Gebruik de knooppuntmethode om de stroom IR3 door R3 in de richting van de pijl te vinden.
V1 = 10 VIs = 2 AR1 = 3 ΩR2 = 2 ΩR3 = 5 ΩR4 = 5 Ω
IR3 = A
4.KnooppuntmethodeMoeilijk
De stroombron wordt bijgesteld tot de knooppuntspanning in A gelijk is aan VA = 10 V. Gebruik de knooppuntmethode om de bronstroom Is te vinden (richting zoals getekend).
De bron Vₛ laadt de condensator op via R₁, en R₂ staat parallel aan C. De condensator is ongeladen als de schakelaar op t = 0 sluit. Vind de tijdconstante τ van de schakeling nadat de schakelaar sluit.
Vs = 12 VR1 = 10 kΩR2 = 1 kΩC = 33 µF
τ = ms
8.RC- en RL-schakelverschijnselenMoeilijk
Vlak voordat de schakelaar op t = 0 sluit, staat er 2 V over de condensator met de aangegeven polariteit. Vind de condensatorspanning vC op t = 500 ms.
Vs = 9 VR = 6,8 kΩC = 100 µFvC(0) = 2 Vt = 500 ms
vC = V
9.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 100 V (rms), 500 Hz. Vind de arbeidsfactor cos φ van de schakeling.
V = 100 V (rms)f = 500 HzR = 80 ΩL = 250 mHC = 22 µF
cos φ =
10.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 12 V (rms), 60 Hz. Vind de resonantiefrequentie f0 van de schakeling.
V = 12 V (rms)f = 60 HzR = 40 ΩL = 20 mHC = 4,7 µF
f0 = Hz
11.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
Een inductieve belasting neemt 9,5 A en 1938 W op uit een eenfasige voeding van 240 V (rms). Modelleer haar als een weerstand R in serie met een reactantie X. Vind X.
V = 240 VI = 9,5 AP = 1938 W
X = Ω
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorMoeilijk
Een eenfasige belasting neemt 18 kW op met een inductieve arbeidsfactor van 0,8 uit een voeding van 230 V, 50 Hz. Parallel aan de belasting wordt een condensator van 220 µF aangesloten. Vind de nieuwe arbeidsfactor cos φ die de voeding ziet.
P = 18 kWpf1 = 0,8V = 230 Vf = 50 HzC = 220 µF
cos φ =
13.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een driefasige inductiemotor levert bij vollast 45 kW mechanisch vermogen. Bij deze belasting is het rendement 93% en de arbeidsfactor 0,86 inductief. Het net heeft een lijnspanning van 480 V. Vind de lijnstroom IL.
Pout = 45 kWη = 93%cos φ = 0,86VL = 480 V
IL = A
14.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 250 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,8 uit een net van 690 V (lijnspanning), 50 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,98 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in ster geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.
P = 250 kWpf1 = 0,8pf2 = 0,98VL = 690 Vf = 50 Hz
Cph = µF
15.TransformatorenGemiddeld
Een eenfasetransformator van 150 kVA, 10000/400 V werkt bij nominale belasting. Beschouw hem als ideaal. Vind de stroom IHV in de hoogspanningswikkeling.
S = 150 kVAV1 = 10000 VV2 = 400 V
IHV = A
16.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 150 kVA heeft een ijzerverlies van 600 W. Bij nominale belasting en een inductieve arbeidsfactor van 0,85 is het rendement 98,8%. Vind het koperverlies bij vollast Pcu,fl in watt.
S = 150 kVAPcore = 600 Wpf = 0,85η = 98,8%
Pcu,fl = W
3Oplossingen
1.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR1 = 0,4375 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R3 + R4 = 6 + 2 = 8 Ω
R2 ∥ 8 = 20·8/(20+8) = 5,714 Ω
Req = R1 + 5,714 = 8 + 5,714 = 13,71 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 6/13,71 = 0,4375 A
Antwoord
IR1 = 0,4375 A
2.Serie- en parallelweerstanden
Antwoord: IR2 = 1,368 A
Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.
Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde
Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.
R5 + R6 = 2 + 8 = 10 Ω
R4 ∥ 10 = 6 Ω
R3 + 6 = 31 Ω
R2 ∥ 31 = 3,543 Ω
Req = R1 + 3,543 = 12 + 3,543 = 15,54 Ω
Stroom uit de bron
De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.
IR1 = V1/Req = 24/15,54 = 1,544 A
Stroom door R₂
Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.
VA = V1 − IR1·R1 = 24 − 1,544·12 = 5,471 V
IR2 = VA/R2 = 5,471/4 = 1,368 A
Antwoord
IR2 = 1,368 A
3.Knooppuntmethode
Antwoord: IR3 = −0,5357 A
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stel de knooppunten op
Massa is de onderste draad. Bekende knooppuntspanningen volgen direct uit de bronnen (V1 = 10 V). Onbekenden: VA, VB.
Stroomwet in knooppunt A
De stromen die A via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in A sturen.
VA/R2 + (VA − V1)/R1 + (VA − VB)/R3 = 0
VA/2 + (VA − 10)/3 + (VA − VB)/5 = 0
1,033·VA − 0,2·VB = 3,333
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten, zijn gelijk aan de stroom die de bronnen in B sturen.
Knooppuntmethode: kies een referentieknooppunt, benoem de onbekende knooppuntspanningen, schrijf de stroomwet van Kirchhoff in elk onbekend knooppunt met de wet van Ohm (I = ΔV/R), en los de vergelijkingen op.
Stroomwet in knooppunt A
VA is bekend, dus deze vergelijking geeft VB.
(VA − V1)/R1 + VA/R2 + (VA − VB)/R3 = 0
(10 − 5)/12 + 10/3 = (VB − 10)/15
3,75 = (VB − 10)/15 → VB = 66,25 V
Stroomwet in knooppunt B
De stromen die B via de weerstanden verlaten zijn gelijk aan de stroom die bronnen B in duwen.
Is = (VB − VA)/R3 + VB/R4 = (66,25 − 10)/15 + 66,25/15 = 8,167 A
Antwoord
Is = 8,167 A
5.Thévenin en Norton
Antwoord: IL = 0,219 A
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 4·6/(4+6) = 2,4 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 2,4 + 5 = 7,4 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.
Vth = V1·R2/(R1+R2) = 10·6/(4+6) = 6 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 6/(7,4 + 20) = 0,219 A
6.Thévenin en Norton
Antwoord: PL = 1,785 W
Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.
Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld
Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.
R1 ∥ R2 = 30·3/(30+3) = 2,727 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 2,727 + 15 = 17,73 Ω
Vind Vth, de openklemspanning
Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.
VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 0,9091 + 1·2,727 = 3,636 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 3,636 + 1·15 = 18,64 V
Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent
De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.
IL = Vth/(Rth + RL) = 18,64/(17,73 + 2) = 0,9447 A
PL = IL²·RL = 0,9447²·2 = 1,785 W
7.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: τ = 30 ms
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Thévenin-equivalent gezien vanaf de condensator
Sluit de bron kort om Rth te vinden; laat de condensator open om de spanning te vinden waarop hij uitkomt.
Rth = R1 ∥ R2 = 10·1/(10 + 1) = 0,9091 kΩ
vC(∞) = 12·1/(10 + 1) = 1,091 V
Tijdconstante
τ = Rth·C = 0,9091·33 = 30 ms
Antwoord
τ = 30 ms
8.RC- en RL-schakelverschijnselen
Antwoord: vC = 5,644 V
Eerste-orde schakelverschijnselen: in een schakeling met één condensator of één spoel gaat elke spanning en stroom exponentieel van de beginwaarde naar de eindwaarde: x(t) = x(∞) + [x(0) − x(∞)]·e−t/τ, met τ = RC of τ = L/R. Na ongeveer 5τ is de schakeling uitgeslingerd.
Beginwaarde, eindwaarde, tijdconstante
De condensatorspanning kan niet verspringen, dus begint ze bij de opgeslagen waarde en gaat ze naar de bronspanning.
vC(0) = 2 V, vC(∞) = Vs = 9 V
τ = R·C = 6,8 kΩ · 100 µF = 680 ms
vC(t) = 9 + (2 − 9)·e−t/τ
Spanning op het gegeven tijdstip
vC(500) = 9 + (−7)·e−500/680 = 5,644 V
Antwoord
vC = 5,644 V
9.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: cos φ = 0,1032
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
XL = 785,4 Ω, XC = 14,47 Ω
Impedantie
|Z| = √(80² + (770,9)²) = 775,1 Ω
Arbeidsfactor
cos φ = R/|Z| = 80/775,1 = 0,1032
De schakeling is inductief, dus de arbeidsfactor is inductief (naijlend).
Antwoord
cos φ = 0,1032
10.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: f0 = 519,1 Hz
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Resonantie
Bij resonantie heffen de inductieve en capacitieve reactantie elkaar op: ωL = 1/(ωC). De voedingsfrequentie doet er niet toe.
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Weerstand uit het werkelijk vermogen
R = P/I² = 1938/9,5² = 21,47 Ω
Reactantie uit de impedantie
|Z| = V/I = 240/9,5 = 25,26 Ω
X = √(|Z|² − R²) = √(25,26² − 21,47²) = 13,31 Ω
Antwoord
X = 13,31 Ω
12.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: cos φ = 0,8774
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.
Q1 = 18·tan(arccos 0,8) = 13,5 kvar
QC = V²·2πf·C = 230²·2π·50·220·10⁻⁶ = 3656 var = 3,656 kvar
Q2 = 13,5 − 3,656 = 9,844 kvar
Nieuw schijnbaar vermogen
S2 = √(18² + 9,844²) = 20,52 kVA
Nieuwe arbeidsfactor
cos φ = P/S2 = 18/20,52 = 0,8774
Antwoord
cos φ = 0,8774
13.Draaistroomvermogen
Antwoord: IL = 67,68 A
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Opgenomen elektrisch vermogen
Pin = Pout/η = 45/0,93 = 48,39 kW
Lijnstroom
IL = Pin/(√3·VL·cos φ) = 48387/(√3·480·0,86) = 67,68 A
Antwoord
IL = 67,68 A
14.Draaistroomvermogen
Antwoord: Cph = 914,2 µF
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 250·tan(acos 0,8) = 250·0,75 = 187,5 kvar
Q2 = 250·tan(acos 0,98) = 250·0,2031 = 50,76 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 136,7 kvar
Capaciteit per fase
In een sterbank is elke condensator aangesloten tussen een lijn en het sterpunt.
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Nominale stroom
Beide wikkelingen voeren hetzelfde schijnbaar vermogen.
IHV = S/V = 150000/10000 = 15 A
Antwoord
IHV = 15 A
16.Transformatoren
Antwoord: Pcu,fl = 948,6 W
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.