Klinische voeding: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Berekeningen bij enterale en parenterale voeding

Dagvolume
mL = kcal / (kcal/mL)
Continue voeding
mL/h = dagvolume / uren voeding
Bolusvoeding
mL per voeding = dagvolume / aantal voedingen
Geleverde energie en eiwit
kcal = mL × kcal/mL; g = L × g/L
Vrij water
mL = voedingsvolume × waterfractie
Ideaal lichaamsgewicht (Devine)
mannen 50 + 2,3 × (in − 60); vrouwen 45,5 + 2,3 × (in − 60); 1 in = 2,54 cm
Body mass index
BMI = kg/m²
Parenterale voeding
dextrose 3,4 kcal/g, aminozuren 4 kcal/g, lipiden 20% 2,0 kcal/mL, 10% 1,1 kcal/mL
Stikstof
g N = g eiwit / 6,25
Glucose-infusiesnelheid
GIR = mg/(kg·min) = % × mL/h / (6 × kg)

Methode

  1. Schrijf op wat gevraagd wordt: een pompsnelheid, een volume, kilocalorieën, gram eiwit of water.
  2. Zet energie om in volume met mL = kcal/(kcal/mL) en volume in eiwit met liters × g/L.
  3. Deel voor een snelheid door de uren dat de voeding echt loopt, of voor een bolus door het aantal voedingen.
  4. Vermenigvuldig voor de behoeften kcal/kg of g/kg met het gewicht dat de regel noemt; bepaal het ideale lichaamsgewicht met Devine: 50 of 45,5 + 2,3 × (inches − 60).
  5. Bepaal bij parenterale voeding de gram als % × mL/100 en gebruik dan 3,4 kcal/g voor dextrose, 4 kcal/g voor aminozuren en de vermelde kcal/mL voor lipiden.

Infuusvloeistoffen en vochtbalans

Holliday–Segar per uur
4 mL/kg (eerste 10 kg) + 2 mL/kg (volgende 10 kg) + 1 mL/kg (elke kg boven 20)
Holliday–Segar per dag
100 / 50 / 20 mL/kg voor dezelfde gewichtsklassen
Vochtbalans
intake − output
IJsschilfers
tellen voor de helft van hun volume
Urineproductie
mL/kg/h = mL / (kg × h)
Inlooptijd
tijd (h) = resterend volume (mL) / snelheid (mL/h)
Toegediend volume
mL = snelheid × tijd

2Oefenopgaven

1.Berekeningen bij enterale en parenterale voedingGemiddeld
44 g/L1,3 g/kg/dag50 mL/h52 kg20 h/dagΔP = ? g

Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). Een patiënt van 52 kg heeft 1,3 g eiwit per kg per dag nodig. De sondevoeding bevat 44 g eiwit per liter en loopt met 50 mL/h gedurende 20 uur per dag. Hoeveel gram extra eiwit ΔP per dag is nog nodig? Rond af op één decimaal.

52 kg1,3 g/kg/dag44 g/L50 mL/h · 20 h
ΔP = g/dag
2.Berekeningen bij enterale en parenterale voedingMoeilijk
24 hdextrose 25%2400 mLaminozuren 4,25%2400 mLlipiden 20%500 mL · 2 kcal/mLN = eiwit/6,25NPC : N = ? : 1

Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). Een patiënt krijgt gedurende 24 uur 2400 mL parenterale voeding met eindconcentraties van 25% dextrose en 4,25% aminozuren, plus 500 mL 20% lipide-emulsie (2 kcal/mL). Bepaal de verhouding niet-eiwitkilocalorieën tot stikstof NPC : N (het getal x in x : 1). Rond af op het dichtstbijzijnde gehele getal.

2400 mLdextrose 25%aminozuren 4,25%lipiden 500 mL · 2 kcal/mL
NPC : N =
3.Infuusvloeistoffen en vochtbalansGemiddeld
IntakeOutputdienst van 12 uurthee150 mLsoep150 mLsap200 mLijsschilfers240 mLInfuus50 mL/h × 12 hintraveneus antibioticum1 × 50 mLurine175 mLurine475 mLurine150 mLwonddrain70 mLbraaksel250 mL

Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). De lijst toont de intake en output van een patiënt tijdens één dienst van 12 uur. Het infuus liep de hele dienst met de aangegeven snelheid. Bereken de totale intake I in mL. Tel ijsschilfers voor de helft van hun volume.

thee: 150 mLsoep: 150 mLsap: 200 mLijsschilfers: 240 mLInfuus: 50 mL/h × 12 hintraveneus antibioticum: 1 × 50 mL
I = mL
4.Infuusvloeistoffen en vochtbalansMoeilijk
500 mL→ 150 mL/hstart 19:30ttotaal​ = ? h80 mL/h × 3 h

Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). Een infuus van 500 mL start om 19:30 met 80 mL/h. Na 3 uur wordt de snelheid veranderd in 150 mL/h en daarna niet meer aangepast. Hoeveel uur t na de start is de zak leeg? Rond af op één decimaal.

500 mL80 mL/h · 3 h150 mL/h
t = h

3Oplossingen

1.Berekeningen bij enterale en parenterale voeding

Antwoord: ΔP = 23,6 g/dag

Behoeften en vrij water: de energiebehoefte wordt vaak geschat als kcal/kg/dag × gewicht en de eiwitbehoefte als g/kg/dag × gewicht. Een voeding is maar gedeeltelijk water, dus het vrije water = volume × waterfractie; waterspoelingen vormen de rest van het dagelijkse vochtdoel. Ideaal lichaamsgewicht (Devine): IBW = 50 kg + 2,3 kg voor elke inch boven 5 voet (60 in) bij mannen en 45,5 kg + 2,3 kg per inch boven 60 in bij vrouwen; 1 in = 2,54 cm. De formule is bedoeld voor volwassenen van minstens 152,4 cm (5 ft) lang. De getallen zijn alleen om te oefenen; volg aan het bed altijd de lokale protocollen en laat risicovolle doses dubbel controleren.

Benodigd eiwit

1,3·52 = 67,6 g/dag

Eiwit uit de voeding

50·20 = 1000 mL = 1 L
1·44 = 44 g/dag

Tekort

ΔP = 67,6 − 44 = 23,6 g/dag

Antwoord

ΔP = 23,6 g/dag
2.Berekeningen bij enterale en parenterale voeding

Antwoord: NPC : N = 186

Parenterale voeding: glucose levert 3,4 kcal/g, aminozuren 4 kcal/g en vetemulsie de opgegeven kcal/mL (2 kcal/mL voor 20%, 1,1 kcal/mL voor 10%). Gram = % × mL/100. Niet-eiwitkcal (NPC) = kcal uit glucose + vet; stikstof = eiwit/6,25. De glucose-infusiesnelheid (GIR) in mg/kg/min = mg glucose/(kg × minuten). De getallen zijn alleen om te oefenen; volg aan het bed altijd de lokale protocollen en laat risicovolle doses dubbel controleren.

Gram dextrose en aminozuren

dextrose: 25·2400/100 = 600 g
aminozuren: 4,25·2400/100 = 102 g

Kilocalorieën per component

dextrose: 600·3,4 = 2040 kcal
aminozuren: 102·4 = 408 kcal
lipiden: 500·2 = 1000 kcal

Niet-eiwitkcal en stikstof

NPC = 2040 + 1000 = 3040 kcal
N = 102/6,25 = 16,32 g

Verhouding

NPC : N = 3040/16,32 = 186,3 ≈ 186 : 1

Antwoord

NPC : N = 186

Verhoudingen van ongeveer 150 : 1 zijn gebruikelijk bij stabiele patiënten; lagere verhoudingen geven relatief meer eiwit.

3.Infuusvloeistoffen en vochtbalans

Antwoord: I = 1270 mL

Intake en output: intake telt alles wat erin gaat (orale vloeistoffen, infusen, intraveneuze medicatie en spoelingen, sondevoeding); ijsschilfers tellen voor de helft van hun volume. Output telt urine, drains, braaksel en andere verliezen. Balans = totale intake − totale output; een negatieve balans is een netto verlies. De getallen zijn alleen om te oefenen; volg aan het bed altijd de lokale protocollen en laat risicovolle doses dubbel controleren.

Tel de intake op

oraal: 150 + 150 + 200 = 500 mL
ijsschilfers: 240/2 = 120 mL
Infuus: 50·12 = 600 mL
intraveneus antibioticum: 1·50 = 50 mL
I = 1270 mL

Antwoord

I = 1270 mL
4.Infuusvloeistoffen en vochtbalans

Antwoord: t = 4,7 h

Inlooptijd: tijd (h) = in te lopen volume (mL)/snelheid (mL/h); gebruik het volume dat nog in de zak zit, niet de grootte van de zak. Ingelopen volume = snelheid × tijd. Reken decimale uren om naar uren en minuten met de fractie × 60 (0,5 h = 30 min, niet 50 min). De getallen zijn alleen om te oefenen; volg aan het bed altijd de lokale protocollen en laat risicovolle doses dubbel controleren.

Eerste deel

80·3 = 240 mL
500 − 240 = 260 mL over

Tweede deel

260/150 = 1,733 h

Totale tijd

t = 3 + 1,733 = 4,733 ≈ 4,7 h

Antwoord

t = 4,7 h

Dat is ongeveer 4 h 44 min, dus de zak is rond 00:14 leeg.

ExamProblems · examproblems.com/courses/clinical-nutrition