Bepaal welke vorm bij de bewerking past: rechthoekig a + jb voor optellen en aftrekken, pool r∠θ voor vermenigvuldigen, delen, machten en wortels.
Werk uit met j² = −1; deel door teller en noemer te vermenigvuldigen met de geconjugeerde van de noemer.
Reken om met r = √(a² + b²) en θ uit een schets van het punt (controleer het kwadrant), en terug met a = r cos θ, b = r sin θ.
Gebruik voor machten De Moivre, (r∠θ)ⁿ = rⁿ∠nθ; noteer voor zⁿ = R∠φ alle n wortels R1/n∠((φ + 360°k)/n).
Differentiaalvergelijkingen
Exponentiële groei/afname
dy/dt = ky → y = y0ekt
Halveringstijd
k = ln 2 / t½
Afkoelingswet van Newton
T(t) = Ta + (T0 − Ta)e−kt
Integrerende factor
y′ + p(x)y = q(x): μ = e∫p dx, (μy)′ = μq
Mengtank
dm/dt = r·c − (r/V)·m
Matrices & determinanten
2×2-determinant
det = ad − bc
Inverse van een 2×2-matrix
A⁻¹ = (1/det)·[d −b; −c a]
Product
(AB)ij = Σk AikBkj
Eigenwaarden
det(A − λI) = 0
Regel van Cramer
xi = det(Ai)/det(A)
Vectoren: inwendig en uitwendig product
Grootte
|a| = √(ax² + ay² + az²)
Eenheidsvector
û = a/|a|
Componenten uit een hoek
Fx = F·cos θ, Fy = F·sin θ
Inwendig product
a·b = axbx + ayby + azbz = |a||b|cos θ
Scalaire projectie van a op b
a·b/|b|
Arbeid
W = F·d
Uitwendig product
a × b = (aybz − azby, azbx − axbz, axby − aybx)
Oppervlakken
parallellogram |a × b|, driehoek ½|a × b|
Moment om O
MO = r × F, r = A − O
Volume van een parallellepipedum
V = |a·(b × c)|
Methode
Schrijf elke vector in componenten; voor een kracht gegeven door een grootte en een hoek gebruik je F·cos θ en F·sin θ.
Gebruik voor lengtes en richtingen de grootte √(x² + y² + z²) en de eenheidsvector a/|a|.
Gebruik het inwendig product voor hoeken, projecties, loodrechte stand en arbeid: a·b = |a||b|cos θ.
Gebruik het uitwendig product voor loodrechte vectoren, oppervlakten en momenten: schrijf de drie componenten zorgvuldig uit en houd de volgorde a × b aan.
Kansrekening
Complement
P(not A) = 1 − P(A)
Somregel
P(A ∪ B) = P(A) + P(B) − P(A ∩ B)
Onafhankelijke gebeurtenissen
P(A ∩ B) = P(A)·P(B)
Voorwaardelijke kans
P(A|B) = P(A ∩ B)/P(B)
Binomiaal
P(X = k) = C(n,k)·pk(1 − p)n−k
Beschrijvende statistiek
Gemiddelde
x̄ = Σx/n
Steekproefstandaardafwijking
s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1))
Mediaan
middelste waarde van de gesorteerde gegevens
z-score
z = (x − μ)/σ
Normale verdeling
68% binnen ±1σ, 95% binnen ±2σ
Normale verdeling
z-score
z = (x − μ)/σ
Onder x
P(X < x) = Φ(z)
Boven x
P(X > x) = 1 − Φ(z)
Tussen
Φ(z2) − Φ(z1)
Percentiel
x = μ + z·σ
Methode
Reken de waarde om naar een z-score: z = (x − μ)/σ.
Zoek Φ(z) op, het oppervlak links van z.
Gebruik voor het oppervlak rechts 1 − Φ(z); trek voor een interval de twee linkeroppervlakken van elkaar af.
Werk voor een percentiel terug: zoek z bij het oppervlak, dan x = μ + z·σ.
2Oefenopgaven
1.LimietenGemiddeld
Bereken de limiet L = limx→∞ (√(9x2 − 6x) − 3x).
f(x) = √(9x2 − 6x) − 3xx → ∞
L =
2.LimietenMoeilijk
Bereken de limiet L = limx→0 (1 − cos 5x)/(2x²), met x in radialen.
f(x) = (1 − cos 5x)/(2x²)x → 0
L =
3.AfgeleidenGemiddeld
Gegeven f(x) = ln(3x2 + 5). Bereken f′(2).
f(x) = ln(3x2 + 5)x = 2
f′(2) =
4.AfgeleidenMoeilijk
Gegeven f(x) = x3 − 12x2 + 36x + 4. Bereken de x-coördinaat x van het lokale minimum.
f(x) = x3 − 12x2 + 36x + 4
x =
5.IntegralenGemiddeld
Bereken I = ∫₁6 x·ln x dx.
∫₁6 x ln x dx
I =
6.IntegralenMoeilijk
Bereken I = ∫₀3 x²·eˣ dx.
∫₀3 x²eˣ dx
I =
7.Complexe getallenGemiddeld
Bepaal het argument θ van z = −8 − j in graden, als hoofdwaarde tussen −180° en 180°.
z = −8 − j
θ = °
8.Complexe getallenMoeilijk
Gebruik de stelling van De Moivre om het imaginaire deel van z⁷ te vinden voor z = 1 + j√3.
z = 1 + j√3n = 7
Im(z⁷) =
9.DifferentiaalvergelijkingenGemiddeld
Los y″ + 7y′ + 10y = 0 op met y(0) = 3 en y′(0) = 6. Bepaal y(1).
y″ + 7y′ + 10y = 0y(0) = 3y′(0) = 6
y(1) =
10.DifferentiaalvergelijkingenMoeilijk
Los y″ + y′ + 9,25y = 0 op met y(0) = 1 en y′(0) = 0 (losgelaten uit rust). Bepaal y(1); hoeken in radialen.
y″ + y′ + 9,25y = 0y(0) = 1y′(0) = 0
y(1) =
11.Matrices & determinantenGemiddeld
Stel C = AB voor de getoonde matrices. Bereken het element c11 (rij 1, kolom 1).
A = [4 −6; 0 5]B = [2 −4; 4 −3]
c11 =
12.Matrices & determinantenMoeilijk
Los het stelsel −x + 5y = 0 en 5x − 3y = 11 op. Bereken x.
−x + 5y = 05x − 3y = 11
x =
13.Vectoren: inwendig en uitwendig productGemiddeld
Bepaal de waarde van k waarvoor de vectoren a = (−6, 3, 6) en b = (−6, 0, k) loodrecht op elkaar staan.
a = (−6, 3, 6)b = (−6, 0, k)
k =
14.Vectoren: inwendig en uitwendig productMoeilijk
Bepaal het volume V van het parallellepipedum waarvan de ribben vanuit één hoekpunt a = (4, 5, 3), b = (5, −4, 3) en c = (0, 4, −4) zijn.
a = (4, 5, 3)b = (5, −4, 3)c = (0, 4, −4)
V =
15.KansrekeningGemiddeld
Er wordt 8 keer met een eerlijke dobbelsteen gegooid. Wat is de kans P op minstens één zes?
n = 8
P =
16.KansrekeningMoeilijk
Een toets heeft 8 meerkeuzevragen. Een student die gokt, heeft elke vraag onafhankelijk goed met kans 0,6. Wat is de kans P op precies 5 goede antwoorden?
n = 8p = 0,6k = 5
P =
17.Beschrijvende statistiekGemiddeld
Bereken de steekproefstandaardafwijking s van de gegevens: 10, 32, 34, 18, 23, 22.
n = 6
s =
18.Beschrijvende statistiekMoeilijk
Tentamencijfers zijn normaal verdeeld met gemiddelde 100 en standaardafwijking 12. Bereken de z-score z van een score van 124.
μ = 100σ = 12x = 124
z =
19.Normale verdelingGemiddeld
X is normaal verdeeld met gemiddelde 120 mm en standaardafwijking 0,3 mm; Y is onafhankelijk en normaal verdeeld met gemiddelde 80 mm en standaardafwijking 0,4 mm. Bepaal de kans P dat X + Y groter is dan 199,8 mm. Rond z af op twee decimalen.
μX = 120, σX = 0,3μY = 80, σY = 0,4X + Y > 199,8 mm
P =
20.Normale verdelingMoeilijk
De IQ-scores zijn normaal verdeeld met gemiddelde 100 punten en standaardafwijking 15 punten. Bereken de waarde x waaronder 80% ervan ligt (het 80e percentiel).
μ = 100σ = 15P = 80%
x = punten
3Oplossingen
1.Limieten
Antwoord: L = −1
Limieten: probeer eerst direct in te vullen. Geeft dat 0/0, vereenvoudig dan eerst: ontbind in factoren en deel de gemeenschappelijke factor weg, of vermenigvuldig met de geconjugeerde. Voor x → ∞ deel je teller en noemer door de hoogste macht van x. Regel van L'Hôpital: als f/g de vorm 0/0 of ∞/∞ geeft, dan is lim f/g = lim f′/g′, waarbij je teller en noemer apart differentieert (niet met de quotiëntregel).
Vermenigvuldig met de geconjugeerde
f(x) = −6x/(√(9x2 − 6x) + 3x)
Deel door x
f(x) = −6/(√(9 + (−6)/x) + 3)
Laat x → ∞
L = −6/(3 + 3) = −1
Antwoord
L = −1
2.Limieten
Antwoord: L = 6,25
Limieten: probeer eerst direct in te vullen. Geeft dat 0/0, vereenvoudig dan eerst: ontbind in factoren en deel de gemeenschappelijke factor weg, of vermenigvuldig met de geconjugeerde. Voor x → ∞ deel je teller en noemer door de hoogste macht van x. Regel van L'Hôpital: als f/g de vorm 0/0 of ∞/∞ geeft, dan is lim f/g = lim f′/g′, waarbij je teller en noemer apart differentieert (niet met de quotiëntregel).
Eerste toepassing
5·sin 5x/(4x) → 0/0
Tweede toepassing
25·cos 5x/4
Vul x = 0 in
L = 25/4 = 6,25
Antwoord
L = 6,25
3.Afgeleiden
Antwoord: f′(2) = 0,7059
Differentiëren: de afgeleide f′(x) is de helling van de grafiek in x. Machtsregel: (xⁿ)′ = n·xⁿ⁻¹. Productregel: (uv)′ = u′v + uv′. Kettingregel: (f(g(x)))′ = f′(g(x))·g′(x). Waar f′(x) = 0 heeft de grafiek een horizontale raaklijn: een maximum, minimum of zadelpunt.
Kettingregel voor de logaritme
f′(x) = 6x/(3x2 + 5)
Invullen
f′(2) = 12/17 = 0,7059
Antwoord
f′(2) = 0,7059
4.Afgeleiden
Antwoord: x = 6
Differentiëren: de afgeleide f′(x) is de helling van de grafiek in x. Machtsregel: (xⁿ)′ = n·xⁿ⁻¹. Productregel: (uv)′ = u′v + uv′. Kettingregel: (f(g(x)))′ = f′(g(x))·g′(x). Waar f′(x) = 0 heeft de grafiek een horizontale raaklijn: een maximum, minimum of zadelpunt.
Afgeleide
f′(x) = 3x2 − 24x + 36 = 3·(x2 − 8x + 12)
f′(x) = 0 oplossen
x = 2 of x = 6
Welke is welke
f″(x) = 6x − 24: negatief in een maximum, positief in een minimum.
f″(2) = −12, f″(6) = 12
x = 6
Antwoord
x = 6
5.Integralen
Antwoord: I = 23,5
Partiële integratie: ∫u·dv = u·v − ∫v·du, afgeleid uit de productregel. Kies voor u de factor die eenvoudiger wordt als je hem differentieert (een macht van x, of ln x), en voor dv de factor die je kunt integreren (eˣ, sin x, cos x, of x als u = ln x). Bereken bij een bepaalde integraal u·v op beide grenzen: ∫ₐᵇ u dv = [u·v]ₐᵇ − ∫ₐᵇ v du. Een factor x² vraagt om twee rondes.
Kies u en dv
u = ln x, du = dx/x; dv = x dx, v = x²/2
Primitieve
∫x ln x dx = (x²/2)ln x − ∫(x/2) dx = (x²/2)ln x − x²/4
Limieten
(18·ln 6 − 9) − (0 − 0,25) = 23,5
Antwoord
I = 23,5
6.Integralen
Antwoord: I = 98,43
Partiële integratie: ∫u·dv = u·v − ∫v·du, afgeleid uit de productregel. Kies voor u de factor die eenvoudiger wordt als je hem differentieert (een macht van x, of ln x), en voor dv de factor die je kunt integreren (eˣ, sin x, cos x, of x als u = ln x). Bereken bij een bepaalde integraal u·v op beide grenzen: ∫ₐᵇ u dv = [u·v]ₐᵇ − ∫ₐᵇ v du. Een factor x² vraagt om twee rondes.
Eerste ronde
∫x²eˣ dx = x²eˣ − ∫2x eˣ dx
Tweede ronde
∫2x eˣ dx = 2x eˣ − 2eˣ
∫x²eˣ dx = eˣ(x² − 2x + 2)
Limieten
20,09·(5) − 1·2 = 98,43
Antwoord
I = 98,43
7.Complexe getallen
Antwoord: θ = −172,9 °
Poolvorm: z = r∠θ = r(cos θ + j sin θ) = r·ejθ, met r = |z| en θ = arg z. Terug naar de rechthoekige vorm: a = r cos θ, b = r sin θ. Voor het argument is het kwadrant nodig: θ = atan(b/a) alleen als a > 0; voor a < 0 tel je 180° op of trek je 180° af. In poolvorm is vermenigvuldigen eenvoudig: vermenigvuldig de moduli en tel de argumenten op; bij delen deel je de moduli en trek je de argumenten af.
Kwadrant
a = −8, b = −1 → III
Referentiehoek
α = atan(1/8) = 7,125°
Argument
θ = −(180° − α) = −172,9°
Antwoord
θ = −172,9°
In poolvorm is z = 8,062∠−172,9°.
8.Complexe getallen
Antwoord: Im(z⁷) = 110,9
De Moivre en wortels: (r∠θ)ⁿ = rⁿ∠nθ. De vergelijking zⁿ = R∠φ heeft precies n wortels, allemaal met modulus R1/n, bij de argumenten (φ + 360°·k)/n voor k = 0, 1, …, n − 1: ze liggen gelijkmatig verdeeld op een cirkel, 360°/n uit elkaar. Een kwadratische vergelijking z² + pz + q = 0 met p² < 4q heeft de complexe wortels z = −p/2 ± j√(q − p²/4); een polynoom met reële coëfficiënten heeft zijn complexe wortels altijd in geconjugeerde paren a ± jb.
Poolvorm
z = 1 + j√3 = 2∠60°
De Moivre
z⁷ = (2)⁷∠420° = 128∠60°
Rechthoekige vorm
z⁷ = 128·(cos 60° + j sin 60°) = 64 + j110,9
Im(z⁷) = 110,9
Antwoord
Im(z⁷) = 110,9
9.Differentiaalvergelijkingen
Antwoord: y(1) = 0,9204
Lineaire tweede-ordevergelijkingen: probeer voor y″ + b·y′ + c·y = 0 y = ert: dit geeft de karakteristieke vergelijking r² + b·r + c = 0. Twee reële wortels r₁ ≠ r₂ geven y = A·er₁t + B·er₂t (overgedempt); een dubbele wortel r geeft y = (A + Bt)·ert (kritisch gedempt); complexe wortels −α ± jω geven y = e−αt(A cos ωt + B sin ωt) (ondergedempt, oscillerend). De beginwaarden y(0) en y′(0) leggen A en B vast. Geschreven als y″ + 2ζωny′ + ωn²y = 0 is ωn de eigenfrequentie en ζ de dempingsfactor: bij ζ < 1 oscilleert de oplossing. Bij een constante ingang, y″ + by′ + cy = c·K, is de oplossing de eindwaarde K plus de vrije respons.
Karakteristieke wortels
(r + 2)(r + 5) = 0 → r = −2, −5
Constanten uit de beginwaarden
A + B = 3, −2A − 5B = 6
A = 7, B = −4
Bereken
y(1) = 7·e−2 + (−4)·e−5 = 0,9204
Antwoord
y(1) = 0,9204
10.Differentiaalvergelijkingen
Antwoord: y(1) = −0,5862
Lineaire tweede-ordevergelijkingen: probeer voor y″ + b·y′ + c·y = 0 y = ert: dit geeft de karakteristieke vergelijking r² + b·r + c = 0. Twee reële wortels r₁ ≠ r₂ geven y = A·er₁t + B·er₂t (overgedempt); een dubbele wortel r geeft y = (A + Bt)·ert (kritisch gedempt); complexe wortels −α ± jω geven y = e−αt(A cos ωt + B sin ωt) (ondergedempt, oscillerend). De beginwaarden y(0) en y′(0) leggen A en B vast. Geschreven als y″ + 2ζωny′ + ωn²y = 0 is ωn de eigenfrequentie en ζ de dempingsfactor: bij ζ < 1 oscilleert de oplossing. Bij een constante ingang, y″ + by′ + cy = c·K, is de oplossing de eindwaarde K plus de vrije respons.
Complexe wortels
r = −0,5 ± 3j
Constanten
A = 1, B = 0,5·1/3 = 0,1667
Bereken
y(1) = e−0,5(1·cos 3 + 0,1667·sin 3) = −0,5862
Antwoord
y(1) = −0,5862
11.Matrices & determinanten
Antwoord: c11 = −16
Matrices: de determinant van een 2×2-matrix is ad − bc. Bij 3×3 ontwikkel je naar een rij: elk element maal de determinant van de 2×2-matrix die overblijft na het schrappen van zijn rij en kolom, met afwisselende tekens + − +. Eigenwaarden λ voldoen aan det(A − λI) = 0; bij 2×2 is dat λ² − (spoor)·λ + det = 0.
Rij maal kolom
c11 = 4·2 + (−6)·4 = −16
Antwoord
c11 = −16
12.Matrices & determinanten
Antwoord: x = 2,5
Matrices: de determinant van een 2×2-matrix is ad − bc. Bij 3×3 ontwikkel je naar een rij: elk element maal de determinant van de 2×2-matrix die overblijft na het schrappen van zijn rij en kolom, met afwisselende tekens + − +. Eigenwaarden λ voldoen aan det(A − λI) = 0; bij 2×2 is dat λ² − (spoor)·λ + det = 0.
Determinant van de coëfficiëntenmatrix
det A = (−1)·(−3) − 5·5 = −22
De x-kolom vervangen
det Aₓ = 0·(−3) − 5·11 = −55
x = −55/(−22) = 2,5
Antwoord
x = 2,5
y = 0,5
13.Vectoren: inwendig en uitwendig product
Antwoord: k = −6
Dot product:a·b = axbx + ayby + azbz = |a|·|b|·cos θ, a scalar. It gives the angle between two vectors, cos θ = a·b/(|a|·|b|), and it is zero when they are perpendicular. The scalar projection of a onto b is a·b/|b|, and a constant force F moving through a displacement d does work W = F·d.
Inwendig product is gelijk aan nul
a·b = (−6)·(−6) + 3·0 + 6·k = 0
36 + 6·k = 0
Los op naar k
k = −36/6 = −6
Antwoord
k = −6
14.Vectoren: inwendig en uitwendig product
Antwoord: V = 176
Cross product:a × b = (aybz − azby, azbx − axbz, axby − aybx) is perpendicular to both vectors, and |a × b| = |a|·|b|·sin θ is the area of the parallelogram they span (the triangle has half of it). Order matters: b × a = −(a × b). The moment of a force F applied at point A about point O is MO = r × F, with r = A − O.
Uitwendig product b × c
(b × c)x = bycz − bzcy = (−4)·(−4) − 3·4 = 4
(b × c)y = bzcx − bxcz = 3·0 − 5·(−4) = 20
(b × c)z = bxcy − bycx = 5·4 − (−4)·0 = 20
Inwendig product met a
a·(b × c) = 4·4 + 5·20 + 3·20 = 176
V = |176| = 176
Antwoord
V = 176
15.Kansrekening
Antwoord: P = 0,7674
Kansrekening: bij even waarschijnlijke uitkomsten is P(A) = gunstig/totaal. Bij onafhankelijke gebeurtenissen vermenigvuldig je: P(A en B) = P(A)·P(B). De complementregel helpt vaak: P(minstens één) = 1 − P(geen). Binomiaal: bij n onafhankelijke pogingen met succeskans p geldt P(X = k) = C(n, k)·pᵏ·(1 − p)ⁿ⁻ᵏ.
Complement
P(geen zes) = (5/6)8 = 0,2326
P = 1 − 0,2326 = 0,7674
Antwoord
P = 0,7674
16.Kansrekening
Antwoord: P = 0,2787
Kansrekening: bij even waarschijnlijke uitkomsten is P(A) = gunstig/totaal. Bij onafhankelijke gebeurtenissen vermenigvuldig je: P(A en B) = P(A)·P(B). De complementregel helpt vaak: P(minstens één) = 1 − P(geen). Binomiaal: bij n onafhankelijke pogingen met succeskans p geldt P(X = k) = C(n, k)·pᵏ·(1 − p)ⁿ⁻ᵏ.
Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.
Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.
Standaardiseren
z = (124 − 100)/12 = 2
Antwoord
z = 2
19.Normale verdeling
Antwoord: P = 0,6554
Sommen en verschillen van normale variabelen: als X en Y onafhankelijk en normaal verdeeld zijn, zijn X + Y en X − Y ook normaal verdeeld. Gemiddelden tellen op of worden afgetrokken: E(X ± Y) = μX ± μY. Varianties tellen altijd op, ook bij een verschil: Var(X ± Y) = σX² + σY², dus σ = √(σX² + σY²). Standaardafwijkingen tellen nooit rechtstreeks op. Het totaal van n onafhankelijke items met dezelfde verdeling heeft gemiddelde n·μ en standaardafwijking σ·√n. Standaardiseer daarna zoals gewoonlijk: z = (x − gemiddelde)/σ en lees Φ(z) af.
Verdeling van de som
μ = 200 mm, σ = √(0,3² + 0,4²) = 0,5 mm
Standaardiseren
z = (199,8 − 200)/0,5 = −0,4
Rechterstaart
P = 1 − Φ(−0,4) = 1 − 0,3446 = 0,6554
Antwoord
P = 0,6554
20.Normale verdeling
Antwoord: x = 112,6 punten
Normale verdeling: reken een waarde x om naar een z-score, z = (x − μ)/σ, die telt hoeveel standaardafwijkingen x van het gemiddelde ligt. Een z-tabel (of Φ(z)) geeft de oppervlakte links van z, en dat is P(X < x). De oppervlakte rechts is 1 − Φ(z), en de oppervlakte tussen twee waarden is het verschil van hun twee oppervlakten.