Wiskunde voor ingenieurs: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 20 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Limieten

Direct invullen
probeer eerst x = a; 0/0 betekent vereenvoudigen
Ontbinden en wegdelen
xⁿ − aⁿ = (x − a)(xⁿ⁻¹ + a·xⁿ⁻² + … + aⁿ⁻¹)
Geconjugeerde
(√x − √a)(√x + √a) = x − a
Limieten naar oneindig
deel door de hoogste macht van x; bij gelijke graden is de limiet de verhouding van de hoogstegraadscoëfficiënten
Standaardlimiet
limx→∞ (1 + a/x)bx = eab
Regel van L'Hôpital
lim f/g = lim f′/g′ (0/0 or ∞/∞)

Afgeleiden

Machtsregel
(xⁿ)′ = n·xⁿ⁻¹
Productregel
(uv)′ = u′v + uv′
Quotiëntregel
(u/v)′ = (u′v − uv′)/v²
Kettingregel
f(g(x))′ = f′(g(x))·g′(x)
Standaardafgeleiden
(eˣ)′ = eˣ, (ln x)′ = 1/x, (sin x)′ = cos x, (cos x)′ = −sin x

Methode

  1. Herken de structuur: som, product, quotiënt of samenstelling.
  2. Pas de machtsregel toe op elke macht van x.
  3. Gebruik waar nodig de product-, quotiënt- of kettingregel.
  4. Vereenvoudig, en vul het punt in als daarom wordt gevraagd.

Integralen

Machtsregel
∫xⁿ dx = xⁿ⁺¹/(n + 1) + C
Bepaalde integraal
∫ab f dx = F(b) − F(a)
Standaardintegralen
∫eˣ dx = eˣ, ∫1/x dx = ln|x|, ∫sin x dx = −cos x
Oppervlakte tussen grafieken
∫ab (f − g) dx

Methode

  1. Schrijf de integrand waar mogelijk als een som van eenvoudige termen.
  2. Pas de machtsregel toe: ∫xⁿ dx = xⁿ⁺¹/(n + 1), en de standaardintegralen voor ex, 1/x, sin en cos.
  3. Gebruik substitutie als je een functie en haar afgeleide samen ziet.
  4. Bereken bij een bepaalde integraal F(b) − F(a).

Complexe getallen

Rechthoekige vorm
z = a + jb, j² = −1, z̄ = a − jb
Modulus en argument
|z| = √(a² + b²), tan θ = b/a (check the quadrant)
Poolvorm en exponentiële vorm
z = r∠θ = r(cos θ + j sin θ) = r·ejθ
Deling
z₁/z₂ = z₁z̄₂/|z₂|²
Product en quotiënt
r₁∠θ₁ · r₂∠θ₂ = r₁r₂∠(θ₁ + θ₂), r₁∠θ₁ / r₂∠θ₂ = (r₁/r₂)∠(θ₁ − θ₂)
De Moivre
(r∠θ)ⁿ = rⁿ∠nθ
n-de machtswortels
zk = R1/n∠((φ + 360°·k)/n), k = 0 … n − 1
Kwadratische vergelijking met p² < 4q
z = −p/2 ± j√(q − p²/4)

Methode

  1. Bepaal welke vorm bij de bewerking past: rechthoekig a + jb voor optellen en aftrekken, pool r∠θ voor vermenigvuldigen, delen, machten en wortels.
  2. Werk uit met j² = −1; deel door teller en noemer te vermenigvuldigen met de geconjugeerde van de noemer.
  3. Reken om met r = √(a² + b²) en θ uit een schets van het punt (controleer het kwadrant), en terug met a = r cos θ, b = r sin θ.
  4. Gebruik voor machten De Moivre, (r∠θ)ⁿ = rⁿ∠nθ; noteer voor zⁿ = R∠φ alle n wortels R1/n∠((φ + 360°k)/n).

Differentiaalvergelijkingen

Exponentiële groei/afname
dy/dt = ky → y = y0ekt
Halveringstijd
k = ln 2 / t½
Afkoelingswet van Newton
T(t) = Ta + (T0 − Ta)e−kt
Integrerende factor
y′ + p(x)y = q(x): μ = e∫p dx, (μy)′ = μq
Mengtank
dm/dt = r·c − (r/V)·m

Matrices & determinanten

2×2-determinant
det = ad − bc
Inverse van een 2×2-matrix
A⁻¹ = (1/det)·[d −b; −c a]
Product
(AB)ij = Σk AikBkj
Eigenwaarden
det(A − λI) = 0
Regel van Cramer
xi = det(Ai)/det(A)

Vectoren: inwendig en uitwendig product

Grootte
|a| = √(ax² + ay² + az²)
Eenheidsvector
û = a/|a|
Componenten uit een hoek
Fx = F·cos θ, Fy = F·sin θ
Inwendig product
a·b = axbx + ayby + azbz = |a||b|cos θ
Scalaire projectie van a op b
a·b/|b|
Arbeid
W = F·d
Uitwendig product
a × b = (aybz − azby, azbx − axbz, axby − aybx)
Oppervlakken
parallellogram |a × b|, driehoek ½|a × b|
Moment om O
MO = r × F, r = A − O
Volume van een parallellepipedum
V = |a·(b × c)|

Methode

  1. Schrijf elke vector in componenten; voor een kracht gegeven door een grootte en een hoek gebruik je F·cos θ en F·sin θ.
  2. Gebruik voor lengtes en richtingen de grootte √(x² + y² + z²) en de eenheidsvector a/|a|.
  3. Gebruik het inwendig product voor hoeken, projecties, loodrechte stand en arbeid: a·b = |a||b|cos θ.
  4. Gebruik het uitwendig product voor loodrechte vectoren, oppervlakten en momenten: schrijf de drie componenten zorgvuldig uit en houd de volgorde a × b aan.

Kansrekening

Complement
P(not A) = 1 − P(A)
Somregel
P(A ∪ B) = P(A) + P(B) − P(A ∩ B)
Onafhankelijke gebeurtenissen
P(A ∩ B) = P(A)·P(B)
Voorwaardelijke kans
P(A|B) = P(A ∩ B)/P(B)
Binomiaal
P(X = k) = C(n,k)·pk(1 − p)n−k

Beschrijvende statistiek

Gemiddelde
x̄ = Σx/n
Steekproefstandaardafwijking
s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1))
Mediaan
middelste waarde van de gesorteerde gegevens
z-score
z = (x − μ)/σ
Normale verdeling
68% binnen ±1σ, 95% binnen ±2σ

Normale verdeling

z-score
z = (x − μ)/σ
Onder x
P(X < x) = Φ(z)
Boven x
P(X > x) = 1 − Φ(z)
Tussen
Φ(z2) − Φ(z1)
Percentiel
x = μ + z·σ

Methode

  1. Reken de waarde om naar een z-score: z = (x − μ)/σ.
  2. Zoek Φ(z) op, het oppervlak links van z.
  3. Gebruik voor het oppervlak rechts 1 − Φ(z); trek voor een interval de twee linkeroppervlakken van elkaar af.
  4. Werk voor een percentiel terug: zoek z bij het oppervlak, dan x = μ + z·σ.

2Oefenopgaven

1.LimietenGemiddeld
xyy = L

Bereken de limiet L = limx→∞ (√(9x2 + 3x) − 3x).

f(x) = √(9x2 + 3x) − 3xx → ∞
L =
2.LimietenMoeilijk
xyx = 0

Bereken de limiet L = limx→0 (1 − cos 4x)/(2x²), met x in radialen.

f(x) = (1 − cos 4x)/(2x²)x → 0
L =
3.AfgeleidenGemiddeld
xyx = −1

Gegeven f(x) = (4x + 3)3. Bereken f′(−1).

f(x) = (4x + 3)3x = −1
f′(−1) =
4.AfgeleidenMoeilijk
xy

Gegeven f(x) = x3 + 4,5x2 + 6x + 3. Bereken de x-coördinaat x van het lokale minimum.

f(x) = x3 + 4,5x2 + 6x + 3
x =
5.IntegralenGemiddeld
xy1y = √(x)

Het gebied onder y = √(x) van x = 0 tot x = 1 wordt om de x-as gewenteld. Bepaal het volume V van het lichaam (een paraboloïde).

y = √(x)0 ≤ x ≤ 1
V =
6.IntegralenMoeilijk
xy2y = x²eˣ

Bereken I = ∫₀2 x²·eˣ dx.

∫₀2 x²eˣ dx
I =
7.Complexe getallenGemiddeld
ReIm22−2−244−4−4θz

Bepaal het argument θ van z = −1 − j4 in graden, als hoofdwaarde tussen −180° en 180°.

z = −1 − j4
θ = °
8.Complexe getallenMoeilijk
ReIm11−1−122−2−2z₁z₂

Los z² − 4z + 8 = 0 op. De wortels zijn a ± jb; bepaal b > 0.

p = −4q = 8
b =
9.DifferentiaalvergelijkingenGemiddeld
tyy(0) = 1y(1,5) = ?

Los y″ + 2y′ + y = 0 op met y(0) = 1 en y′(0) = 1. Bepaal y(1,5).

y″ + 2y′ + y = 0y(0) = 1y′(0) = 1
y(1.5) =
10.DifferentiaalvergelijkingenMoeilijk
t (min)m (kg)t = ?89 kg

Een tank bevat 1000 L water waarin 20 kg zout is opgelost. Pekel met 0,25 kg zout per liter stroomt in met 2 L/min, en de goed gemengde oplossing stroomt met dezelfde snelheid uit. Na hoeveel minuten t bevat de tank 89 kg zout?

V = 1000 Lm0 = 20 kgc = 0,25 kg/Lr = 2 L/min
t = min
11.Matrices & determinantenGemiddeld
A =315−20−2−15−1

Bereken de determinant det A van de getoonde 3×3-matrix A.

A = [3 1 5; −2 0 −2; −1 5 −1]
det A =
12.Matrices & determinantenMoeilijk
A =36−21b =−4−12

Los het stelsel 3x + 6y = −4 en −2x + y = −12 op. Bereken x.

3x + 6y = −4−2x + y = −12
x =
13.Vectoren: inwendig en uitwendig productGemiddeld
xyzab

Bepaal de scalaire projectie compb a van a = (3, 4, −4) op b = (2, 0, 4), dat wil zeggen de component van a in de richting van b.

a = (3, 4, −4)b = (2, 0, 4)
compb a =
14.Vectoren: inwendig en uitwendig productMoeilijk
xyzab

Bepaal de oppervlakte A van het parallellogram opgespannen door a = (2, −3, 1) en b = (4, 2, −2).

a = (2, −3, 1)b = (4, 2, −2)
A =
15.KansrekeningGemiddeld
P(minstens één zes) = ??1?2?3?4?5?6?7?8P(zes) = 1/6 bij elke worp

Er wordt 8 keer met een eerlijke dobbelsteen gegooid. Wat is de kans P op minstens één zes?

n = 8
P =
16.KansrekeningMoeilijk
n = 9, p = 0,3: P(X ≤ 1) = ?k0123456789

Er worden 9 onderdelen getest, en elk valt onafhankelijk uit met kans 0,3. Wat is de kans P dat er hoogstens één uitvalt?

n = 9p = 0,3
P =
17.Beschrijvende statistiekGemiddeld
152025303540455055

Bereken de steekproefstandaardafwijking s van de gegevens: 15, 35, 13, 21, 55, 12, 47.

n = 7
s =
18.Beschrijvende statistiekMoeilijk
z −2−1012

Tentamencijfers zijn normaal verdeeld met gemiddelde 50 en standaardafwijking 20. Bereken de z-score z van een score van 40.

μ = 50σ = 20x = 40
z =
19.Normale verdelingGemiddeld
−3−2−10123zgearceerd oppervlak rechts van z = 0,6331

Sleep z zo dat het gearceerde oppervlak onder de standaardnormale kromme, rechts van z, 0,6331 is. Bepaal z op twee decimalen.

A = 0,6331
z =
20.Normale verdelingMoeilijk
35455565758595puntenboven 60%

De examencijfers zijn normaal verdeeld met gemiddelde 65 punten en standaardafwijking 10 punten. Sleep de grenswaarde zo dat de gearceerde bovenste 60% rechts ervan ligt. Bepaal de grenswaarde x.

μ = 65 puntenσ = 10 punten60%
x = punten

3Oplossingen

1.Limieten

Antwoord: L = 0,5

Limieten: probeer eerst direct in te vullen. Geeft dat 0/0, vereenvoudig dan eerst: ontbind in factoren en deel de gemeenschappelijke factor weg, of vermenigvuldig met de geconjugeerde. Voor x → ∞ deel je teller en noemer door de hoogste macht van x. Regel van L'Hôpital: als f/g de vorm 0/0 of ∞/∞ geeft, dan is lim f/g = lim f′/g′, waarbij je teller en noemer apart differentieert (niet met de quotiëntregel).

Vermenigvuldig met de geconjugeerde

f(x) = 3x/(√(9x2 + 3x) + 3x)

Deel door x

f(x) = 3/(√(9 + 3/x) + 3)

Laat x → ∞

L = 3/(3 + 3) = 0,5

Antwoord

L = 0,5
2.Limieten

Antwoord: L = 4

Limieten: probeer eerst direct in te vullen. Geeft dat 0/0, vereenvoudig dan eerst: ontbind in factoren en deel de gemeenschappelijke factor weg, of vermenigvuldig met de geconjugeerde. Voor x → ∞ deel je teller en noemer door de hoogste macht van x. Regel van L'Hôpital: als f/g de vorm 0/0 of ∞/∞ geeft, dan is lim f/g = lim f′/g′, waarbij je teller en noemer apart differentieert (niet met de quotiëntregel).

Eerste toepassing

4·sin 4x/(4x) → 0/0

Tweede toepassing

16·cos 4x/4

Vul x = 0 in

L = 16/4 = 4

Antwoord

L = 4
3.Afgeleiden

Antwoord: f′(−1) = 12

Differentiëren: de afgeleide f′(x) is de helling van de grafiek in x. Machtsregel: (xⁿ)′ = n·xⁿ⁻¹. Productregel: (uv)′ = u′v + uv′. Kettingregel: (f(g(x)))′ = f′(g(x))·g′(x). Waar f′(x) = 0 heeft de grafiek een horizontale raaklijn: een maximum, minimum of zadelpunt.

Kettingregel

f′(x) = 3·(4x + 3)2·4

Invullen

f′(−1) = 3·(−1)2·4 = 12

Antwoord

f′(−1) = 12
4.Afgeleiden

Antwoord: x = −1

Differentiëren: de afgeleide f′(x) is de helling van de grafiek in x. Machtsregel: (xⁿ)′ = n·xⁿ⁻¹. Productregel: (uv)′ = u′v + uv′. Kettingregel: (f(g(x)))′ = f′(g(x))·g′(x). Waar f′(x) = 0 heeft de grafiek een horizontale raaklijn: een maximum, minimum of zadelpunt.

Afgeleide

f′(x) = 3x2 + 9x + 6 = 3·(x2 + 3x + 2)

f′(x) = 0 oplossen

x = −2 of x = −1

Welke is welke

f″(x) = 6x + 9: negatief in een maximum, positief in een minimum.

f″(−2) = −3, f″(−1) = 3
x = −1

Antwoord

x = −1
5.Integralen

Antwoord: V = 1,571

Omwentelingslichamen: als je het gebied onder y = f(x) van x = a tot x = b om de x-as wentelt, ontstaat een lichaam waarvan de doorsnede bij x een schijf met straal f(x) is. Het optellen van de schijven geeft V = π∫ₐᵇ f(x)² dx. Ligt het gebied tussen een buitenste kromme R(x) en een binnenste kromme r(x), dan is elke plak een ring: V = π∫ₐᵇ (R(x)² − r(x)²) dx. Kwadrateer de stralen voordat je ze van elkaar aftrekt.

Schijfmethode

V = π∫₀1 x dx

Integreren

V = π·1·1²/2 = 1,571

Antwoord

V = 1,571
6.Integralen

Antwoord: I = 12,78

Partiële integratie: ∫u·dv = u·v − ∫v·du, afgeleid uit de productregel. Kies voor u de factor die eenvoudiger wordt als je hem differentieert (een macht van x, of ln x), en voor dv de factor die je kunt integreren (eˣ, sin x, cos x, of x als u = ln x). Bereken bij een bepaalde integraal u·v op beide grenzen: ∫ₐᵇ u dv = [u·v]ₐᵇ − ∫ₐᵇ v du. Een factor x² vraagt om twee rondes.

Eerste ronde

∫x²eˣ dx = x²eˣ − ∫2x eˣ dx

Tweede ronde

∫2x eˣ dx = 2x eˣ − 2eˣ
∫x²eˣ dx = eˣ(x² − 2x + 2)

Limieten

7,389·(2) − 1·2 = 12,78

Antwoord

I = 12,78
7.Complexe getallen

Antwoord: θ = −104 °

Poolvorm: z = r∠θ = r(cos θ + j sin θ) = r·ejθ, met r = |z| en θ = arg z. Terug naar de rechthoekige vorm: a = r cos θ, b = r sin θ. Voor het argument is het kwadrant nodig: θ = atan(b/a) alleen als a > 0; voor a < 0 tel je 180° op of trek je 180° af. In poolvorm is vermenigvuldigen eenvoudig: vermenigvuldig de moduli en tel de argumenten op; bij delen deel je de moduli en trek je de argumenten af.

Kwadrant

a = −1, b = −4 → III

Referentiehoek

α = atan(4/1) = 75,96°

Argument

θ = −(180° − α) = −104°

Antwoord

θ = −104°

In poolvorm is z = 4,123∠−104°.

8.Complexe getallen

Antwoord: b = 2

De Moivre en wortels: (r∠θ)ⁿ = rⁿ∠nθ. De vergelijking zⁿ = R∠φ heeft precies n wortels, allemaal met modulus R1/n, bij de argumenten (φ + 360°·k)/n voor k = 0, 1, …, n − 1: ze liggen gelijkmatig verdeeld op een cirkel, 360°/n uit elkaar. Een kwadratische vergelijking z² + pz + q = 0 met p² < 4q heeft de complexe wortels z = −p/2 ± j√(q − p²/4); een polynoom met reële coëfficiënten heeft zijn complexe wortels altijd in geconjugeerde paren a ± jb.

Discriminant

p² − 4q = 16 − 32 = −16 < 0

Abc-formule

z = (4 ± j√16)/2 = 2 + j2, 2 − j2

Antwoord

b = 2

Antwoord

b = 2
9.Differentiaalvergelijkingen

Antwoord: y(1.5) = 0,8925

Lineaire tweede-ordevergelijkingen: probeer voor y″ + b·y′ + c·y = 0 y = ert: dit geeft de karakteristieke vergelijking r² + b·r + c = 0. Twee reële wortels r₁ ≠ r₂ geven y = A·er₁t + B·er₂t (overgedempt); een dubbele wortel r geeft y = (A + Bt)·ert (kritisch gedempt); complexe wortels −α ± jω geven y = e−αt(A cos ωt + B sin ωt) (ondergedempt, oscillerend). De beginwaarden y(0) en y′(0) leggen A en B vast. Geschreven als y″ + 2ζωny′ + ωn²y = 0 is ωn de eigenfrequentie en ζ de dempingsfactor: bij ζ < 1 oscilleert de oplossing. Bij een constante ingang, y″ + by′ + cy = c·K, is de oplossing de eindwaarde K plus de vrije respons.

Dubbele wortel

(r + 1)² = 0 → r = −1

Constanten

A = y(0) = 1
y′(0) = B − 1A → B = 1 + 1 = 2

Bereken

y(1,5) = (1 + 2·1,5)·e−1,5 = 0,8925

Antwoord

y(1,5) = 0,8925
10.Differentiaalvergelijkingen

Antwoord: t = 178,3 min

Eerste-orde differentiaalvergelijkingen: dy/dt = k·y heeft de oplossing y = y₀·ekt (groei voor k > 0, afname voor k < 0); een halveringstijd T geeft k = ln 2/T. De afkoelingswet van Newton, dT/dt = −k·(T − Tₐ), geeft T(t) = Tₐ + (T₀ − Tₐ)·e−kt. Een lineaire vergelijking y′ + p(x)·y = q(x) los je op met de integrerende factor μ = e∫p dx: (μy)′ = μq, dus μy = ∫μq dx + C.

Resultaat

m(t) = 250 + (−230)·e−t/500

Los op naar t

e−t/500 = (250 − 89)/(250 − 20) = 0,7
t = 500·ln(1,429) = 178,3 min

Antwoord

t = 178,3 min
11.Matrices & determinanten

Antwoord: det A = −20

Matrices: de determinant van een 2×2-matrix is ad − bc. Bij 3×3 ontwikkel je naar een rij: elk element maal de determinant van de 2×2-matrix die overblijft na het schrappen van zijn rij en kolom, met afwisselende tekens + − +. Eigenwaarden λ voldoen aan det(A − λI) = 0; bij 2×2 is dat λ² − (spoor)·λ + det = 0.

2×2-minoren van de eerste rij

M₁₁ = 10, M₁₂ = 0, M₁₃ = −10

Cofactorontwikkeling

det A = 3·10 − 1·0 + 5·(−10) = −20

Antwoord

det A = −20
12.Matrices & determinanten

Antwoord: x = 4,533

Matrices: de determinant van een 2×2-matrix is ad − bc. Bij 3×3 ontwikkel je naar een rij: elk element maal de determinant van de 2×2-matrix die overblijft na het schrappen van zijn rij en kolom, met afwisselende tekens + − +. Eigenwaarden λ voldoen aan det(A − λI) = 0; bij 2×2 is dat λ² − (spoor)·λ + det = 0.

Determinant van de coëfficiëntenmatrix

det A = 3·1 − 6·(−2) = 15

De x-kolom vervangen

det Aₓ = (−4)·1 − 6·(−12) = 68
x = 68/15 = 4,533

Antwoord

x = 4,533
y = −2,933
13.Vectoren: inwendig en uitwendig product

Antwoord: compb a = −2,236

Dot product: a·b = axbx + ayby + azbz = |a|·|b|·cos θ, a scalar. It gives the angle between two vectors, cos θ = a·b/(|a|·|b|), and it is zero when they are perpendicular. The scalar projection of a onto b is a·b/|b|, and a constant force F moving through a displacement d does work W = F·d.

Inwendig product

a·b = 3·2 + 4·0 + (−4)·4 = −10

Lengte van b

|b| = √(2² + 0² + 4²) = 4,472

Scalaire projectie

compb a = a·b/|b| = −10/4,472 = −2,236

Antwoord

compb a = −2,236

Negatief: a heeft een component die tegen b in wijst.

14.Vectoren: inwendig en uitwendig product

Antwoord: A = 18,33

Cross product: a × b = (aybz − azby, azbx − axbz, axby − aybx) is perpendicular to both vectors, and |a × b| = |a|·|b|·sin θ is the area of the parallelogram they span (the triangle has half of it). Order matters: b × a = −(a × b). The moment of a force F applied at point A about point O is MO = r × F, with r = A − O.

Uitwendig product

(a × b)x = aybz − azby = (−3)·(−2) − 1·2 = 4
(a × b)y = azbx − axbz = 1·4 − 2·(−2) = 8
(a × b)z = axby − aybx = 2·2 − (−3)·4 = 16

Oppervlak

A = |a × b| = √(4² + 8² + 16²) = 18,33

Antwoord

A = 18,33
15.Kansrekening

Antwoord: P = 0,7674

Kansrekening: bij even waarschijnlijke uitkomsten is P(A) = gunstig/totaal. Bij onafhankelijke gebeurtenissen vermenigvuldig je: P(A en B) = P(A)·P(B). De complementregel helpt vaak: P(minstens één) = 1 − P(geen). Binomiaal: bij n onafhankelijke pogingen met succeskans p geldt P(X = k) = C(n, k)·pᵏ·(1 − p)ⁿ⁻ᵏ.

Complement

P(geen zes) = (5/6)8 = 0,2326
P = 1 − 0,2326 = 0,7674

Antwoord

P = 0,7674
16.Kansrekening

Antwoord: P = 0,196

Kansrekening: bij even waarschijnlijke uitkomsten is P(A) = gunstig/totaal. Bij onafhankelijke gebeurtenissen vermenigvuldig je: P(A en B) = P(A)·P(B). De complementregel helpt vaak: P(minstens één) = 1 − P(geen). Binomiaal: bij n onafhankelijke pogingen met succeskans p geldt P(X = k) = C(n, k)·pᵏ·(1 − p)ⁿ⁻ᵏ.

Nul en één uitval

P(X = 0) = 0,79 = 0,04035
P(X = 1) = 9·0,3·0,78 = 0,1556

Tel ze op

P = 0,04035 + 0,1556 = 0,196

Antwoord

P = 0,196
17.Beschrijvende statistiek

Antwoord: s = 17,5

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Gemiddelde

x̄ = 198/7 = 28,29

Gekwadrateerde afwijkingen

Σ(x − x̄)² = (−13,29)² + 6,714² + (−15,29)² + (−7,286)² + 26,71² + (−16,29)² + 18,71² = 1837

Standaardafwijking

s = √(1837/6) = 17,5

Antwoord

s = 17,5
18.Beschrijvende statistiek

Antwoord: z = −0,5

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Standaardiseren

z = (40 − 50)/20 = −0,5

Antwoord

z = −0,5
19.Normale verdeling

Antwoord: z = −0,34

Van een oppervlak terug naar z: Φ(z) is het oppervlak links van z. Zoek voor een linkerstaartoppervlak A de z met Φ(z) = A in de tabel. Een rechterstaartoppervlak A betekent Φ(z) = 1 − A. Een centraal oppervlak A tussen −z en z laat (1 − A)/2 in elke staart over, dus Φ(z) = (1 + A)/2. Gebruik voor een waarde x de formule x = μ + zσ.

Oppervlak links van z

Φ(z) = 1 − 0,6331 = 0,3669

Lees de z-tabel achterstevoren

Zoek 0,3669 in de tabel en lees z af.

z = −0,34

Antwoord

z = −0,34
20.Normale verdeling

Antwoord: x = 62,5 punten

Van een oppervlak terug naar z: Φ(z) is het oppervlak links van z. Zoek voor een linkerstaartoppervlak A de z met Φ(z) = A in de tabel. Een rechterstaartoppervlak A betekent Φ(z) = 1 − A. Een centraal oppervlak A tussen −z en z laat (1 − A)/2 in elke staart over, dus Φ(z) = (1 + A)/2. Gebruik voor een waarde x de formule x = μ + zσ.

Oppervlak links

Φ(z) = 0,4

z uit de tabel

z ≈ −0,25

Terug naar de oorspronkelijke eenheden

x = 65 − 0,25·10 = 62,5 punten

Antwoord

x = 62,5 punten

ExamProblems · examproblems.com/courses/engineering-mathematics