar z: Φ(z) is het oppervlak links van z. Zoek voor een linkerstaartoppervlak A de z met Φ(z) = A in de tabel. Een rechterstaartoppervlak A betekent Φ(z) = 1 − A. Een centraal oppervlak A tussen −z en z laat (1 − A)/2 in elke staart over, dus Φ(z) = (1 + A)/2. Gebruik voor een waarde x de formule x = μ + zσ.

Oppervlak links

Φ(z) = 0,95

z uit de tabel

z ≈ 1,64

Terug naar de oorspronkelijke eenheden

x = 178 + 1,64·7 = 189,5 cm

Antwoord

x = 189,5 cm
15.Betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: ondergrens = 5,549 mmHg

Interval for a difference: estimate ± critical value × standard error. For two independent means with known σ: SE = √(σ₁²/n₁ + σ₂²/n₂) and z. With equal unknown variances: pooled s_p and t with n₁ + n₂ − 2 degrees of freedom. For paired data, work with the differences: d̄ ± t·s_d/√n.

Kritieke waarde

df = 19, t = 1,729

Foutmarge

E = 1,729·2,2/√20 = 0,8506

Interval

6,4 ± 0,8506 → [5,549, 7,251]

Antwoord

ondergrens = 5,549 mmHg
16.Betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: σ = 3,661 µm

Interval voor een variantie: (n − 1)s²/σ² heeft een χ²-verdeling met n − 1 vrijheidsgraden. Het 95%-interval voor σ² loopt van (n − 1)s² gedeeld door de bovenste χ²-waarde (2,5% erboven) tot (n − 1)s² gedeeld door de onderste χ²-waarde (2,5% eronder); het interval voor σ is de wortel van beide grenzen. Het is niet symmetrisch rond s.

Kwadratensom

(n − 1)s² = 14·5² = 350

Grenzen voor σ²

350/26,119 = 13,4
350/5,629 = 62,18

Grens voor σ

σ = √13,4 = 3,661 µm

Antwoord

σ = 3,661 µm

95%-interval voor σ: [3,661, 7,885] µm.

17.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: t = 3,017

Hypothesis test: the test statistic = (estimate − value under H₀)/(standard error under H₀). The p-value is the probability, assuming H₀ is true, of a statistic at least as extreme as the one observed: the area in one tail for a one-sided H₁, twice the tail area for a two-sided H₁. Reject H₀ when p ≤ α.

Gepoolde variantie

sp² = (8·4,5² + 6·6²)/14 = 27
sp = 5,196

Standaardfout

SE = 5,196·√(1/9 + 1/7) = 2,619

Toetsingsgrootheid

t = (84,5 − 76,6)/2,619 = 3,017

Antwoord

t = 3,017

Bij df = 14 is de tweezijdige kritieke waarde bij 5% gelijk aan 2,145; |t| is groter, dus H₀ wordt verworpen.

18.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: n = 53

Steekproefomvang voor een toets: om een werkelijke verschuiving δ te ontdekken met onderscheidend vermogen 1 − β in een eenzijdige z-toets bij niveau α, moet de standaardfout voldoen aan δ = (z_α + z_β)·σ/√n, dus n = ((z_α + z_β)·σ/δ)², naar boven afgerond.

n oplossen

n = ((1,645 + 1,645)·11/5)² = 52,39

Naar boven afronden

n = 53

Antwoord

n = 53
19.Lineaire regressie en correlatie

Antwoord: r = 0,9904

Kleinstekwadratenregressie: met x̄ en ȳ de gemiddelden, Sxx = Σ(x − x̄)², Syy = Σ(y − ȳ)² en Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) heeft de lijn ŷ = a + b·x helling b = Sxy/Sxx en snijpunt a = ȳ − b·x̄, dus gaat ze altijd door (x̄, ȳ). De correlatiecoëfficiënt van Pearson r = Sxy/√(Sxx·Syy) ligt tussen −1 en 1; r² is het deel van de variatie in y dat door de lijn wordt verklaard.

Gemiddelden

x̄ = 147/6 = 24,5
ȳ = 546/6 = 91

Kwadraten- en productsommen

Sxx = Σ(x − x̄)² = 157,5
Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) = 711
Syy = Σ(y − ȳ)² = 3272

Correlatiecoëfficiënt

r = 711/√(157,5·3272) = 0,9904

Antwoord

r = 0,9904
20.Lineaire regressie en correlatie

Antwoord: ŷ = 93,1

Kleinstekwadratenregressie: met x̄ en ȳ de gemiddelden, Sxx = Σ(x − x̄)², Syy = Σ(y − ȳ)² en Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) heeft de lijn ŷ = a + b·x helling b = Sxy/Sxx en snijpunt a = ȳ − b·x̄, dus gaat ze altijd door (x̄, ȳ). De correlatiecoëfficiënt van Pearson r = Sxy/√(Sxx·Syy) ligt tussen −1 en 1; r² is het deel van de variatie in y dat door de lijn wordt verklaard.

Gemiddelden

x̄ = 120/5 = 24
ȳ = 569/5 = 113,8

Kwadraten- en productsommen

Sxx = Σ(x − x̄)² = 90
Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) = 414

Regressielijn

b = 414/90 = 4,6
a = 113,8 − 4,6·24 = 3,4
ŷ = 3,4 + 4,6·x

Voorspelling

ŷ = 3,4 + 4,6·19,5 = 93,1

Antwoord

ŷ = 93,1

Dit is onafhankelijk oefenmateriaal. ExamProblems is niet verbonden aan of goedgekeurd door de organisatie die dit examen afneemt, en de naam van het examen wordt alleen gebruikt om de inhoud te beschrijven. CFA® and Chartered Financial Analyst® zijn merken van CFA Institute, dat niet verbonden is aan ExamProblems, het niet onderschrijft en niet instaat voor de juistheid ervan.

ExamProblems · examproblems.com/courses/cfa-level-1-quant-and-fixed-income