Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.
1Formules en methoden
Serie- en parallelweerstanden
Weerstanden in serie
Req = R1 + R2 + …
Weerstanden parallel
1/Req = 1/R1 + 1/R2 + …
Twee parallel
Req = R1R2 / (R1 + R2)
Wet van Ohm
V = I·R
Vermogen
P = V·I = I²R = V²/R
Methode
Begin aan het uiteinde van het netwerk dat het verst van de klemmen ligt.
Combineer weerstanden in serie door ze op te tellen, en weerstanden parallel met 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …
Teken de schakeling na elke stap opnieuw.
Herhaal tot er één weerstand tussen de klemmen over is.
Knooppuntmethode
Stroomwet van Kirchhoff
ΣIin = ΣIout
Takstroom
I = (Va − Vb)/R
Referentieknooppunt
Vground = 0
Methode
Kies een referentieknooppunt (massa) en benoem de andere knooppuntspanningen.
Schrijf de stroomwet van Kirchhoff op in elk onbekend knooppunt: de stromen die door de takken weggaan zijn gelijk aan de stromen die binnenkomen.
Schrijf elke takstroom als (Va − Vb)/R.
Los het stelsel vergelijkingen op en bereken daarna de stromen die je nodig hebt.
Maasmethode
Spanningswet van Kirchhoff
ΣV = 0 rond elke lus
Gedeelde weerstand
stroom = I1 − I2
Stroombron in een maas
legt die maasstroom vast
Methode
Teken in elke maas (venster) van de schakeling een stroom met de klok mee.
Pas de spanningswet van Kirchhoff toe langs elke maas: de som van de spanningsvallen is nul.
In een weerstand die door twee mazen gedeeld wordt, is de stroom het verschil van de twee maasstromen.
Los de vergelijkingen op; een negatieve uitkomst betekent dat de stroom de andere kant op loopt.
Superpositie
Superpositie
x = x1 + x2 + … (one source at a time)
Uitgeschakelde spanningsbron
kortsluiting (0 V)
Uitgeschakelde stroombron
open klemmen (0 A)
Spanningsdeler
V2 = V·R2/(R1 + R2)
Stroomdeler
I1 = I·R2/(R1 + R2)
Methode
Tel de onafhankelijke bronnen. Je lost per bron één eenvoudigere schakeling op.
Houd één bron aan en schakel de andere uit: een spanningsbron wordt een kortsluiting (een draad), een stroombron wordt een open keten (een onderbreking).
Los de eenvoudigere schakeling op voor de spanning of stroom die je nodig hebt, en houd de richting bij.
Herhaal dit voor elke bron en tel daarna de bijdragen met hun tekens op.
Thévenin en Norton
Thévenin-spanning
Vth = Vopen circuit
Thévenin-weerstand
Rth: alle bronnen uit, gezien vanaf a–b
Norton-stroom
IN = Vth/Rth
Belastingsstroom
IL = Vth/(Rth + RL)
Maximale vermogensoverdracht
RL = Rth, Pmax = Vth²/(4Rth)
Methode
Haal de belasting weg en markeer de twee klemmen a en b.
Bepaal de openklemspanning tussen a en b: dit is Vth.
Schakel alle onafhankelijke bronnen uit en bepaal de weerstand gezien vanaf a–b: dit is Rth.
Zet de belasting terug op het vervangingsschema: Vth in serie met Rth.
Reken voor het Norton-equivalent om: IN = Vth/Rth, met RN = Rth parallel.
Opampschakelingen
Inverterende versterker
Vout = −(Rf/Rin)·Vin
Niet-inverterende versterker
Vout = (1 + Rf/R1)·Vin
Sommeerversterker
Vout = −Rf(V1/R1 + V2/R2)
Ideale opamp
V+ = V−, Iin = 0
RC- en RL-schakelverschijnselen
Tijdconstante
τ = RC | τ = L/R
Respons
x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ
Condensator bij gelijkstroom
open klemmen; vC kan niet verspringen
Spoel bij gelijkstroom
kortsluiting; iL kan niet verspringen
Eindtoestand
t ≈ 5τ
Methode
Bepaal de beginwaarde vlak na het schakelen: een condensatorspanning en een spoelstroom kunnen niet verspringen.
Bepaal de eindwaarde lang na het schakelen: een condensator gedraagt zich als een open keten, een spoel als een kortsluiting.
Bepaal de tijdconstante: τ = RC of τ = L/R, met de weerstand die de condensator of spoel ziet.
Gebruik x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ.
2Oefenopgaven
1.Serie- en parallelweerstandenGemiddeld
Vind de stroom IR2 door R2.
V1 = 9 VR1 = 15 ΩR2 = 10 ΩR3 = 5 ΩR4 = 6 Ω
IR2 = A
2.Serie- en parallelweerstandenMoeilijk
Vind de vervangingsweerstand Req die de bron V1 ziet.
Drie takken zijn aangesloten tussen knooppunt A en massa, zoals getekend. Gebruik de knooppuntmethode om de stroom I1 in tak 1 te vinden, die omhoog knooppunt A in stroomt in de richting van de pijl.
De spanningsbron Vₛ tussen A en B heeft haar +-klem bij B, dus ze legt VB − VA = Vₛ vast. Gebruik de knooppuntmethode met een superknooppunt om de stroom Ix door de spanningsbron te vinden, van A naar B zoals de pijl aangeeft.
De opamp is ideaal en wordt gevoed met ±15 V; de uitgang verzadigt bij ±12 V. De inverterende versterker wordt gestuurd met een sinusvormig signaal. Vind de grootste ingangsamplitude Vin,max (topwaarde) waarbij de uitgang niet wordt afgekapt.
R1 = 1 kΩRf = 22 kΩVsat = ±12 V
Vin,max = V
12.OpampschakelingenMoeilijk
De integrator gebruikt een ideale opamp met een voeding van ±15 V; de uitgang verzadigt bij ±13 V. De condensator is ongeladen als op t = 0 een constante ingang Vin = 1,3 V wordt aangelegd. Vind de uitgangsspanning Vout op t = 500 ms.
De spoel voert een constante stroom van 1 A. Op t = 0 sluit de schakelaar de kring via R en wordt de bron verwijderd, zodat de spoelstroom via R uitdooft. Vind de stroom i op t = 1 ms.
i(0) = 1 AR = 100 ΩL = 68 mHt = 1 ms
i = A
14.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
Een timer begint op t = 0 een ongeladen condensator via een weerstand op te laden uit een voeding van 15 V. Hij moet schakelen als de condensatorspanning 7,5 V bereikt, precies 200 ms na de start. Vind met R = 22 kΩ de benodigde capaciteit C.
Vs = 15 VVth = 7,5 VT = 200 msR = 22 kΩ
C = µF
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR2 = 0,2329 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 5 + 6 = 11 Ω
R2 ∥ 11 = 10·11/(10+11) = 5,238 Ω
Req = R1 + 5,238 = 15 + 5,238 = 20,24 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 9/20,24 = 0,4447 A
Stroom door R₂
Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.
VA = V1 − IR1·R1 = 9 − 0,4447·15 = 2,329 V
IR2 = VA/R2 = 2,329/10 = 0,2329 A
Antwoord
IR2 = 0,2329 A
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: Req = 27,44 Ω
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 5 + 8 = 13 Ω
R4 ∥ 13 = 9,07 Ω
R3 + 9,07 = 13,07 Ω
R2 ∥ 13,07 = 2,44 Ω
Req = R1 + 2,44 = 25 + 2,44 = 27,44 Ω
Antwoord
Req = 27,44 Ω
3.Knooppuntmethode
Antwoord: I1 = 1,725 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stroomwet in knooppunt A
Neem de onderste draad als massa. Elke tak voert (VA − Vk)/Rk weg van A, waarbij Vk de spanning van de bron in die tak is (nul voor een gewone weerstand). De stromen die A verlaten zijn samen nul.
(VA − 30)/20 + (VA − 12)/10 + (VA − (−18))/4 = 0
Los VA op
VA = (30/20 + 12/10 + (−18)/4) / (1/20 + 1/10 + 1/4) = −1,8/0,4 = −4,5 V
Takstroom
De pijl wijst omhoog door de tak, knooppunt A in.
I1 = (30 − VA)/R1 = (30 − (−4,5))/20 = 1,725 A
Antwoord
I1 = 1,725 A
Een negatieve uitkomst betekent dat de werkelijke stroom tegen de pijl in loopt.
4.Knooppuntmethode
Antwoord: Ix = 0,4327 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Vorm een superknooppunt
De spanningsbron tussen A en B voert een onbekende stroom, dus je kunt de stroomwet niet afzonderlijk in A of B opschrijven. Neem A, B en de bron samen in één superknooppunt: de stroom die erin gaat is gelijk aan de stroom die eruit komt.
VB = VA + 12
(VA − V1)/R1 + VA/R2 + VB/R3 = Is
Oplossen
(VA − 18)/20 + VA/25 + (VA + 12)/12 = 1
VA·(1/20 + 1/25 + 1/12) = 1 + 18/20 − 12/12 = 0,9
VA = 0,9/0,1733 = 5,192 V
VB = 17,19 V
Stroom door de spanningsbron
Stroomwet in knooppunt A alleen: de stroom die via R₁ aankomt, verlaat A via R₂ en via de spanningsbron.
IR1 = (18 − 5,192)/20 = 0,6404 A
Ix = IR1 − VA/R2 = 0,6404 − 5,192/25 = 0,4327 A
Antwoord
Ix = 0,4327 A
Een negatieve uitkomst betekent dat de werkelijke stroom tegen de pijl in loopt.
5.Maasmethode
Antwoord: IR2 = −3,333 A
Maasmethode: geef elk venster van een vlakke schakeling een eigen lusstroom, schrijf de spanningswet van Kirchhoff langs elke lus (som van de vallen = som van de stijgingen) en los op. Takstromen zijn de maasstroom, of het verschil van twee maasstromen in een gedeelde tak.
Ken maasstromen toe
Teken in elk venster een stroom met de klok mee: I1, I2. Een weerstand die door twee mazen gedeeld wordt, voert het verschil van hun stromen.
Spanningswet langs maas 1
Met de klok mee zijn de spanningsvallen over weerstanden gelijk aan de spanningsstijgingen van bronnen (van − naar + in de looprichting).
R1·I1 + R3(I1 − I2) = V1
6·I1 + 4(I1 − I2) = 15
10·I1 − 4·I2 = 15
Spanningswet langs maas 2
Met de klok mee zijn de spanningsvallen over weerstanden gelijk aan de spanningsstijgingen van bronnen (van − naar + in de looprichting).
R2·I2 + R3(I2 − I1) = −V2
3·I2 + 4(I2 − I1) = (−24)
−4·I1 + 7·I2 = −24
Oplossen
Δ = (10)(7) − (−4)(−4) = 54
I1 = Δ1/Δ = 9/54 = 0,1667 A
I2 = Δ2/Δ = −180/54 = −3,333 A
Antwoord
IR2 = I2 = −3,333 A
Een negatieve maasstroom loopt tegen de klok in.
6.Maasmethode
Antwoord: VR2 = −3,431 V
Maasmethode: geef elk venster van een vlakke schakeling een eigen lusstroom, schrijf de spanningswet van Kirchhoff langs elke lus (som van de vallen = som van de stijgingen) en los op. Takstromen zijn de maasstroom, of het verschil van twee maasstromen in een gedeelde tak.
Ken maasstromen toe
Teken in elk venster een stroom met de klok mee: I1, I2, I3. Een weerstand die door twee mazen gedeeld wordt, voert het verschil van hun stromen.
Spanningswet langs maas 1
Met de klok mee zijn de spanningsvallen over weerstanden gelijk aan de spanningsstijgingen van bronnen (van − naar + in de looprichting).
R1·I1 + R4(I1 − I2) = V1
30·I1 + 2(I1 − I2) = 10
32·I1 − 2·I2 = 10
Spanningswet langs maas 2
Met de klok mee zijn de spanningsvallen over weerstanden gelijk aan de spanningsstijgingen van bronnen (van − naar + in de looprichting).
R2·I2 + R4(I2 − I1) + R5(I2 − I3) = 0
25·I2 + 2(I2 − I1) + 6(I2 − I3) = 0
−2·I1 + 33·I2 − 6·I3 = 0
Spanningswet langs maas 3
Met de klok mee zijn de spanningsvallen over weerstanden gelijk aan de spanningsstijgingen van bronnen (van − naar + in de looprichting).
R3·I3 + R5(I3 − I2) = −V2
30·I3 + 6(I3 − I2) = (−30)
−6·I2 + 36·I3 = −30
Oplossen
Δ = determinant van de coëfficiëntenmatrix = 36720
I1 = Δ1/Δ = 11160/36720 = 0,3039 A
I2 = Δ2/Δ = −5040/36720 = −0,1373 A
I3 = Δ3/Δ = −31440/36720 = −0,8562 A
Antwoord
IR2 = I2 = −0,1373 A
VR2 = IR2·R2 = −0,1373·25 = −3,431 V
Een negatieve maasstroom loopt tegen de klok in.
7.Superpositie
Antwoord: PR1 = 14,76 W
Superpositie: in een lineaire schakeling is elke spanning of stroom de som van de responsies op elke onafhankelijke bron die alleen werkt. Om een bron uit te zetten, vervang je een ideale spanningsbron door een kortsluiting en een ideale stroombron door een open circuit. Weerstanden blijven waar ze zijn.
Geval 1 · alleen V1
Iₛ wordt een open circuit, dus R₃ en R₄ vormen één serietak van A naar massa, parallel aan R₂.
R3+R4 = 6+3 = 9 Ω
R2 ∥ (R3+R4) = 10·9/(10+9) = 4,737 Ω
VA = 18·4,737/(15+4,737) = 4,32 V
VB = VA·R4/(R3+R4) = 4,32·3/9 = 1,44 V
IR1′ = (V1 − VA)/R1 = (18 − 4,32)/15 = 0,912 A
Geval 2 · alleen Is
V₁ wordt een kortsluiting, dus R₁ staat parallel aan R₂. Iₛ splitst zich in B tussen R₄ en het pad via R₃. De pijl van Iₛ wijst omlaag, van zijn knooppunt af, dus Iₛ trekt stroom uit dat knooppunt: de term komt erin met een minteken.
R1 ∥ R2 = 15·10/(15+10) = 6 Ω
Req = R4 ∥ (R3+R1∥R2) = 3 ∥ 12 = 2,4 Ω
VB = −Is·Req = −1·2,4 = −2,4 V
VA = VB·(R1∥R2)/(R3+R1∥R2) = −2,4·6/12 = −1,2 V
IR1″ = (V1 − VA)/R1 = (0 − −1,2)/15 = 0,08 A
Tel de stroombijdragen op
IR1 = IR1′ + IR1″ = 0,912 + 0,08 = 0,992 A
Vermogen in de weerstand
Vermogen hangt af van het kwadraat van de stroom, dus het voldoet niet aan superpositie: tel eerst de stromen op en kwadrateer dan.
PR1 = IR1²·R1 = 0,992²·15 = 14,76 W
Antwoord
PR1 = 14,76 W
De vermogens van de afzonderlijke gevallen optellen zou 12,57 W geven, en dat is fout.
8.Superpositie
Antwoord: VR3 = 5,552 V
Superpositie: in een lineaire schakeling is elke spanning of stroom de som van de responsies op elke onafhankelijke bron die alleen werkt. Om een bron uit te zetten, vervang je een ideale spanningsbron door een kortsluiting en een ideale stroombron door een open circuit. Weerstanden blijven waar ze zijn.
Geval 1 · alleen V1
V₂ wordt een kortsluiting en Iₛ een open circuit. Gezien vanuit A staat R₃ parallel aan het seriepaar R₂+R₄.
R3 ∥ (R2+R4) = 8 ∥ 25 = 6,061 Ω
VA = 6·6,061/(8+6,061) = 2,586 V
VB = VA·R4/(R2+R4) = 2,586·5/25 = 0,5172 V
VR3′ = VA − 0 = 2,586 − 0 = 2,586 V
Geval 2 · alleen Is
Beide spanningsbronnen worden kortsluitingen. Iₛ splitst zich in B tussen R₄ (nu naar massa) en R₂ in serie met R₁ ∥ R₃.
R1 ∥ R3 = 4 Ω, dus het linkerpad is R2+4 = 24 Ω
Req = R4 ∥ 24 = 4,138 Ω
VB = Is·Req = 2,5·4,138 = 10,34 V
VA = VB·4/24 = 1,724 V
VR3″ = VA − 0 = 1,724 − 0 = 1,724 V
Geval 3 · alleen V2
V₁ wordt een kortsluiting en Iₛ een open circuit. R₁ ∥ R₃ hangt aan A, in serie met R₂ terug naar B.
R1 ∥ R3 = 8·8/(8+8) = 4 Ω
VB = V2·(R2+R1∥R3)/(R4+R2+R1∥R3) = 9·24/29 = 7,448 V
VA = VB·(R1∥R3)/(R2+R1∥R3) = 7,448·4/24 = 1,241 V
VR3‴ = VA − 0 = 1,241 − 0 = 1,241 V
Tel de bijdragen op
VR3 = VR3′ + VR3″ + VR3‴
VR3 = 2,586 + 1,724 + 1,241 = 5,552 V
Een negatief resultaat betekent dat in werkelijkheid de polariteit tegengesteld is aan de aangegeven.
9.Thévenin en Norton
Antwoord: Rth = 23,75 Ω
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 6·10/(6+10) = 3,75 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 3,75 + 20 = 23,75 Ω
10.Thévenin en Norton
Antwoord: PL = 0,03917 W
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 5·6/(5+6) = 2,727 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 2,727 + 25 = 27,73 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 16,36 + (−0,5)·2,727 = 15 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 15 + (−0,5)·25 = 2,5 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 2,5/(27,73 + 8) = 0,06997 A
PL = IL²·RL = 0,06997²·8 = 0,03917 W
11.Opampschakelingen
Antwoord: Vin,max = 0,5455 V
Regels voor de ideale opamp: met tegenkoppeling stuurt de opamp zijn uitgang zo dat beide ingangen op dezelfde spanning staan (V₋ = V₊), en er loopt geen stroom in een van de ingangen. De stroomwet in de inverterende ingang met deze twee feiten geeft de uitgang.
Versterking
|Av| = Rf/R1 = 22/1 = 22
Grootste ingang vóór afkappen
Vin,max = Vsat/|Av| = 12/22 = 0,5455 V
Antwoord
Vin,max = 0,5455 V
12.Opampschakelingen
Antwoord: Vout = −1,383 V
Regels voor de ideale opamp: met tegenkoppeling stuurt de opamp zijn uitgang zo dat beide ingangen op dezelfde spanning staan (V₋ = V₊), en er loopt geen stroom in een van de ingangen. De stroomwet in de inverterende ingang met deze twee feiten geeft de uitgang.
De ideale waarde ligt binnen ±Vsat, dus de integrator is nog niet afgekapt.
Vout = −Vin·t/(RC) = −1,3·500/470 = −1,383 V
Antwoord
Vout = −1,383 V
13.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: i = 0,2298 A
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante
τ = L/R = 68 mH / 100 Ω = 0,68 ms
Afname van de stroom
i(t) = 1·e−1/0,68 = 0,2298 A
Antwoord
i = 0,2298 A
14.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: C = 13,12 µF
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.