Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.
1Formules en methoden
Kinematica
Snelheid
v = v0 + a·t
Verplaatsing
s = v0·t + ½·a·t²
Zonder tijd
v² = v0² + 2·a·s
Eenheden
1 m/s = 3,6 km/h
Methode
Noteer wat je weet: v₀, v, a, t en s, met eenheden.
Kies de vergelijking met je drie bekenden en de onbekende.
Kies één positieve richting en geef tegengestelde grootheden een minteken.
Los op en controleer of het antwoord fysisch zinvol is.
Wetten van Newton
Tweede wet
ΣF = m·a
Gewicht
W = m·g
Kinetische wrijving
Ff = μ·N
Op een helling
langs: m·g·sin θ, loodrecht: m·g·cos θ
Methode
Teken een vrijlichaamsschema met elke kracht op het lichaam.
Kies een positieve richting langs de beweging.
Ontbind krachten in componenten langs en loodrecht op de beweging (op een helling: m·g·sin θ langs, m·g·cos θ de helling in).
Pas ΣF = m·a toe langs de beweging; wrijving is μ·N tegen de beweging in.
Kogelbaan
Componenten
vx = v0cos θ, vy = v0sin θ
Positie
x = vxt, y = h + vyt − ½gt²
Maximale hoogte
H = h + vy²/(2g)
Worpafstand (vlakke grond)
R = v0²·sin 2θ/g
Methode
Ontbind de beginsnelheid in componenten: vx = v₀·cos θ en vy = v₀·sin θ.
De horizontale beweging heeft een constante snelheid; de verticale beweging heeft versnelling −g.
Bepaal de vluchttijd uit de verticale beweging.
Gebruik die tijd in de horizontale beweging om de dracht te vinden.
Cirkelbeweging
Centripetale versnelling
a = v²/r = ω²·r
Centripetale kracht
F = m·v²/r
Hoeksnelheid
ω = v/r = 2π/T
Vlakke bocht, wrijving
vmax = √(μ·g·r)
Arbeid en energie
Kinetische energie
Ek = ½mv²
Potentiële energie
Ep = mgh
Energiebalans
Ek1 + Ep1 + W = Ek2 + Ep2 + losses
Wrijvingsarbeid
W = μ·N·d
Vermogen
P = W/t
Impuls en botsingen
Impuls
p = m·v
Behoud
Σm·v (before) = Σm·v (after)
Volkomen inelastisch
v′ = (m1v1 + m2v2)/(m1 + m2)
Stoot
J = F·Δt = m·Δv
Methode
Kies een positieve richting en geef elke snelheid haar teken.
Schrijf de totale impuls vooraf op: Σm·v.
Bij een volkomen inelastische botsing bewegen de lichamen daarna samen; bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden.
Stel de impuls vooraf gelijk aan de impuls achteraf en los op.
Rotatie van een star lichaam
Traagheidsmomenten om G
staaf mL²/12, schijf ½mR², ring mR², massieve bol (2/5)mR², holle bol (2/3)mR²
Stelling van Steiner
I = IG + m·d²
Traagheidsstraal
I = m·k²
Staaf om zijn uiteinde
I = mL²/3
Bewegingsvergelijking
ΣM = I·α
Snelheid in rad/s
ω = 2π·n/60
Kinetische energie
E = ½·I·ω²
Arbeid en vermogen
W = T·θ, P = T·ω
Rollen zonder slip
v = ω·r, E = ½mv²(1 + I/(mr²)), a = g·sin θ/(1 + I/(mr²))
Impulsmoment
L = I·ω, I1ω1 = I2ω2
Botsing om een draaipunt
m·v·d = I·ω
Methode
Kies de as: een vast draaipunt, of het zwaartepunt bij rollende lichamen.
Bepaal het traagheidsmoment om die as uit de standaardresultaten, met I = IG + m·d² voor een verschoven as.
Kies de methode: ΣM = I·α voor versnellingen en krachten, energie (½·I·ω² + ½·m·v² + m·g·h) voor snelheden, impulsmoment voor botsingen en plotselinge veranderingen.
Verbind lineaire en hoekbeweging met v = ω·r en a = α·r, en reken rpm om naar rad/s.
Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Ingrijpende tandwielen
n1·N1 = n2·N2
Koppel
T2 = T1·(N2/N1)·η
Vermogen
P = T·ω, ω = 2π·n/60
Meertraps overbrenging
totale overbrengingsverhouding = product van de trapverhoudingen
Veren en slingers
Massa aan een veer
T = 2π·√(m/k)
Slinger
T = 2π·√(L/g)
Hoekfrequentie
ω = √(k/m) = 2π/T
Maximale snelheid en versnelling
vmax = A·ω, amax = A·ω²
Energie
E = ½·k·A²
Mechanische trillingen
Eigenfrequentie
ωn = √(k/m), fn = ωn/(2π)
Uit de statische doorbuiging
ωn = √(g/δst)
Kritische demping
cc = 2√(km) = 2mωn
Dempingsverhouding
ζ = c/cc
Gedempte eigenfrequentie
ωd = ωn√(1 − ζ²)
Logaritmisch decrement
δ = (1/n)·ln(x0/xn), ζ = δ/√(4π² + δ²)
Veren parallel
k = k1 + k2
Veren in serie
1/k = 1/k1 + 1/k2
2Oefenopgaven
1.KinematicaGemiddeld
Een auto die met 36 km/h rijdt, remt met een constante vertraging van 7 m/s² tot hij stilstaat. Bereken de remweg s.
v₀ = 36 km/ha = −7 m/s²v = 0
s = m
2.KinematicaMoeilijk
Een modelraket wordt vanuit rust recht omhoog gelanceerd. De motor geeft hem 2 s lang een constante opwaartse versnelling van 28 m/s², waarna de motor stopt en de raket vrij beweegt. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Vind de grootste hoogte hmax die de raket bereikt.
a = 28 m/s²t1 = 2 sg = 9,81 m/s²
hmax = m
3.Wetten van NewtonGemiddeld
Een doos van 25 kg wordt met constante snelheid een helling onder 35° met de horizontaal op geduwd, door een kracht evenwijdig aan de helling. De kinetische wrijvingscoëfficiënt is 0,25. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de duwkracht F.
m = 25 kgθ = 35°μ = 0,25g = 9,81 m/s²
F = N
4.Wetten van NewtonMoeilijk
Een blok krijgt een duw, zodat het met een snelheid van 7,5 m/s een helling onder 15° op begint te glijden. De kinetische wrijvingscoëfficiënt is 0,3. Gebruik g = 9,81 m/s². Hoe ver d glijdt het langs de helling voordat het stopt?
v₀ = 7,5 m/sθ = 15°μ = 0,3g = 9,81 m/s²
d = m
5.KogelbaanGemiddeld
Een bal wordt vanaf vlakke grond gelanceerd onder 50° boven de horizontaal en landt 140 m verderop. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Vind de beginsnelheid v0.
θ = 50°R = 140 mg = 9,81 m/s²
v0 = m/s
6.KogelbaanMoeilijk
Een bal wordt gelanceerd met 11 m/s onder 50° boven de horizontaal vanaf de top van een klif van 35 m. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Vind de grootste hoogte H boven de grond aan de voet van de klif.
v₀ = 11 m/sθ = 50°h = 35 mg = 9,81 m/s²
H = m
7.CirkelbewegingGemiddeld
Een auto neemt een vlakke bocht met een straal van 135 m. De statische wrijvingscoëfficiënt tussen banden en weg is 0,7. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de hoogste snelheid vmax waarmee de auto de bocht kan nemen zonder te slippen.
r = 135 mμs = 0,7g = 9,81 m/s²
vmax = m/s
8.CirkelbewegingMoeilijk
Een bal van 1,1 kg aan een touw van 1,3 m wordt rondgeslingerd in een verticale cirkel. In het laagste punt beweegt hij met 8,5 m/s. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de spankracht T in het touw in het laagste punt.
m = 1,1 kgr = 1,3 mv = 8,5 m/sg = 9,81 m/s²
T = N
9.Arbeid en energieGemiddeld
Een blok van 0,5 kg glijdt 3 m een helling af onder 35° met de horizontaal, met een kinetische wrijvingscoëfficiënt van 0,25. Vind de arbeid Wf tegen de wrijving.
m = 0,5 kgθ = 35°μ = 0,25d = 3 mg = 9,81 m/s²
Wf = J
10.Arbeid en energieMoeilijk
Een blok van 0,5 kg wordt vanuit rust losgelaten op hoogte 3,5 m op een gladde helling. Onderaan steekt het een ruwe horizontale strook van 3,5 m over (μ = 0,15) en loopt daarna tegen een veer (k = 2000 N/m) op een glad oppervlak. Vind de maximale indrukking x van de veer.
m = 0,5 kgh = 3,5 mL = 3,5 mμ = 0,15k = 2000 N/mg = 9,81 m/s²
x = cm
11.Impuls en botsingenGemiddeld
Een karretje van 3 kg dat met 7 m/s rijdt, botst volkomen elastisch en frontaal op een stilstaand karretje van 2,5 kg op een wrijvingsloze baan. Bereken de snelheid v′2 van het tweede karretje na de botsing.
m1 = 3 kgm2 = 2,5 kgv1 = 7 m/sv2 = 0
v′2 = m/s
12.Impuls en botsingenMoeilijk
Op een kruispunt botst een auto van 2000 kg die met 18 m/s naar het oosten rijdt op een auto van 2000 kg die met 25 m/s naar het noorden rijdt. De auto’s haken in elkaar. Vind de snelheid v′ van het wrak direct na de botsing.
m1 = 2000 kgv1 = 18 m/s (E)m2 = 2000 kgv2 = 25 m/s (N)
v′ = m/s
13.Rotatie van een star lichaamGemiddeld
Een vliegwiel met een traagheidsmoment van 38,5 kg·m² draait met 2800 rpm. Een rem oefent een constant wrijvingskoppel van 165 N·m uit. Hoeveel omwentelingen N maakt het vliegwiel voordat het stilstaat?
I = 38,5 kg·m²n = 2800 rpmTb = 165 N·m
N = rev
14.Rotatie van een star lichaamMoeilijk
Een massieve bol met massa 19 kg rolt zonder slip met 8,5 m/s. Bepaal zijn totale kinetische energie Ek.
m = 19 kgv = 8,5 m/sI = (2/5)·m·r²
Ek = J
15.Tandwielen en tandwieloverbrengingenGemiddeld
Een riem loopt op een aandrijvende schijf van 120 mm met 960 rpm. De spanning is 600 N in het trekkende deel en 180 N in het slappe deel. Bepaal het overgebrachte vermogen P, in kW.
d1 = 120 mmn1 = 960 rpmT1 = 600 NT2 = 180 N
P = kW
16.Tandwielen en tandwieloverbrengingenMoeilijk
Een open riem verbindt een schijf van 160 mm en een schijf van 300 mm waarvan de hartafstand 1000 mm is. Bepaal de omspanningshoek θ op de kleinere schijf, in graden.
d1 = 160 mmd2 = 300 mmC = 1000 mm
θ = °
17.Veren en slingersGemiddeld
Een massa van 0,4 kg aan een veer met k = 320 N/m wordt 4 cm in de positieve richting uitgetrokken en op t = 0 vanuit rust losgelaten. Vind de uitwijking x uit de evenwichtsstand op t = 1,2 s (met teken).
m = 0,4 kgk = 320 N/mA = 4 cmt = 1,2 s
x = cm
18.Veren en slingersMoeilijk
Een massa van 0,9 kg aan een veer met k = 330 N/m wordt 20 cm uit de evenwichtsstand getrokken en losgelaten. Bereken de maximale snelheid vmax.
m = 0,9 kgk = 330 N/mA = 20 cm
vmax = m/s
19.Mechanische trillingenGemiddeld
Een massa van 25 kg aan een veer met een stijfheid van 50 kN/m heeft een viskeuze demper die een dempingsverhouding van 0,5 geeft. Vind de gedempte eigenfrequentie fd van de vrije trilling in Hz.
m = 25 kgk = 50 kN/mζ = 0,5
fd = Hz
20.Mechanische trillingenMoeilijk
Een massa van 50 kg hangt aan twee veren naast elkaar (parallel), met stijfheden k₁ = 100 kN/m en k₂ = 80 kN/m. De massa blijft horizontaal. Verwaarloos demping en de massa’s van de veren. Vind de eigenfrequentie fn van de verticale trilling in Hz.
m = 50 kgk1 = 100 kN/mk2 = 80 kN/m
fn = Hz
3Oplossingen
1.Kinematica
Antwoord: s = 7,143 m
Beweging met constante versnelling: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² en v² = v₀² + 2·a·s. Kies de formule die de drie bekende grootheden en de gezochte grootheid bevat, en houd de tekens consequent bij één positieve richting.
Eenheden
v₀ = 36/3,6 = 10 m/s
Remweg
0 = v₀² − 2·a·s → s = v₀²/(2a) = 10²/(2·7) = 7,143 m
Antwoord
s = 7,143 m
2.Kinematica
Antwoord: hmax = 215,8 m
Motion with constant acceleration: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² and v² = v₀² + 2·a·s. Pick the equation that contains the three things you know and the one you want, and keep the signs consistent with one positive direction.
Aangedreven fase
v₁ = 28·2 = 56 m/s
h₁ = ½·28·2² = 56 m
Vrije vlucht omhoog
Bovenaan is de snelheid nul.
Δh = v₁²/(2g) = 56²/(2·9,81) = 159,8 m
hmax = 56 + 159,8 = 215,8 m
Antwoord
hmax = 215,8 m
3.Wetten van Newton
Antwoord: F = 190,9 N
Newton’s second law: the net force on a body equals its mass times its acceleration, ΣF = m·a. Draw a free-body diagram, choose a positive direction along the motion, and add every force in that direction: applied forces, friction μ·N against the motion, and the components of gravity.
Krachten langs de helling
Constante snelheid: de krachten zijn in evenwicht.
F = m·g·sin θ + μ·m·g·cos θ
Duwkracht
F = 140,7 + 50,22 = 190,9 N
Antwoord
F = 190,9 N
4.Wetten van Newton
Antwoord: d = 5,226 m
Newton’s second law: the net force on a body equals its mass times its acceleration, ΣF = m·a. Draw a free-body diagram, choose a positive direction along the motion, and add every force in that direction: applied forces, friction μ·N against the motion, and the components of gravity.
Vertraging
Beide krachten wijzen de helling af; de massa valt weg.
a = 9,81·(sin 15° + 0,3·cos 15°) = 5,382 m/s²
Afstand
d = v₀²/(2a) = 7,5²/(2·5,382) = 5,226 m
Antwoord
d = 5,226 m
5.Kogelbaan
Antwoord: v0 = 37,34 m/s
Projectile motion: with no air resistance, x = vxt and y = h + vyt − ½gt². The two directions are independent except that they share the same time.
Los de formule voor de worpafstand op naar v₀
v₀ = √(g·R/sin 2θ) = √(9,81·140/sin 100°) = 37,34 m/s
Antwoord
v0 = 37,34 m/s
6.Kogelbaan
Antwoord: H = 38,62 m
Projectile motion: with no air resistance, x = vxt and y = h + vyt − ½gt². The two directions are independent except that they share the same time.
Verticale beginsnelheid
vy = 11·sin 50° = 8,426 m/s
Stijging boven de klif
Δh = vy²/(2g) = 8,426²/(2·9,81) = 3,619 m
Hoogte boven de grond
H = 35 + 3,619 = 38,62 m
Antwoord
H = 38,62 m
7.Cirkelbeweging
Antwoord: vmax = 30,45 m/s
Eenparige cirkelbeweging: een voorwerp dat met snelheid v over een cirkel met straal r beweegt, versnelt naar het middelpunt met a = v²/r, dus het heeft een resulterende kracht naar binnen nodig: F = m·v²/r. Die kracht wordt geleverd door iets echts: wrijving, spankracht, zwaartekracht of een normaalkracht.
Wrijving levert de centripetale kracht
m·v²/r = μ·m·g
v = √(μ·g·r) = √(0,7·9,81·135) = 30,45 m/s
Antwoord
vmax = 30,45 m/s (109,6 km/h)
8.Cirkelbeweging
Antwoord: T = 71,93 N
Eenparige cirkelbeweging: een voorwerp dat met snelheid v over een cirkel met straal r beweegt, versnelt naar het middelpunt met a = v²/r, dus het heeft een resulterende kracht naar binnen nodig: F = m·v²/r. Die kracht wordt geleverd door iets echts: wrijving, spankracht, zwaartekracht of een normaalkracht.
Krachten in het laagste punt
Naar het middelpunt (omhoog) is positief.
T − m·g = m·v²/r
T = 1,1·9,81 + 1,1·8,5²/1,3 = 10,79 + 61,13 = 71,93 N
Antwoord
T = 71,93 N
9.Arbeid en energie
Antwoord: Wf = 3,013 J
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d).
Wrijvingskracht
N = mg·cos θ = 4,905·0,8192 = 4,018 N
F = μN = 0,25·4,018 = 1,004 N
Arbeid tegen de wrijving
Wf = F·d = 1,004·3 = 3,013 J
Antwoord
Wf = 3,013 J
10.Arbeid en energie
Antwoord: x = 12,08 cm
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d).
Overgebleven energie na de ruwe strook
De helling is glad, dus alleen de strook neemt energie weg.
mgh − μmgL = 4,905·(3,5 − 0,15·3,5) = 14,59 J
Maximale indrukking
½kx² = 14,59 → x = √(2·14,59/2000) = 0,1208 m = 12,08 cm
Antwoord
x = 12,08 cm
11.Impuls en botsingen
Antwoord: v′2 = 7,636 m/s
Behoud van impuls: als er tijdens een botsing geen externe kracht werkt, is de totale impuls Σm·v vóór de botsing gelijk aan die erna. Snelheden hebben een richting, dus kies een positieve richting en geef snelheden in de andere richting een minteken. Bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden; bij een volkomen inelastische botsing blijven de lichamen aan elkaar vast zitten.
Elastische botsing met een stilstaand doel
Behoud van impuls en energie samen oplossen geeft deze twee resultaten.
v′1 = (3 − 2,5)/(3 + 2,5)·7 = 0,6364 m/s
v′2 = 2·3/(3 + 2,5)·7 = 7,636 m/s
Antwoord
v′2 = 7,636 m/s
12.Impuls en botsingen
Antwoord: v′ = 15,4 m/s
Conservation of momentum: when no external force acts during a collision, the total momentum Σm·v before equals the total after. Velocities have a direction, so pick a positive direction and give velocities the other way a minus sign. In an elastic collision kinetic energy is conserved too; in a perfectly inelastic one the bodies stick together.
Rotation about a fixed axis: the sum of the moments about the axis equals I·α (ΣM = I·α), just as ΣF = m·a for translation. In energy form, a torque T turning through an angle θ (in radians) does work T·θ, which changes the kinetic energy ½·I·ω²; gravity adds or removes m·g·Δh of the centre of mass. Power is P = T·ω.
Hoeksnelheid
ω = 2π·2800/60 = 293,2 rad/s
De arbeid van de rem is gelijk aan de kinetische energie
½·I·ω² = ½·38,5·293,2² = 1,655 × 10⁶ J
θ = 1,655 × 10⁶/165 = 10030 rad
Omwentelingen
N = θ/2π = 1596 rev
Antwoord
N = 1596 rev
14.Rotatie van een star lichaam
Antwoord: Ek = 960,9 J
Rolling and angular momentum: a body rolling without slipping has v = ω·r, so its kinetic energy is ½·m·v² + ½·I·ω² = ½·m·v²·(1 + I/(m·r²)). Down a slope that gives a = g·sin θ/(1 + I/(m·r²)). When no external moment acts about an axis, the angular momentum about that axis stays constant, I₁·ω₁ = I₂·ω₂, even if kinetic energy is lost.
Riemaandrijvingen: zonder slip hebben beide schijven dezelfde omtreksnelheid v = π·d·n/60, dus n₁·d₁ = n₂·d₂ en de overbrengingsverhouding is d₂/d₁. Slip s maakt de aangedreven schijf iets langzamer: n₂ = n₁·(d₁/d₂)·(1 − s). Het overgebrachte vermogen is P = (T₁ − T₂)·v, met T₁ de spanning in het trekkende deel en T₂ in het slappe deel. Wrijving beperkt de verhouding van de spanningen: T₁/T₂ = eμθ, waarbij θ de omspanningshoek in radialen op de kleinere schijf is; voor een open riem is θ = π − 2·asin((d₂ − d₁)/(2C)) met hartafstand C.
Riemsnelheid
v = 6,032 m/s
Vermogen
P = (600 − 180)·6,032 = 2533 W = 2,533 kW
Antwoord
P = 2,533 kW
16.Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Antwoord: θ = 172 °
Riemaandrijvingen: zonder slip hebben beide schijven dezelfde omtreksnelheid v = π·d·n/60, dus n₁·d₁ = n₂·d₂ en de overbrengingsverhouding is d₂/d₁. Slip s maakt de aangedreven schijf iets langzamer: n₂ = n₁·(d₁/d₂)·(1 − s). Het overgebrachte vermogen is P = (T₁ − T₂)·v, met T₁ de spanning in het trekkende deel en T₂ in het slappe deel. Wrijving beperkt de verhouding van de spanningen: T₁/T₂ = eμθ, waarbij θ de omspanningshoek in radialen op de kleinere schijf is; voor een open riem is θ = π − 2·asin((d₂ − d₁)/(2C)) met hartafstand C.
Riemhoek
asin(0,07) = 4,014°
Omspanningshoek
θ = 180 − 2·4,014 = 172°
Antwoord
θ = 172°
17.Veren en slingers
Antwoord: x = −3,264 cm
Simple harmonic motion: a mass m on a spring of stiffness k oscillates with angular frequency ω = √(k/m) and period T = 2π/ω = 2π·√(m/k). A simple pendulum of length L has T = 2π·√(L/g). With amplitude A, the largest speed is A·ω, the largest acceleration A·ω² and the energy ½·k·A².
Hoekfrequentie
ω = √(320/0,4) = 28,28 rad/s
ω·t = 28,28·1,2 = 33,94 rad
Verplaatsing
x = A·cos(ω·t) = 4·cos(33,94) = −3,264 cm
Antwoord
x = −3,264 cm
18.Veren en slingers
Antwoord: vmax = 3,83 m/s
Harmonische trilling: een massa m aan een veer met veerconstante k trilt met hoekfrequentie ω = √(k/m) en trillingstijd T = 2π/ω = 2π·√(m/k). Een mathematische slinger met lengte L heeft T = 2π·√(L/g). Bij amplitude A is de grootste snelheid A·ω, de grootste versnelling A·ω² en de energie ½·k·A².
Hoekfrequentie
ω = √(330/0,9) = 19,15 rad/s
Maximale snelheid
vmax = A·ω = 0,2·19,15 = 3,83 m/s
Antwoord
vmax = 3,83 m/s
19.Mechanische trillingen
Antwoord: fd = 6,164 Hz
Vrije trilling van een massa-veersysteem: de ongedempte eigenhoekfrequentie is ωn = √(k/m) in rad/s, en fn = ωn/(2π) in Hz. Een viskeuze demper c geeft de dempingsverhouding ζ = c/cc, met kritische demping cc = 2·√(k·m) = 2·m·ωn. Een ondergedempt systeem (ζ < 1) trilt met ωd = ωn·√(1 − ζ²). Parallelle veren tellen op, k = k₁ + k₂; veren in serie tellen op via hun omgekeerde, 1/k = 1/k₁ + 1/k₂.
Ongedempte eigenfrequentie
ωn = √(50000/25) = 44,72 rad/s
fn = 44,72/(2π) = 7,118 Hz
Gedempte eigenfrequentie
fd = fn·√(1 − ζ²) = 7,118·√(1 − 0,5²) = 6,164 Hz
Antwoord
fd = 6,164 Hz
20.Mechanische trillingen
Antwoord: fn = 9,549 Hz
Vrije trilling van een massa-veersysteem: de ongedempte eigenhoekfrequentie is ωn = √(k/m) in rad/s, en fn = ωn/(2π) in Hz. Een viskeuze demper c geeft de dempingsverhouding ζ = c/cc, met kritische demping cc = 2·√(k·m) = 2·m·ωn. Een ondergedempt systeem (ζ < 1) trilt met ωd = ωn·√(1 − ζ²). Parallelle veren tellen op, k = k₁ + k₂; veren in serie tellen op via hun omgekeerde, 1/k = 1/k₁ + 1/k₂.
Vervangende stijfheid
Veren naast elkaar hebben dezelfde doorbuiging en hun krachten tellen op, dus hun stijfheden tellen gewoon op: k = k1 + k2.