Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.
1Formules en methoden
Kinematica
Snelheid
v = v0 + a·t
Verplaatsing
s = v0·t + ½·a·t²
Zonder tijd
v² = v0² + 2·a·s
Eenheden
1 m/s = 3,6 km/h
Methode
Noteer wat je weet: v₀, v, a, t en s, met eenheden.
Kies de vergelijking met je drie bekenden en de onbekende.
Kies één positieve richting en geef tegengestelde grootheden een minteken.
Los op en controleer of het antwoord fysisch zinvol is.
Wetten van Newton
Tweede wet
ΣF = m·a
Gewicht
W = m·g
Kinetische wrijving
Ff = μ·N
Op een helling
langs: m·g·sin θ, loodrecht: m·g·cos θ
Methode
Teken een vrijlichaamsschema met elke kracht op het lichaam.
Kies een positieve richting langs de beweging.
Ontbind krachten in componenten langs en loodrecht op de beweging (op een helling: m·g·sin θ langs, m·g·cos θ de helling in).
Pas ΣF = m·a toe langs de beweging; wrijving is μ·N tegen de beweging in.
Kogelbaan
Componenten
vx = v0cos θ, vy = v0sin θ
Positie
x = vxt, y = h + vyt − ½gt²
Maximale hoogte
H = h + vy²/(2g)
Worpafstand (vlakke grond)
R = v0²·sin 2θ/g
Methode
Ontbind de beginsnelheid in componenten: vx = v₀·cos θ en vy = v₀·sin θ.
De horizontale beweging heeft een constante snelheid; de verticale beweging heeft versnelling −g.
Bepaal de vluchttijd uit de verticale beweging.
Gebruik die tijd in de horizontale beweging om de dracht te vinden.
Cirkelbeweging
Centripetale versnelling
a = v²/r = ω²·r
Centripetale kracht
F = m·v²/r
Hoeksnelheid
ω = v/r = 2π/T
Vlakke bocht, wrijving
vmax = √(μ·g·r)
Arbeid en energie
Kinetische energie
Ek = ½mv²
Potentiële energie
Ep = mgh
Energiebalans
Ek1 + Ep1 + W = Ek2 + Ep2 + losses
Wrijvingsarbeid
W = μ·N·d
Vermogen
P = W/t
Impuls en botsingen
Impuls
p = m·v
Behoud
Σm·v (before) = Σm·v (after)
Volkomen inelastisch
v′ = (m1v1 + m2v2)/(m1 + m2)
Stoot
J = F·Δt = m·Δv
Methode
Kies een positieve richting en geef elke snelheid haar teken.
Schrijf de totale impuls vooraf op: Σm·v.
Bij een volkomen inelastische botsing bewegen de lichamen daarna samen; bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden.
Stel de impuls vooraf gelijk aan de impuls achteraf en los op.
Rotatie van een star lichaam
Traagheidsmomenten om G
staaf mL²/12, schijf ½mR², ring mR², massieve bol (2/5)mR², holle bol (2/3)mR²
Stelling van Steiner
I = IG + m·d²
Traagheidsstraal
I = m·k²
Staaf om zijn uiteinde
I = mL²/3
Bewegingsvergelijking
ΣM = I·α
Snelheid in rad/s
ω = 2π·n/60
Kinetische energie
E = ½·I·ω²
Arbeid en vermogen
W = T·θ, P = T·ω
Rollen zonder slip
v = ω·r, E = ½mv²(1 + I/(mr²)), a = g·sin θ/(1 + I/(mr²))
Impulsmoment
L = I·ω, I1ω1 = I2ω2
Botsing om een draaipunt
m·v·d = I·ω
Methode
Kies de as: een vast draaipunt, of het zwaartepunt bij rollende lichamen.
Bepaal het traagheidsmoment om die as uit de standaardresultaten, met I = IG + m·d² voor een verschoven as.
Kies de methode: ΣM = I·α voor versnellingen en krachten, energie (½·I·ω² + ½·m·v² + m·g·h) voor snelheden, impulsmoment voor botsingen en plotselinge veranderingen.
Verbind lineaire en hoekbeweging met v = ω·r en a = α·r, en reken rpm om naar rad/s.
Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Ingrijpende tandwielen
n1·N1 = n2·N2
Koppel
T2 = T1·(N2/N1)·η
Vermogen
P = T·ω, ω = 2π·n/60
Meertraps overbrenging
totale overbrengingsverhouding = product van de trapverhoudingen
Veren en slingers
Massa aan een veer
T = 2π·√(m/k)
Slinger
T = 2π·√(L/g)
Hoekfrequentie
ω = √(k/m) = 2π/T
Maximale snelheid en versnelling
vmax = A·ω, amax = A·ω²
Energie
E = ½·k·A²
Mechanische trillingen
Eigenfrequentie
ωn = √(k/m), fn = ωn/(2π)
Uit de statische doorbuiging
ωn = √(g/δst)
Kritische demping
cc = 2√(km) = 2mωn
Dempingsverhouding
ζ = c/cc
Gedempte eigenfrequentie
ωd = ωn√(1 − ζ²)
Logaritmisch decrement
δ = (1/n)·ln(x0/xn), ζ = δ/√(4π² + δ²)
Veren parallel
k = k1 + k2
Veren in serie
1/k = 1/k1 + 1/k2
2Oefenopgaven
1.KinematicaGemiddeld
Een auto die met 36 km/h rijdt, remt met een constante vertraging van 7 m/s² tot hij stilstaat. Bereken de remweg s.
v₀ = 36 km/ha = −7 m/s²v = 0
s = m
2.KinematicaMoeilijk
Een bal wordt met 11 m/s recht omhoog gegooid vanaf de rand van een dak 20 m boven de grond. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Hoelang na de worp raakt de bal de grond? Bereken t.
v₀ = 11 m/sh₀ = 20 mg = 9,81 m/s²
t = s
3.Wetten van NewtonGemiddeld
Een doos van 50 kg wordt met constante snelheid een helling onder 30° met de horizontaal op geduwd, door een kracht evenwijdig aan de helling. De kinetische wrijvingscoëfficiënt is 0,4. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de duwkracht F.
m = 50 kgθ = 30°μ = 0,4g = 9,81 m/s²
F = N
4.Wetten van NewtonMoeilijk
Een blok van 6,5 kg op een horizontale tafel is via een licht touw over een wrijvingsloze katrol verbonden met een hangende massa van 2,5 kg. De kinetische wrijvingscoëfficiënt tussen blok en tafel is 0,2. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de versnelling a van het systeem.
m1 = 6,5 kgm2 = 2,5 kgμ = 0,2g = 9,81 m/s²
a = m/s²
5.KogelbaanGemiddeld
Een bal wordt vanaf vlakke grond gelanceerd onder 35° boven de horizontaal en landt 30 m verderop. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Vind de beginsnelheid v0.
θ = 35°R = 30 mg = 9,81 m/s²
v0 = m/s
6.KogelbaanMoeilijk
Een bal wordt gelanceerd met 14 m/s onder 60° boven de horizontaal vanaf de top van een klif van 15 m. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Vind de grootste hoogte H boven de grond aan de voet van de klif.
v₀ = 14 m/sθ = 60°h = 15 mg = 9,81 m/s²
H = m
7.CirkelbewegingGemiddeld
Een auto neemt een vlakke bocht met een straal van 115 m. De statische wrijvingscoëfficiënt tussen banden en weg is 0,6. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de hoogste snelheid vmax waarmee de auto de bocht kan nemen zonder te slippen.
r = 115 mμs = 0,6g = 9,81 m/s²
vmax = m/s
8.CirkelbewegingMoeilijk
Een bal van 0,9 kg aan een touw van 1,3 m wordt rondgeslingerd in een verticale cirkel. In het laagste punt beweegt hij met 5,5 m/s. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de spankracht T in het touw in het laagste punt.
m = 0,9 kgr = 1,3 mv = 5,5 m/sg = 9,81 m/s²
T = N
9.Arbeid en energieGemiddeld
Een blok van 1 kg glijdt 3 m een helling af onder 35° met de horizontaal, met een kinetische wrijvingscoëfficiënt van 0,2. Vind de arbeid Wf tegen de wrijving.
m = 1 kgθ = 35°μ = 0,2d = 3 mg = 9,81 m/s²
Wf = J
10.Arbeid en energieMoeilijk
Een blok van 10 kg begint in rust onderaan een helling van 25° en wordt de helling op getrokken door een constante kracht van 70 N evenwijdig aan de helling. De kinetische wrijvingscoëfficiënt is 0,15. Vind de snelheid v van het blok nadat het 8 m de helling op is gegaan.
Een karretje van 5 kg dat met 5 m/s rijdt, botst volkomen elastisch en frontaal op een stilstaand karretje van 1,5 kg op een wrijvingsloze baan. Bereken de snelheid v′2 van het tweede karretje na de botsing.
m1 = 5 kgm2 = 1,5 kgv1 = 5 m/sv2 = 0
v′2 = m/s
12.Impuls en botsingenMoeilijk
Een bal van 0,2 kg raakt een muur met 17 m/s en kaatst recht terug met 11 m/s. Het contact duurt 20 ms. Bereken de grootte van de stoot J die de muur aan de bal geeft.
m = 0,2 kgvin = 17 m/svout = 11 m/sΔt = 20 ms
J = N·s
13.Rotatie van een star lichaamGemiddeld
Een vliegwiel met een traagheidsmoment van 33 kg·m² draait met 500 rpm. Een rem oefent een constant wrijvingskoppel van 130 N·m uit. Hoeveel omwentelingen N maakt het vliegwiel voordat het stilstaat?
I = 33 kg·m²n = 500 rpmTb = 130 N·m
N = rev
14.Rotatie van een star lichaamMoeilijk
Een massieve bol met massa 1 kg rolt zonder slip met 8,5 m/s. Bepaal zijn totale kinetische energie Ek.
m = 1 kgv = 8,5 m/sI = (2/5)·m·r²
Ek = J
15.Tandwielen en tandwieloverbrengingenGemiddeld
Een riem loopt op een aandrijvende schijf van 200 mm met 720 rpm. De spanning is 1000 N in het trekkende deel en 300 N in het slappe deel. Bepaal het overgebrachte vermogen P, in kW.
d1 = 200 mmn1 = 720 rpmT1 = 1000 NT2 = 300 N
P = kW
16.Tandwielen en tandwieloverbrengingenMoeilijk
In een planetaire tandwielset heeft het zonnewiel 18 tanden en elk planeetwiel 15 tanden. Het ringwiel wordt vastgehouden en het zonnewiel wordt aangedreven met 600 rpm. Vind het toerental nc van de planeetdrager.
Ns = 18Np = 15ns = 600 rpm
nc = rpm
17.Veren en slingersGemiddeld
Een astronaut op een andere planeet merkt dat een mathematische slinger van 0,9 m lang bij kleine uitslagen een trillingstijd van 3,09 s heeft. Vind de valversnelling g op die planeet.
L = 0,9 mT = 3,09 s
g = m/s²
18.Veren en slingersMoeilijk
Een kogel van 8 g die met 450 m/s beweegt, treft een blok van 2 kg dat op een wrijvingsloos oppervlak ligt en blijft erin steken. Het blok is bevestigd aan een horizontale veer met k = 1800 N/m. Vind de amplitude A van de trilling die ontstaat, in cm.
m = 8 gv = 450 m/sM = 2 kgk = 1800 N/m
A = cm
19.Mechanische trillingenGemiddeld
Een massa van 80 kg wordt gedragen door een veer met een stijfheid van 20 kN/m en een viskeuze demper met een dempingscoëfficiënt van 200 N·s/m. Vind de dempingsverhouding ζ.
m = 80 kgk = 20 kN/mc = 200 N·s/m
ζ =
20.Mechanische trillingenMoeilijk
Een massa van 20 kg hangt aan twee veren die achter elkaar zitten (in serie): de bovenste veer heeft k₁ = 30 kN/m en de onderste k₂ = 10 kN/m. Verwaarloos demping en de massa’s van de veren. Vind de eigenfrequentie fn van de verticale trilling in Hz.
m = 20 kgk1 = 30 kN/mk2 = 10 kN/m
fn = Hz
3Oplossingen
1.Kinematica
Antwoord: s = 7,143 m
Beweging met constante versnelling: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² en v² = v₀² + 2·a·s. Kies de formule die de drie bekende grootheden en de gezochte grootheid bevat, en houd de tekens consequent bij één positieve richting.
Eenheden
v₀ = 36/3,6 = 10 m/s
Remweg
0 = v₀² − 2·a·s → s = v₀²/(2a) = 10²/(2·7) = 7,143 m
Antwoord
s = 7,143 m
2.Kinematica
Antwoord: t = 3,431 s
Beweging met constante versnelling: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² en v² = v₀² + 2·a·s. Kies de formule die de drie bekende grootheden en de gezochte grootheid bevat, en houd de tekens consequent bij één positieve richting.
Bewegingsvergelijking
Omhoog is positief en de grond ligt h₀ onder het beginpunt.
−20 = 11·t − ½·9,81·t²
4,905·t² − 11·t − 20 = 0
Los de vierkantsvergelijking op
Alleen de positieve wortel is fysisch zinvol.
t = (11 + √(11² + 2·9,81·20))/9,81 = 3,431 s
Antwoord
t = 3,431 s
3.Wetten van Newton
Antwoord: F = 415,2 N
Newton’s second law: the net force on a body equals its mass times its acceleration, ΣF = m·a. Draw a free-body diagram, choose a positive direction along the motion, and add every force in that direction: applied forces, friction μ·N against the motion, and the components of gravity.
Krachten langs de helling
Constante snelheid: de krachten zijn in evenwicht.
F = m·g·sin θ + μ·m·g·cos θ
Duwkracht
F = 245,2 + 169,9 = 415,2 N
Antwoord
F = 415,2 N
4.Wetten van Newton
Antwoord: a = 1,308 m/s²
Tweede wet van Newton: de resulterende kracht op een lichaam is gelijk aan de massa maal de versnelling, ΣF = m·a. Teken een vrijlichaamsschema, kies een positieve richting langs de beweging en tel alle krachten in die richting op: uitgeoefende krachten, de wrijving μ·N tegen de beweging in, en de componenten van de zwaartekracht.
Projectile motion: with no air resistance, x = vxt and y = h + vyt − ½gt². The two directions are independent except that they share the same time.
Los de formule voor de worpafstand op naar v₀
v₀ = √(g·R/sin 2θ) = √(9,81·30/sin 70°) = 17,7 m/s
Antwoord
v0 = 17,7 m/s
6.Kogelbaan
Antwoord: H = 22,49 m
Projectile motion: with no air resistance, x = vxt and y = h + vyt − ½gt². The two directions are independent except that they share the same time.
Verticale beginsnelheid
vy = 14·sin 60° = 12,12 m/s
Stijging boven de klif
Δh = vy²/(2g) = 12,12²/(2·9,81) = 7,492 m
Hoogte boven de grond
H = 15 + 7,492 = 22,49 m
Antwoord
H = 22,49 m
7.Cirkelbeweging
Antwoord: vmax = 26,02 m/s
Eenparige cirkelbeweging: een voorwerp dat met snelheid v over een cirkel met straal r beweegt, versnelt naar het middelpunt met a = v²/r, dus het heeft een resulterende kracht naar binnen nodig: F = m·v²/r. Die kracht wordt geleverd door iets echts: wrijving, spankracht, zwaartekracht of een normaalkracht.
Wrijving levert de centripetale kracht
m·v²/r = μ·m·g
v = √(μ·g·r) = √(0,6·9,81·115) = 26,02 m/s
Antwoord
vmax = 26,02 m/s (93,66 km/h)
8.Cirkelbeweging
Antwoord: T = 29,77 N
Eenparige cirkelbeweging: een voorwerp dat met snelheid v over een cirkel met straal r beweegt, versnelt naar het middelpunt met a = v²/r, dus het heeft een resulterende kracht naar binnen nodig: F = m·v²/r. Die kracht wordt geleverd door iets echts: wrijving, spankracht, zwaartekracht of een normaalkracht.
Krachten in het laagste punt
Naar het middelpunt (omhoog) is positief.
T − m·g = m·v²/r
T = 0,9·9,81 + 0,9·5,5²/1,3 = 8,829 + 20,94 = 29,77 N
Antwoord
T = 29,77 N
9.Arbeid en energie
Antwoord: Wf = 4,822 J
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d).
Wrijvingskracht
N = mg·cos θ = 9,81·0,8192 = 8,036 N
F = μN = 0,2·8,036 = 1,607 N
Arbeid tegen de wrijving
Wf = F·d = 1,607·3 = 4,822 J
Antwoord
Wf = 4,822 J
10.Arbeid en energie
Antwoord: v = 4,932 m/s
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d).
Krachten langs de helling
m·g = 10·9,81 = 98,1 N
mg·sin θ = 41,46 N
μ·mg·cos θ = 13,34 N
Arbeid en energie
½mv² = (70 − 54,8)·8 = 121,6 J
v = √(2·121,6/10) = 4,932 m/s
Antwoord
v = 4,932 m/s
11.Impuls en botsingen
Antwoord: v′2 = 7,692 m/s
Behoud van impuls: als er tijdens een botsing geen externe kracht werkt, is de totale impuls Σm·v vóór de botsing gelijk aan die erna. Snelheden hebben een richting, dus kies een positieve richting en geef snelheden in de andere richting een minteken. Bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden; bij een volkomen inelastische botsing blijven de lichamen aan elkaar vast zitten.
Elastische botsing met een stilstaand doel
Behoud van impuls en energie samen oplossen geeft deze twee resultaten.
v′1 = (5 − 1,5)/(5 + 1,5)·5 = 2,692 m/s
v′2 = 2·5/(5 + 1,5)·5 = 7,692 m/s
Antwoord
v′2 = 7,692 m/s
12.Impuls en botsingen
Antwoord: J = 5,6 N·s
Behoud van impuls: als er tijdens een botsing geen externe kracht werkt, is de totale impuls Σm·v vóór de botsing gelijk aan die erna. Snelheden hebben een richting, dus kies een positieve richting en geef snelheden in de andere richting een minteken. Bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden; bij een volkomen inelastische botsing blijven de lichamen aan elkaar vast zitten.
Verandering van de impuls
J = m·Δv = 0,2·(11 + 17) = 5,6 N·s
Antwoord
J = 5,6 N·s
13.Rotatie van een star lichaam
Antwoord: N = 55,38 rev
Rotation about a fixed axis: the sum of the moments about the axis equals I·α (ΣM = I·α), just as ΣF = m·a for translation. In energy form, a torque T turning through an angle θ (in radians) does work T·θ, which changes the kinetic energy ½·I·ω²; gravity adds or removes m·g·Δh of the centre of mass. Power is P = T·ω.
Hoeksnelheid
ω = 2π·500/60 = 52,36 rad/s
De arbeid van de rem is gelijk aan de kinetische energie
½·I·ω² = ½·33·52,36² = 45236 J
θ = 45236/130 = 348 rad
Omwentelingen
N = θ/2π = 55,38 rev
Antwoord
N = 55,38 rev
14.Rotatie van een star lichaam
Antwoord: Ek = 50,58 J
Rolling and angular momentum: a body rolling without slipping has v = ω·r, so its kinetic energy is ½·m·v² + ½·I·ω² = ½·m·v²·(1 + I/(m·r²)). Down a slope that gives a = g·sin θ/(1 + I/(m·r²)). When no external moment acts about an axis, the angular momentum about that axis stays constant, I₁·ω₁ = I₂·ω₂, even if kinetic energy is lost.
Riemaandrijvingen: zonder slip hebben beide schijven dezelfde omtreksnelheid v = π·d·n/60, dus n₁·d₁ = n₂·d₂ en de overbrengingsverhouding is d₂/d₁. Slip s maakt de aangedreven schijf iets langzamer: n₂ = n₁·(d₁/d₂)·(1 − s). Het overgebrachte vermogen is P = (T₁ − T₂)·v, met T₁ de spanning in het trekkende deel en T₂ in het slappe deel. Wrijving beperkt de verhouding van de spanningen: T₁/T₂ = eμθ, waarbij θ de omspanningshoek in radialen op de kleinere schijf is; voor een open riem is θ = π − 2·asin((d₂ − d₁)/(2C)) met hartafstand C.
Riemsnelheid
v = 7,54 m/s
Vermogen
P = (1000 − 300)·7,54 = 5278 W = 5,278 kW
Antwoord
P = 5,278 kW
16.Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Antwoord: nc = 163,6 rpm
Planetaire tandwielsets: de toerentallen van zonnewiel, ringwiel en planeetdrager hangen samen via de vergelijking van Willis (ns − nc)/(nr − nc) = −Nr/Ns: gezien vanaf de planeetdrager is de set een gewone overbrenging met de planeetwielen als tussenwielen. Als je één deel vastzet, wordt de set een vertraging met één vaste verhouding.
Tanden van het ringwiel
Nr = Ns + 2·Np = 18 + 2·15 = 48
Vergelijking van Willis met vast ringwiel
Stel nr = 0 en los het toerental van de planeetdrager op.
(600 − nc)/(0 − nc) = −48/18
nc = ns·Ns/(Ns + Nr) = 600·18/66 = 163,6 rpm
Antwoord
nc = 163,6 rpm
De planeetdrager draait in dezelfde richting als het zonnewiel.
17.Veren en slingers
Antwoord: g = 3,721 m/s²
Simple harmonic motion: a mass m on a spring of stiffness k oscillates with angular frequency ω = √(k/m) and period T = 2π/ω = 2π·√(m/k). A simple pendulum of length L has T = 2π·√(L/g). With amplitude A, the largest speed is A·ω, the largest acceleration A·ω² and the energy ½·k·A².
Los g op
g = 4π²·L/T² = 4π²·0,9/3,09² = 3,721 m/s²
Antwoord
g = 3,721 m/s²
18.Veren en slingers
Antwoord: A = 5,988 cm
Simple harmonic motion: a mass m on a spring of stiffness k oscillates with angular frequency ω = √(k/m) and period T = 2π/ω = 2π·√(m/k). A simple pendulum of length L has T = 2π·√(L/g). With amplitude A, the largest speed is A·ω, the largest acceleration A·ω² and the energy ½·k·A².
Snelheid na de inslag
V = m·v/(m + M) = 0,008·450/2,008 = 1,793 m/s
Hoekfrequentie
ω = √(k/(m + M)) = √(1800/2,008) = 29,94 rad/s
Amplitude
A = V/ω = 1,793/29,94 = 0,05988 m = 5,988 cm
Antwoord
A = 5,988 cm
19.Mechanische trillingen
Antwoord: ζ = 0,07906
Vrije trilling van een massa-veersysteem: de ongedempte eigenhoekfrequentie is ωn = √(k/m) in rad/s, en fn = ωn/(2π) in Hz. Een viskeuze demper c geeft de dempingsverhouding ζ = c/cc, met kritische demping cc = 2·√(k·m) = 2·m·ωn. Een ondergedempt systeem (ζ < 1) trilt met ωd = ωn·√(1 − ζ²). Parallelle veren tellen op, k = k₁ + k₂; veren in serie tellen op via hun omgekeerde, 1/k = 1/k₁ + 1/k₂.
Kritische demping
cc = 2·√(k·m) = 2·√(20000·80) = 2530 N·s/m
Dempingsverhouding
ζ = c/cc = 200/2530 = 0,07906
Antwoord
ζ = 0,07906
ζ < 1, dus het systeem is ondergedempt en trilt terwijl het uitdempt.
20.Mechanische trillingen
Antwoord: fn = 3,082 Hz
Vrije trilling van een massa-veersysteem: de ongedempte eigenhoekfrequentie is ωn = √(k/m) in rad/s, en fn = ωn/(2π) in Hz. Een viskeuze demper c geeft de dempingsverhouding ζ = c/cc, met kritische demping cc = 2·√(k·m) = 2·m·ωn. Een ondergedempt systeem (ζ < 1) trilt met ωd = ωn·√(1 − ζ²). Parallelle veren tellen op, k = k₁ + k₂; veren in serie tellen op via hun omgekeerde, 1/k = 1/k₁ + 1/k₂.
Vervangende stijfheid
Veren in serie dragen dezelfde kracht en hun doorbuigingen tellen op, dus ze combineren via hun omgekeerde: 1/k = 1/k1 + 1/k2.