Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.
1Formules en methoden
Kinematica
Snelheid
v = v0 + a·t
Verplaatsing
s = v0·t + ½·a·t²
Zonder tijd
v² = v0² + 2·a·s
Eenheden
1 m/s = 3,6 km/h
Methode
Noteer wat je weet: v₀, v, a, t en s, met eenheden.
Kies de vergelijking met je drie bekenden en de onbekende.
Kies één positieve richting en geef tegengestelde grootheden een minteken.
Los op en controleer of het antwoord fysisch zinvol is.
Wetten van Newton
Tweede wet
ΣF = m·a
Gewicht
W = m·g
Kinetische wrijving
Ff = μ·N
Op een helling
langs: m·g·sin θ, loodrecht: m·g·cos θ
Methode
Teken een vrijlichaamsschema met elke kracht op het lichaam.
Kies een positieve richting langs de beweging.
Ontbind krachten in componenten langs en loodrecht op de beweging (op een helling: m·g·sin θ langs, m·g·cos θ de helling in).
Pas ΣF = m·a toe langs de beweging; wrijving is μ·N tegen de beweging in.
Kogelbaan
Componenten
vx = v0cos θ, vy = v0sin θ
Positie
x = vxt, y = h + vyt − ½gt²
Maximale hoogte
H = h + vy²/(2g)
Worpafstand (vlakke grond)
R = v0²·sin 2θ/g
Methode
Ontbind de beginsnelheid in componenten: vx = v₀·cos θ en vy = v₀·sin θ.
De horizontale beweging heeft een constante snelheid; de verticale beweging heeft versnelling −g.
Bepaal de vluchttijd uit de verticale beweging.
Gebruik die tijd in de horizontale beweging om de dracht te vinden.
Cirkelbeweging
Centripetale versnelling
a = v²/r = ω²·r
Centripetale kracht
F = m·v²/r
Hoeksnelheid
ω = v/r = 2π/T
Vlakke bocht, wrijving
vmax = √(μ·g·r)
Arbeid en energie
Kinetische energie
Ek = ½mv²
Potentiële energie
Ep = mgh
Energiebalans
Ek1 + Ep1 + W = Ek2 + Ep2 + losses
Wrijvingsarbeid
W = μ·N·d
Vermogen
P = W/t
Impuls en botsingen
Impuls
p = m·v
Behoud
Σm·v (before) = Σm·v (after)
Volkomen inelastisch
v′ = (m1v1 + m2v2)/(m1 + m2)
Stoot
J = F·Δt = m·Δv
Methode
Kies een positieve richting en geef elke snelheid haar teken.
Schrijf de totale impuls vooraf op: Σm·v.
Bij een volkomen inelastische botsing bewegen de lichamen daarna samen; bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden.
Stel de impuls vooraf gelijk aan de impuls achteraf en los op.
Rotatie van een star lichaam
Traagheidsmomenten om G
staaf mL²/12, schijf ½mR², ring mR², massieve bol (2/5)mR², holle bol (2/3)mR²
Stelling van Steiner
I = IG + m·d²
Traagheidsstraal
I = m·k²
Staaf om zijn uiteinde
I = mL²/3
Bewegingsvergelijking
ΣM = I·α
Snelheid in rad/s
ω = 2π·n/60
Kinetische energie
E = ½·I·ω²
Arbeid en vermogen
W = T·θ, P = T·ω
Rollen zonder slip
v = ω·r, E = ½mv²(1 + I/(mr²)), a = g·sin θ/(1 + I/(mr²))
Impulsmoment
L = I·ω, I1ω1 = I2ω2
Botsing om een draaipunt
m·v·d = I·ω
Methode
Kies de as: een vast draaipunt, of het zwaartepunt bij rollende lichamen.
Bepaal het traagheidsmoment om die as uit de standaardresultaten, met I = IG + m·d² voor een verschoven as.
Kies de methode: ΣM = I·α voor versnellingen en krachten, energie (½·I·ω² + ½·m·v² + m·g·h) voor snelheden, impulsmoment voor botsingen en plotselinge veranderingen.
Verbind lineaire en hoekbeweging met v = ω·r en a = α·r, en reken rpm om naar rad/s.
Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Ingrijpende tandwielen
n1·N1 = n2·N2
Koppel
T2 = T1·(N2/N1)·η
Vermogen
P = T·ω, ω = 2π·n/60
Meertraps overbrenging
totale overbrengingsverhouding = product van de trapverhoudingen
Veren en slingers
Massa aan een veer
T = 2π·√(m/k)
Slinger
T = 2π·√(L/g)
Hoekfrequentie
ω = √(k/m) = 2π/T
Maximale snelheid en versnelling
vmax = A·ω, amax = A·ω²
Energie
E = ½·k·A²
Mechanische trillingen
Eigenfrequentie
ωn = √(k/m), fn = ωn/(2π)
Uit de statische doorbuiging
ωn = √(g/δst)
Kritische demping
cc = 2√(km) = 2mωn
Dempingsverhouding
ζ = c/cc
Gedempte eigenfrequentie
ωd = ωn√(1 − ζ²)
Logaritmisch decrement
δ = (1/n)·ln(x0/xn), ζ = δ/√(4π² + δ²)
Veren parallel
k = k1 + k2
Veren in serie
1/k = 1/k1 + 1/k2
2Oefenopgaven
1.KinematicaGemiddeld
Een auto die met 60 km/h rijdt, remt met een constante vertraging van 6 m/s² tot hij stilstaat. Bereken de remweg s.
v₀ = 60 km/ha = −6 m/s²v = 0
s = m
2.KinematicaMoeilijk
Een modelraket wordt vanuit rust recht omhoog gelanceerd. De motor geeft hem 3 s lang een constante opwaartse versnelling van 40 m/s², waarna de motor stopt en de raket vrij beweegt. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Vind de grootste hoogte hmax die de raket bereikt.
a = 40 m/s²t1 = 3 sg = 9,81 m/s²
hmax = m
3.Wetten van NewtonGemiddeld
Een blok van 19 kg glijdt een helling af die 45° met de horizontaal maakt. De kinetische wrijvingscoëfficiënt is 0,25. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de versnelling a van het blok langs de helling.
m = 19 kgθ = 45°μ = 0,25g = 9,81 m/s²
a = m/s²
4.Wetten van NewtonMoeilijk
Twee blokken op een horizontale vloer zijn verbonden door een licht horizontaal touw. Een horizontale kracht van 65 N trekt aan het voorste blok van 1 kg; het blok van 6 kg wordt erachter meegesleept. De kinetische wrijvingscoëfficiënt is voor beide blokken 0,1. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de versnelling a van de blokken.
m1 = 6 kgm2 = 1 kgF = 65 Nμ = 0,1g = 9,81 m/s²
a = m/s²
5.KogelbaanGemiddeld
Een bal wordt onder 55° boven de horizontaal vanaf vlak terrein weggeschoten. Verwaarloos luchtweerstand. Vind de vliegtijd t tot de bal de grond raakt.
v0 = 34 m/sθ = 55°g = 9,81 m/s²
t = s
6.KogelbaanMoeilijk
Een bal wordt onder 15° boven de horizontaal vanaf de top van een 20 m hoge klif weggeschoten. Verwaarloos luchtweerstand. Vind de horizontale afstand x die de bal aflegt voordat hij de grond raakt.
v0 = 15 m/sθ = 15°h = 20 mg = 9,81 m/s²
x = m
7.CirkelbewegingGemiddeld
Een auto neemt een vlakke bocht met een straal van 90 m. De statische wrijvingscoëfficiënt tussen banden en weg is 0,3. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de hoogste snelheid vmax waarmee de auto de bocht kan nemen zonder te slippen.
r = 90 mμs = 0,3g = 9,81 m/s²
vmax = m/s
8.CirkelbewegingMoeilijk
Een karretje van 1 kg wordt vanuit rust losgelaten op een hoogte van 1,75 m op een wrijvingsloze baan en rijdt door een verticale looping met straal 0,5 m. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de normaalkracht Nbottom van de baan op het karretje onderaan de looping.
m = 1 kgh = 1,75 mR = 0,5 mg = 9,81 m/s²
Nbottom = N
9.Arbeid en energieGemiddeld
Een speelgoedlanceerder heeft een verticale veer met veerconstante 800 N/m. Er wordt een bal van 0,1 kg op gelegd, de veer wordt 3 cm ingedrukt en dan losgelaten. Vind, zonder luchtweerstand en zonder de massa van de veer, de hoogte h die de bal stijgt, gemeten vanaf zijn positie bij de ingedrukte veer.
m = 0,1 kgk = 800 N/mx = 3 cmg = 9,81 m/s²
h = m
10.Arbeid en energieMoeilijk
Een blok van 15 kg begint in rust onderaan een helling van 20° en wordt de helling op getrokken door een constante kracht van 130 N evenwijdig aan de helling. De kinetische wrijvingscoëfficiënt is 0,1. Vind de snelheid v van het blok nadat het 9 m de helling op is gegaan.
Een karretje van 2 kg dat met 5 m/s rijdt, botst volkomen elastisch en frontaal op een stilstaand karretje van 3,5 kg op een wrijvingsloze baan. Bereken de snelheid v′1 van het eerste karretje na de botsing (positief in de oorspronkelijke richting).
m1 = 2 kgm2 = 3,5 kgv1 = 5 m/sv2 = 0
v′1 = m/s
12.Impuls en botsingenMoeilijk
Een bal van 0,4 kg raakt een muur met 22 m/s en kaatst recht terug met 6 m/s. Het contact duurt 20 ms. Bereken de gemiddelde kracht Favg van de muur op de bal.
m = 0,4 kgvin = 22 m/svout = 6 m/sΔt = 20 ms
Favg = N
13.Rotatie van een star lichaamGemiddeld
Een homogene slanke staaf met massa 16 kg en lengte 0,9 m is aan één uiteinde scharnierend bevestigd en wordt horizontaal vastgehouden. Hij wordt vanuit rust losgelaten. Gebruik g = 9,81 m/s². Bepaal zijn hoekversnelling α vlak na het loslaten.
m = 16 kgL = 0,9 mg = 9,81 m/s²
α = rad/s²
14.Rotatie van een star lichaamMoeilijk
Een holle bol rolt zonder slip van een helling die 40° met het horizontale vlak maakt. Gebruik g = 9,81 m/s². Hij begint vanuit rust. Hoe lang t duurt het om 3 m van de helling af te rollen?
θ = 40°I = (2/3)·m·r²g = 9,81 m/s²s = 3 m
t = s
15.Tandwielen en tandwieloverbrengingenGemiddeld
Een motor van 2,2 kW die met 2900 rpm draait, drijft een rondsel met 25 tanden aan, dat ingrijpt in een tandwiel met 45 tanden. Het tandwielpaar heeft een rendement van 95%. Bereken het uitgaande koppel T2 op de as van het tandwiel.
P = 2,2 kWn1 = 2900 rpmN1 = 25N2 = 45η = 95%
T2 = N·m
16.Tandwielen en tandwieloverbrengingenMoeilijk
Een motor van 2,2 kW met 1440 rpm drijft tandwiel A (18 tanden) aan, dat ingrijpt in tandwiel B (40 tanden). Tandwiel C (48 tanden) op dezelfde as als B drijft tandwiel D (72 tanden) op de uitgaande as aan. Elke tandwielingrijping heeft een rendement van 96%. Vind het uitgaande koppel Tout.
Hoe lang moet een mathematische slinger zijn om een slingertijd van 1,6 s te hebben? Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken L.
T = 1,6 sg = 9,81 m/s²
L = m
18.Veren en slingersMoeilijk
Een massa van 3,4 kg aan een veer met k = 380 N/m wordt 13 cm uit de evenwichtsstand getrokken en losgelaten. Bereken de totale energie E van de trilling.
m = 3,4 kgk = 380 N/mA = 13 cm
E = J
19.Mechanische trillingenGemiddeld
Een massa van 25 kg wordt gedragen door een veer met een stijfheid van 100 kN/m en een viskeuze demper met een dempingscoëfficiënt van 320 N·s/m. Vind de dempingsverhouding ζ.
m = 25 kgk = 100 kN/mc = 320 N·s/m
ζ =
20.Mechanische trillingenMoeilijk
Een massa van 40 kg hangt aan twee veren die achter elkaar zitten (in serie): de bovenste veer heeft k₁ = 15 kN/m en de onderste k₂ = 40 kN/m. Vind de vervangende stijfheid keq van het verensysteem in kN/m.
m = 40 kgk1 = 15 kN/mk2 = 40 kN/m
keq = kN/m
3Oplossingen
1.Kinematica
Antwoord: s = 23,15 m
Beweging met constante versnelling: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² en v² = v₀² + 2·a·s. Kies de formule die de drie bekende grootheden en de gezochte grootheid bevat, en houd de tekens consequent bij één positieve richting.
Eenheden
v₀ = 60/3,6 = 16,67 m/s
Remweg
0 = v₀² − 2·a·s → s = v₀²/(2a) = 16,67²/(2·6) = 23,15 m
Antwoord
s = 23,15 m
2.Kinematica
Antwoord: hmax = 913,9 m
Motion with constant acceleration: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² and v² = v₀² + 2·a·s. Pick the equation that contains the three things you know and the one you want, and keep the signs consistent with one positive direction.
Aangedreven fase
v₁ = 40·3 = 120 m/s
h₁ = ½·40·3² = 180 m
Vrije vlucht omhoog
Bovenaan is de snelheid nul.
Δh = v₁²/(2g) = 120²/(2·9,81) = 733,9 m
hmax = 180 + 733,9 = 913,9 m
Antwoord
hmax = 913,9 m
3.Wetten van Newton
Antwoord: a = 5,203 m/s²
Tweede wet van Newton: de resulterende kracht op een lichaam is gelijk aan de massa maal de versnelling, ΣF = m·a. Teken een vrijlichaamsschema, kies een positieve richting langs de beweging en tel alle krachten in die richting op: uitgeoefende krachten, de wrijving μ·N tegen de beweging in, en de componenten van de zwaartekracht.
Newton’s second law: the net force on a body equals its mass times its acceleration, ΣF = m·a. Draw a free-body diagram, choose a positive direction along the motion, and add every force in that direction: applied forces, friction μ·N against the motion, and the components of gravity.
Kogelbaan: zonder luchtweerstand geldt x = vxt en y = h + vyt − ½gt². De twee richtingen zijn onafhankelijk, behalve dat ze dezelfde tijd delen.
Ontbind de beginsnelheid
De horizontale snelheid blijft constant; de verticale beweging heeft een constante versnelling g = 9,81 m/s² omlaag.
vx = v0·cos θ = 34·cos 55° = 19,5 m/s
vy = v0·sin θ = 34·sin 55° = 27,85 m/s
Vliegtijd
Start en landing op dezelfde hoogte: t = 2vy/g.
t = 2·27,85/9,81 = 5,678 s
Antwoord
t = 5,678 s
6.Kogelbaan
Antwoord: x = 35,55 m
Kogelbaan: zonder luchtweerstand geldt x = vxt en y = h + vyt − ½gt². De twee richtingen zijn onafhankelijk, behalve dat ze dezelfde tijd delen.
Ontbind de beginsnelheid
De horizontale snelheid blijft constant; de verticale beweging heeft een constante versnelling g = 9,81 m/s² omlaag.
vx = v0·cos θ = 15·cos 15° = 14,49 m/s
vy = v0·sin θ = 15·sin 15° = 3,882 m/s
Vliegtijd
Los y(t) = h + vy·t − ½gt² = 0 op voor de positieve wortel.
0 = 20 + 3,882·t − 4,905·t²
t = (vy + √(vy² + 2gh))/g = (3,882 + √(15,07 + 392,4))/9,81 = 2,453 s
Horizontale afstand
x = vx·t = 14,49·2,453 = 35,55 m
Antwoord
x = 35,55 m
7.Cirkelbeweging
Antwoord: vmax = 16,27 m/s
Eenparige cirkelbeweging: een voorwerp dat met snelheid v over een cirkel met straal r beweegt, versnelt naar het middelpunt met a = v²/r, dus het heeft een resulterende kracht naar binnen nodig: F = m·v²/r. Die kracht wordt geleverd door iets echts: wrijving, spankracht, zwaartekracht of een normaalkracht.
Wrijving levert de centripetale kracht
m·v²/r = μ·m·g
v = √(μ·g·r) = √(0,3·9,81·90) = 16,27 m/s
Antwoord
vmax = 16,27 m/s (58,59 km/h)
8.Cirkelbeweging
Antwoord: Nbottom = 78,48 N
Uniform circular motion: an object moving at speed v on a circle of radius r accelerates towards the centre with a = v²/r, so it needs a net inward force F = m·v²/r. That force is supplied by something real: friction, tension, gravity or a normal force.
Snelheid uit behoud van energie
v² = 2·9,81·1,75 = 34,34 m²/s²
Krachten
Naar het middelpunt is positief.
N = m·v²/R + m·g = 1·34,34/0,5 + 9,81 = 78,48 N
Antwoord
Nbottom = 78,48 N
9.Arbeid en energie
Antwoord: h = 0,367 m
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d).
Veerenergie
x = 3 cm = 0,03 m
½kx² = ½·800·0,03² = 0,36 J
Hoogte
m·g = 0,1·9,81 = 0,981 N
h = ½kx²/(mg) = 0,36/0,981 = 0,367 m
Antwoord
h = 0,367 m
10.Arbeid en energie
Antwoord: v = 8,889 m/s
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d).
Krachten langs de helling
m·g = 15·9,81 = 147,2 N
mg·sin θ = 50,33 N
μ·mg·cos θ = 13,83 N
Arbeid en energie
½mv² = (130 − 64,16)·9 = 592,6 J
v = √(2·592,6/15) = 8,889 m/s
Antwoord
v = 8,889 m/s
11.Impuls en botsingen
Antwoord: v′1 = −1,364 m/s
Behoud van impuls: als er tijdens een botsing geen externe kracht werkt, is de totale impuls Σm·v vóór de botsing gelijk aan die erna. Snelheden hebben een richting, dus kies een positieve richting en geef snelheden in de andere richting een minteken. Bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden; bij een volkomen inelastische botsing blijven de lichamen aan elkaar vast zitten.
Elastische botsing met een stilstaand doel
Behoud van impuls en energie samen oplossen geeft deze twee resultaten.
v′1 = (2 − 3,5)/(2 + 3,5)·5 = −1,364 m/s
v′2 = 2·2/(2 + 3,5)·5 = 3,636 m/s
Antwoord
v′1 = −1,364 m/s
Het minteken betekent dat het eerste karretje terugkaatst.
12.Impuls en botsingen
Antwoord: Favg = 560 N
Behoud van impuls: als er tijdens een botsing geen externe kracht werkt, is de totale impuls Σm·v vóór de botsing gelijk aan die erna. Snelheden hebben een richting, dus kies een positieve richting en geef snelheden in de andere richting een minteken. Bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden; bij een volkomen inelastische botsing blijven de lichamen aan elkaar vast zitten.
Verandering van de impuls
J = m·Δv = 0,4·(6 + 22) = 11,2 N·s
Gemiddelde kracht
Favg = J/Δt = 11,2/0,02 = 560 N
Antwoord
Favg = 560 N
13.Rotatie van een star lichaam
Antwoord: α = 16,35 rad/s²
Rotation about a fixed axis: the sum of the moments about the axis equals I·α (ΣM = I·α), just as ΣF = m·a for translation. In energy form, a torque T turning through an angle θ (in radians) does work T·θ, which changes the kinetic energy ½·I·ω²; gravity adds or removes m·g·Δh of the centre of mass. Power is P = T·ω.
Momenten om het scharnier
Op het moment van loslaten is ω = 0, dus er is geen middelpuntzoekende versnelling en het midden versnelt recht naar beneden.
Rolling and angular momentum: a body rolling without slipping has v = ω·r, so its kinetic energy is ½·m·v² + ½·I·ω² = ½·m·v²·(1 + I/(m·r²)). Down a slope that gives a = g·sin θ/(1 + I/(m·r²)). When no external moment acts about an axis, the angular momentum about that axis stays constant, I₁·ω₁ = I₂·ω₂, even if kinetic energy is lost.
Bewegingsvergelijkingen
m·g·sin θ − f = m·a
f·r = I·α = 0,6667·m·r²·(a/r) → f = 0,6667·m·a
Versnelling
a = g·sin θ/(1 + c) = 9,81·sin 40°/1,667 = 3,783 m/s²
Tijd
s = ½·a·t² → t = √(2·3/3,783) = 1,259 s
Antwoord
t = 1,259 s
15.Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Antwoord: T2 = 12,39 N·m
Tandwieloverbrengingen: ingrijpende tandwielen hebben dezelfde snelheid bij de tanden, dus n₁·N₁ = n₂·N₂: het tandwiel met minder tanden draait sneller. Tandwielen op één as draaien met hetzelfde toerental. Het vermogen wordt doorgegeven (min verliezen), dus het koppel stijgt als het toerental daalt: T₂ = T₁·(N₂/N₁)·η, en P = T·ω met ω = 2π·n/60.
Motorkoppel
ω₁ = 2π·2900/60 = 303,7 rad/s
T1 = P/ω₁ = 2200/303,7 = 7,244 N·m
Uitgaand koppel
T2 = 7,244·45/25·0,95 = 12,39 N·m
Antwoord
T2 = 12,39 N·m
16.Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Antwoord: Tout = 44,82 N·m
Gear trains: meshing gears have the same speed at the teeth, so n₁·N₁ = n₂·N₂: the gear with fewer teeth turns faster. Gears on one shaft turn at the same speed. Power is passed on (minus losses), so torque goes up when speed goes down: T₂ = T₁·(N₂/N₁)·η, and P = T·ω with ω = 2π·n/60.
Uitgaand toerental
nout = 1440·(18/40)·(48/72) = 432 rpm
ωout = 2π·432/60 = 45,24 rad/s
Uitgaand vermogen en koppel
Pout = 2200·0,96² = 2028 W
Tout = Pout/ωout = 2028/45,24 = 44,82 N·m
Antwoord
Tout = 44,82 N·m
17.Veren en slingers
Antwoord: L = 0,6361 m
Harmonische trilling: een massa m aan een veer met veerconstante k trilt met hoekfrequentie ω = √(k/m) en trillingstijd T = 2π/ω = 2π·√(m/k). Een mathematische slinger met lengte L heeft T = 2π·√(L/g). Bij amplitude A is de grootste snelheid A·ω, de grootste versnelling A·ω² en de energie ½·k·A².
Los de lengte op
L = g·(T/2π)² = 9,81·(1,6/2π)² = 0,6361 m
Antwoord
L = 0,6361 m
18.Veren en slingers
Antwoord: E = 3,211 J
Harmonische trilling: een massa m aan een veer met veerconstante k trilt met hoekfrequentie ω = √(k/m) en trillingstijd T = 2π/ω = 2π·√(m/k). Een mathematische slinger met lengte L heeft T = 2π·√(L/g). Bij amplitude A is de grootste snelheid A·ω, de grootste versnelling A·ω² en de energie ½·k·A².
Hoekfrequentie
ω = √(380/3,4) = 10,57 rad/s
Energie
E = ½·k·A² = ½·380·0,13² = 3,211 J
Antwoord
E = 3,211 J
19.Mechanische trillingen
Antwoord: ζ = 0,1012
Vrije trilling van een massa-veersysteem: de ongedempte eigenhoekfrequentie is ωn = √(k/m) in rad/s, en fn = ωn/(2π) in Hz. Een viskeuze demper c geeft de dempingsverhouding ζ = c/cc, met kritische demping cc = 2·√(k·m) = 2·m·ωn. Een ondergedempt systeem (ζ < 1) trilt met ωd = ωn·√(1 − ζ²). Parallelle veren tellen op, k = k₁ + k₂; veren in serie tellen op via hun omgekeerde, 1/k = 1/k₁ + 1/k₂.
Kritische demping
cc = 2·√(k·m) = 2·√(100000·25) = 3162 N·s/m
Dempingsverhouding
ζ = c/cc = 320/3162 = 0,1012
Antwoord
ζ = 0,1012
ζ < 1, dus het systeem is ondergedempt en trilt terwijl het uitdempt.
20.Mechanische trillingen
Antwoord: keq = 10,91 kN/m
Vrije trilling van een massa-veersysteem: de ongedempte eigenhoekfrequentie is ωn = √(k/m) in rad/s, en fn = ωn/(2π) in Hz. Een viskeuze demper c geeft de dempingsverhouding ζ = c/cc, met kritische demping cc = 2·√(k·m) = 2·m·ωn. Een ondergedempt systeem (ζ < 1) trilt met ωd = ωn·√(1 − ζ²). Parallelle veren tellen op, k = k₁ + k₂; veren in serie tellen op via hun omgekeerde, 1/k = 1/k₁ + 1/k₂.
Vervangende stijfheid
Veren in serie dragen dezelfde kracht en hun doorbuigingen tellen op, dus ze combineren via hun omgekeerde: 1/k = 1/k1 + 1/k2.