Een belasting RL = 15 Ω is aangesloten over a–b. Vervang de rest van de schakeling door het Thévenin-equivalent en vind de belastingsstroom IL.
V1 = 15 VR1 = 12 ΩR2 = 15 ΩR3 = 8 ΩRL = 15 Ω
IL = A
6.Thévenin en NortonMoeilijk
Vind de Norton-stroom IN: de stroom die van a naar b loopt als de klemmen kortgesloten zijn.
V1 = 30 VIs = 2,5 AR1 = 30 ΩR2 = 10 ΩR3 = 15 Ω
IN = A
7.RC- en RL-schakelverschijnselenGemiddeld
De spoel voert geen stroom voordat de schakelaar op t = 0 sluit. Vind de energie W die op t = 15 ms in de spoel is opgeslagen, in mJ.
Vs = 5 VR = 5 ΩL = 33 mHt = 15 ms
W = mJ
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
Vlak voordat de schakelaar op t = 0 sluit, staat er 6 V over de condensator met de aangegeven polariteit. Vind de condensatorspanning vC op t = 500 ms.
Vs = 15 VR = 6,8 kΩC = 68 µFvC(0) = 6 Vt = 500 ms
vC = V
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 100 V (rms), 500 Hz. Vind het werkelijk vermogen P dat uit de voeding wordt opgenomen.
V = 100 V (rms)f = 500 HzR = 80 ΩL = 150 mHC = 10 µF
P = W
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een weerstand R1 staat in serie met een parallelschakeling van R2 en een condensator C, aangesloten op een voeding van 24 V (rms), 200 Hz. Vind de grootte van de impedantie |Z|.
V = 24 V (rms)f = 200 HzR1 = 50 ΩR2 = 50 ΩC = 22 µF
|Z| = Ω
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Twee belastingen zijn parallel aangesloten op een eenfasige voeding van 240 V: een belasting van 16 kW met een inductieve arbeidsfactor van 0,8 en een belasting van 29 kW met een inductieve arbeidsfactor van 0,85. Vind de totale stroom I die uit de voeding wordt opgenomen.
Een eenfasige belasting neemt 40 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,7 uit een voeding van 240 V, 60 Hz. Een parallel geschakelde condensator verhoogt de arbeidsfactor tot 0,95. Vind de nieuwe lijnstroom Inew.
P = 40 kWpf1 = 0,7pf2 = 0,95V = 240 Vf = 60 Hz
Inew = A
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een driefasige inductiemotor levert bij vollast 30 kW mechanisch vermogen. Bij deze belasting is het rendement 93% en de arbeidsfactor 0,88 inductief. Het net heeft een lijnspanning van 480 V. Vind de lijnstroom IL.
Pout = 30 kWη = 93%cos φ = 0,88VL = 480 V
IL = A
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 80 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,8 uit een net van 400 V (lijnspanning), 60 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,9 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in driehoek geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.
P = 80 kWpf1 = 0,8pf2 = 0,9VL = 400 Vf = 60 Hz
Cph = µF
15.TransformatorenGemiddeld
Een eenfasetransformator van 10 kVA, 6600/230 V werkt bij nominale belasting. Beschouw hem als ideaal. Vind de stroom ILV in de laagspanningswikkeling.
S = 10 kVAV1 = 6600 VV2 = 230 V
ILV = A
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 200 kVA heeft een ijzerverlies van 800 W en een koperverlies van 2000 W bij nominale belasting. Hij levert 50% van zijn nominale kVA bij een inductieve arbeidsfactor van 0,95. Vind de totale verliezen Ploss in watt bij deze belasting.
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 5 + 2 = 7 Ω
R2 ∥ 7 = 15·7/(15+7) = 4,773 Ω
Req = R1 + 4,773 = 6 + 4,773 = 10,77 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 12/10,77 = 1,114 A
Antwoord
IR1 = 1,114 A
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR1 = 0,5075 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 20 + 3 = 23 Ω
R4 ∥ 23 = 4,759 Ω
R3 + 4,759 = 10,76 Ω
R2 ∥ 10,76 = 3,852 Ω
Req = R1 + 3,852 = 6 + 3,852 = 9,852 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 5/9,852 = 0,5075 A
Antwoord
IR1 = 0,5075 A
3.Knooppuntmethode
Antwoord: VB = 6,34 V
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 18 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R2 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R3 = 0
VA/12 + (VA − 18)/10 + (VA − VB)/15 = 0
0,25·VA − 0,06667·VB = 1,8
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 10 V, V2 = 5 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R3 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R2 = 0
VA/8 + (VA − 10)/12 + (VA − VB)/10 = 0
0,3083·VA − 0,1·VB = 0,8333
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
VB/R5 + (VB − VA)/R2 + (VB − V2)/R4 = Is
VB/20 + (VB − VA)/10 + (VB − 5)/10 = 5
−0,1·VA + 0,25·VB = 5,5
Oplossen
Δ = (0,3083)(0,25) − (−0,1)(−0,1) = 0,06708
VA = Δ1/Δ = 0,7583/0,06708 = 11,3 V
VB = Δ2/Δ = 1,779/0,06708 = 26,52 V
Antwoord
VA = 11,3 V
5.Thévenin en Norton
Antwoord: IL = 0,2809 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 12·15/(12+15) = 6,667 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 6,667 + 8 = 14,67 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.
Vth = V1·R2/(R1+R2) = 15·15/(12+15) = 8,333 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 8,333/(14,67 + 15) = 0,2809 A
6.Thévenin en Norton
Antwoord: IN = 2,833 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 30·10/(30+10) = 7,5 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 7,5 + 15 = 22,5 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 7,5 + 2,5·7,5 = 26,25 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 26,25 + 2,5·15 = 63,75 V
Norton-equivalent
Een Norton-bron is dezelfde schakeling, gezien als een stroombron parallel aan R_th. De stroom is de kortsluitstroom tussen a–b.
IN = Vth/Rth = 63,75/22,5 = 2,833 A
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: W = 13,28 mJ
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Tijdconstante en eindstroom
Lang na het sluiten van de schakelaar gedraagt de spoel zich als een kortsluiting, dus de eindstroom wordt alleen door R bepaald.
τ = L/R = 33 mH / 5 Ω = 6,6 ms
i(∞) = Vs/R = 5/5 = 1 A
Stroom op het gegeven tijdstip
i(t) = 1·(1 − e−15/6,6) = 0,897 A
Opgeslagen energie
W = ½·L·i² = ½·33·0,897² = 13,28 mJ
Antwoord
W = 13,28 mJ
8.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: vC = 11,95 V
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginwaarde, eindwaarde, tijdconstante
De condensatorspanning kan niet verspringen, dus begint ze bij de opgeslagen waarde en gaat ze naar de bronspanning.
vC(0) = 6 V, vC(∞) = Vs = 15 V
τ = R·C = 6,8 kΩ · 68 µF = 462,4 ms
vC(t) = 15 + (6 − 15)·e−t/τ
Spanning op het gegeven tijdstip
vC(500) = 15 + (−9)·e−500/462,4 = 11,95 V
Antwoord
vC = 11,95 V
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: P = 4,01 W
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
XL = 471,2 Ω, XC = 31,83 Ω
Impedantie
|Z| = √(80² + (439,4)²) = 446,6 Ω
Werkelijk vermogen
Spoelen en condensatoren slaan alleen energie op en geven die terug; de weerstand neemt al het werkelijk vermogen op.
I = 100/446,6 = 0,2239 A
P = I²·R = 0,2239²·80 = 4,01 W
Antwoord
P = 4,01 W
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: |Z| = 71,25 Ω
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactantie
XC = 1/(2π·200·22·10⁻⁶) = 36,17 Ω
Parallelschakeling
Vermenigvuldig teller en noemer met de complex geconjugeerde om Zp te splitsen in een reëel en een imaginair deel.
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen van elke belasting
Een inductieve belasting neemt blindvermogen op (Q > 0); een capacitieve belasting levert het (Q < 0).
Q1 = 16·tan(arccos 0,8) = 12 kvar
Q2 = 29·tan(arccos 0,85) = 17,97 kvar
Totalen
P = 16 + 29 = 45 kW
Q = 12 + 17,97 = 29,97 kvar
S = √(45² + 29,97²) = 54,07 kVA
Totale stroom
I = S/V = 54068/240 = 225,3 A
Antwoord
I = 225,3 A
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: Inew = 175,4 A
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.
Q1 = P·tan φ1 = 40·tan(45,57°) = 40,81 kvar
Q2 = P·tan φ2 = 40·tan(18,19°) = 13,15 kvar
QC = Q1 − Q2 = 27,66 kvar
Nieuwe lijnstroom
Inew = P/(V·cos φ2) = 40000/(240·0,95) = 175,4 A
Antwoord
Inew = 175,4 A
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: IL = 44,09 A
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Opgenomen elektrisch vermogen
Pin = Pout/η = 30/0,93 = 32,26 kW
Lijnstroom
IL = Pin/(√3·VL·cos φ) = 32258/(√3·480·0,88) = 44,09 A
Antwoord
IL = 44,09 A
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: Cph = 117,5 µF
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 80·tan(acos 0,8) = 80·0,75 = 60 kvar
Q2 = 80·tan(acos 0,9) = 80·0,4843 = 38,75 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 21,25 kvar
Capaciteit per fase
In een driehoeksbank is elke condensator aangesloten tussen twee lijnen.
V = 400 V, ω = 2π·60 = 377 rad/s
Cph = (QC/3)/(ω·V²) = 7085/(377·400²) = 117,5 µF
Antwoord
Cph = 117,5 µF
15.Transformatoren
Antwoord: ILV = 43,48 A
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Nominale stroom
Beide wikkelingen voeren hetzelfde schijnbaar vermogen.
ILV = S/V = 10000/230 = 43,48 A
Antwoord
ILV = 43,48 A
16.Transformatoren
Antwoord: Ploss = 1300 W
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.