Wiskunde voor ingenieurs: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 20 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Limieten

Direct invullen
probeer eerst x = a; 0/0 betekent vereenvoudigen
Ontbinden en wegdelen
xⁿ − aⁿ = (x − a)(xⁿ⁻¹ + a·xⁿ⁻² + … + aⁿ⁻¹)
Geconjugeerde
(√x − √a)(√x + √a) = x − a
Limieten naar oneindig
deel door de hoogste macht van x; bij gelijke graden is de limiet de verhouding van de hoogstegraadscoëfficiënten
Standaardlimiet
limx→∞ (1 + a/x)bx = eab
Regel van L'Hôpital
lim f/g = lim f′/g′ (0/0 or ∞/∞)

Afgeleiden

Machtsregel
(xⁿ)′ = n·xⁿ⁻¹
Productregel
(uv)′ = u′v + uv′
Quotiëntregel
(u/v)′ = (u′v − uv′)/v²
Kettingregel
f(g(x))′ = f′(g(x))·g′(x)
Standaardafgeleiden
(eˣ)′ = eˣ, (ln x)′ = 1/x, (sin x)′ = cos x, (cos x)′ = −sin x

Methode

  1. Herken de structuur: som, product, quotiënt of samenstelling.
  2. Pas de machtsregel toe op elke macht van x.
  3. Gebruik waar nodig de product-, quotiënt- of kettingregel.
  4. Vereenvoudig, en vul het punt in als daarom wordt gevraagd.

Integralen

Machtsregel
∫xⁿ dx = xⁿ⁺¹/(n + 1) + C
Bepaalde integraal
∫ab f dx = F(b) − F(a)
Standaardintegralen
∫eˣ dx = eˣ, ∫1/x dx = ln|x|, ∫sin x dx = −cos x
Oppervlakte tussen grafieken
∫ab (f − g) dx

Methode

  1. Schrijf de integrand waar mogelijk als een som van eenvoudige termen.
  2. Pas de machtsregel toe: ∫xⁿ dx = xⁿ⁺¹/(n + 1), en de standaardintegralen voor ex, 1/x, sin en cos.
  3. Gebruik substitutie als je een functie en haar afgeleide samen ziet.
  4. Bereken bij een bepaalde integraal F(b) − F(a).

Complexe getallen

Rechthoekige vorm
z = a + jb, j² = −1, z̄ = a − jb
Modulus en argument
|z| = √(a² + b²), tan θ = b/a (check the quadrant)
Poolvorm en exponentiële vorm
z = r∠θ = r(cos θ + j sin θ) = r·ejθ
Deling
z₁/z₂ = z₁z̄₂/|z₂|²
Product en quotiënt
r₁∠θ₁ · r₂∠θ₂ = r₁r₂∠(θ₁ + θ₂), r₁∠θ₁ / r₂∠θ₂ = (r₁/r₂)∠(θ₁ − θ₂)
De Moivre
(r∠θ)ⁿ = rⁿ∠nθ
n-de machtswortels
zk = R1/n∠((φ + 360°·k)/n), k = 0 … n − 1
Kwadratische vergelijking met p² < 4q
z = −p/2 ± j√(q − p²/4)

Methode

  1. Bepaal welke vorm bij de bewerking past: rechthoekig a + jb voor optellen en aftrekken, pool r∠θ voor vermenigvuldigen, delen, machten en wortels.
  2. Werk uit met j² = −1; deel door teller en noemer te vermenigvuldigen met de geconjugeerde van de noemer.
  3. Reken om met r = √(a² + b²) en θ uit een schets van het punt (controleer het kwadrant), en terug met a = r cos θ, b = r sin θ.
  4. Gebruik voor machten De Moivre, (r∠θ)ⁿ = rⁿ∠nθ; noteer voor zⁿ = R∠φ alle n wortels R1/n∠((φ + 360°k)/n).

Differentiaalvergelijkingen

Exponentiële groei/afname
dy/dt = ky → y = y0ekt
Halveringstijd
k = ln 2 / t½
Afkoelingswet van Newton
T(t) = Ta + (T0 − Ta)e−kt
Integrerende factor
y′ + p(x)y = q(x): μ = e∫p dx, (μy)′ = μq
Mengtank
dm/dt = r·c − (r/V)·m

Matrices & determinanten

2×2-determinant
det = ad − bc
Inverse van een 2×2-matrix
A⁻¹ = (1/det)·[d −b; −c a]
Product
(AB)ij = Σk AikBkj
Eigenwaarden
det(A − λI) = 0
Regel van Cramer
xi = det(Ai)/det(A)

Vectoren: inwendig en uitwendig product

Grootte
|a| = √(ax² + ay² + az²)
Eenheidsvector
û = a/|a|
Componenten uit een hoek
Fx = F·cos θ, Fy = F·sin θ
Inwendig product
a·b = axbx + ayby + azbz = |a||b|cos θ
Scalaire projectie van a op b
a·b/|b|
Arbeid
W = F·d
Uitwendig product
a × b = (aybz − azby, azbx − axbz, axby − aybx)
Oppervlakken
parallellogram |a × b|, driehoek ½|a × b|
Moment om O
MO = r × F, r = A − O
Volume van een parallellepipedum
V = |a·(b × c)|

Methode

  1. Schrijf elke vector in componenten; voor een kracht gegeven door een grootte en een hoek gebruik je F·cos θ en F·sin θ.
  2. Gebruik voor lengtes en richtingen de grootte √(x² + y² + z²) en de eenheidsvector a/|a|.
  3. Gebruik het inwendig product voor hoeken, projecties, loodrechte stand en arbeid: a·b = |a||b|cos θ.
  4. Gebruik het uitwendig product voor loodrechte vectoren, oppervlakten en momenten: schrijf de drie componenten zorgvuldig uit en houd de volgorde a × b aan.

Kansrekening

Complement
P(not A) = 1 − P(A)
Somregel
P(A ∪ B) = P(A) + P(B) − P(A ∩ B)
Onafhankelijke gebeurtenissen
P(A ∩ B) = P(A)·P(B)
Voorwaardelijke kans
P(A|B) = P(A ∩ B)/P(B)
Binomiaal
P(X = k) = C(n,k)·pk(1 − p)n−k

Beschrijvende statistiek

Gemiddelde
x̄ = Σx/n
Steekproefstandaardafwijking
s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1))
Mediaan
middelste waarde van de gesorteerde gegevens
z-score
z = (x − μ)/σ
Normale verdeling
68% binnen ±1σ, 95% binnen ±2σ

Normale verdeling

z-score
z = (x − μ)/σ
Onder x
P(X < x) = Φ(z)
Boven x
P(X > x) = 1 − Φ(z)
Tussen
Φ(z2) − Φ(z1)
Percentiel
x = μ + z·σ

Methode

  1. Reken de waarde om naar een z-score: z = (x − μ)/σ.
  2. Zoek Φ(z) op, het oppervlak links van z.
  3. Gebruik voor het oppervlak rechts 1 − Φ(z); trek voor een interval de twee linkeroppervlakken van elkaar af.
  4. Werk voor een percentiel terug: zoek z bij het oppervlak, dan x = μ + z·σ.

2Oefenopgaven

1.LimietenGemiddeld
xyy = L

Bereken de limiet L = limx→∞ (4x3 − 3x + 9)/(5x3 + 3x + 6).

f(x) = (4x3 − 3x + 9)/(5x3 + 3x + 6)x → ∞
L =
2.LimietenMoeilijk
xyx = 0

Bereken de limiet L = limx→0 (1 − cos 5x)/(x²), met x in radialen.

f(x) = (1 − cos 5x)/(x²)x → 0
L =
3.AfgeleidenGemiddeld
xyx = 1

Gegeven f(x) = (−2x − 3)4. Bereken f′(1).

f(x) = (−2x − 3)4x = 1
f′(1) =
4.AfgeleidenMoeilijk
xy

Gegeven f(x) = x3 − 9x2 + 15x − 4. Bereken de x-coördinaat x van het lokale minimum.

f(x) = x3 − 9x2 + 15x − 4
x =
5.IntegralenGemiddeld
xyπy = x·sin x

Bereken I = ∫₀π x·sin x dx (x in radialen).

∫₀π x·sin x dx
I =
6.IntegralenMoeilijk
xyy = 2x2​y = 3x

Bereken de oppervlakte A van het gebied ingesloten door y = 2x2 en y = 3x.

y = 2x2y = 3x
A =
7.Complexe getallenGemiddeld
ReIm22−2−244−4−4z₁z₂w

Gegeven z₁ = 5∠125° en z₂ = 4∠−25°, bepaal het reële deel van w = z₁/z₂.

z₁ = 5∠125°z₂ = 4∠−25°
Re(w) =
8.Complexe getallenMoeilijk
ReIm11−1−122−2−233−3−3z₀z₁z₂

De wortels van zⁿ = w met n = 3 en w = 27∠180° zijn zk = R1/n∠((φ + 360°·k)/n), k = 0, 1, 2. Bepaal het reële deel van z₁.

w = 27∠180°n = 3k = 1
Re(z₁) =
9.DifferentiaalvergelijkingenGemiddeld
tyy(0) = 2y(2) = ?

Los y″ + 5y′ + 4y = 0 op met y(0) = 2 en y′(0) = 6. Bepaal y(2).

y″ + 5y′ + 4y = 0y(0) = 2y′(0) = 6
y(2) =
10.DifferentiaalvergelijkingenMoeilijk
xy12(1, 2)y(2) = ?

Los het beginwaardeprobleem y′ + y/x = 5x op voor x > 0, met y(1) = 2. Bereken y(2).

y′ + y/x = 5xy(1) = 2
y(2) =
11.Matrices & determinantenGemiddeld
A =−1−1−2−50−544−4

Bereken de determinant det A van de getoonde 3×3-matrix A.

A = [−1 −1 −2; −5 0 −5; 4 4 −4]
det A =
12.Matrices & determinantenMoeilijk
A =23−1−1b =−8−10

Los het stelsel 2x + 3y = −8 en −x − y = −10 op. Bereken x.

2x + 3y = −8−x − y = −10
x =
13.Vectoren: inwendig en uitwendig productGemiddeld
xyzab

Bepaal het inwendig product a·b van a = (−4, −6, 1) en b = (5, 7, 0).

a = (−4, −6, 1)b = (5, 7, 0)
a·b =
14.Vectoren: inwendig en uitwendig productMoeilijk
xyzab

De eenheidsvector n̂ staat loodrecht op zowel a = (4, 2, −4) als b = (−2, 5, 5) en heeft een positieve z-component. Bepaal zijn y-component n̂y.

a = (4, 2, −4)b = (−2, 5, 5)n̂z > 0
n̂y =
15.KansrekeningGemiddeld
P(minstens één zes) = ??1?2?3?4?5?6?7P(zes) = 1/6 bij elke worp

Er wordt 7 keer met een eerlijke dobbelsteen gegooid. Wat is de kans P op minstens één zes?

n = 7
P =
16.KansrekeningMoeilijk
xp(x)00,3510,3520,3μ

X heeft de getoonde verdeling, en Y = 2X + 5. Bepaal de standaardafwijking σY van Y.

x: 0, 1, 2p(x): 0,35, 0,35, 0,3Y = 2X + 5
σY =
17.Beschrijvende statistiekGemiddeld
30354045505560

Bereken de steekproefstandaardafwijking s van de gegevens: 60, 56, 37, 30, 29, 31, 53.

n = 7
s =
18.Beschrijvende statistiekMoeilijk
z −2−1012

Een grootheid is normaal verdeeld met gemiddelde 170 en standaardafwijking 12. Welk deel P van de waarden ligt boven 174,8?

μ = 170σ = 12x = 174,8
P =
19.Normale verdelingGemiddeld
60 kg59,1 kgT = X₁ + … + X₅?

De massa's van dozen zijn onafhankelijk en normaal verdeeld met gemiddelde 12 kg en standaardafwijking 0,8 kg. Bepaal de kans P dat de totale massa van 5 ervan groter is dan 59,1 kg. Rond z af op twee decimalen.

μ = 12 kgσ = 0,8 kgn = 5> 59,1 kg
P =
20.Normale verdelingMoeilijk
235240245250255260265gboven 5%

De gewichten van zakken zijn normaal verdeeld met gemiddelde 250 g en standaardafwijking 5 g. Sleep de grenswaarde zo dat de gearceerde bovenste 5% rechts ervan ligt. Bepaal de grenswaarde x.

μ = 250 gσ = 5 g5%
x = g

3Oplossingen

1.Limieten

Antwoord: L = 0,8

Limieten: probeer eerst direct in te vullen. Geeft dat 0/0, vereenvoudig dan eerst: ontbind in factoren en deel de gemeenschappelijke factor weg, of vermenigvuldig met de geconjugeerde. Voor x → ∞ deel je teller en noemer door de hoogste macht van x. Regel van L'Hôpital: als f/g de vorm 0/0 of ∞/∞ geeft, dan is lim f/g = lim f′/g′, waarbij je teller en noemer apart differentieert (niet met de quotiëntregel).

Deel door de hoogste macht

(4 + (−3)/x2 + 9/x3)/(5 + 3/x2 + 6/x3)

Laat x → ∞

L = 4/5 = 0,8

Antwoord

L = 0,8

Bij gelijke graden is de limiet de verhouding van de hoogstegraadscoëfficiënten.

2.Limieten

Antwoord: L = 12,5

Limieten: probeer eerst direct in te vullen. Geeft dat 0/0, vereenvoudig dan eerst: ontbind in factoren en deel de gemeenschappelijke factor weg, of vermenigvuldig met de geconjugeerde. Voor x → ∞ deel je teller en noemer door de hoogste macht van x. Regel van L'Hôpital: als f/g de vorm 0/0 of ∞/∞ geeft, dan is lim f/g = lim f′/g′, waarbij je teller en noemer apart differentieert (niet met de quotiëntregel).

Eerste toepassing

5·sin 5x/(2x) → 0/0

Tweede toepassing

25·cos 5x/2

Vul x = 0 in

L = 25/2 = 12,5

Antwoord

L = 12,5
3.Afgeleiden

Antwoord: f′(1) = 1000

Differentiëren: de afgeleide f′(x) is de helling van de grafiek in x. Machtsregel: (xⁿ)′ = n·xⁿ⁻¹. Productregel: (uv)′ = u′v + uv′. Kettingregel: (f(g(x)))′ = f′(g(x))·g′(x). Waar f′(x) = 0 heeft de grafiek een horizontale raaklijn: een maximum, minimum of zadelpunt.

Kettingregel

f′(x) = 4·(−2x − 3)3·(−2)

Invullen

f′(1) = 4·(−5)3·(−2) = 1000

Antwoord

f′(1) = 1000
4.Afgeleiden

Antwoord: x = 5

Differentiëren: de afgeleide f′(x) is de helling van de grafiek in x. Machtsregel: (xⁿ)′ = n·xⁿ⁻¹. Productregel: (uv)′ = u′v + uv′. Kettingregel: (f(g(x)))′ = f′(g(x))·g′(x). Waar f′(x) = 0 heeft de grafiek een horizontale raaklijn: een maximum, minimum of zadelpunt.

Afgeleide

f′(x) = 3x2 − 18x + 15 = 3·(x2 − 6x + 5)

f′(x) = 0 oplossen

x = 1 of x = 5

Welke is welke

f″(x) = 6x − 18: negatief in een maximum, positief in een minimum.

f″(1) = −12, f″(5) = 12
x = 5

Antwoord

x = 5
5.Integralen

Antwoord: I = 3,142

Partiële integratie: ∫u·dv = u·v − ∫v·du, afgeleid uit de productregel. Kies voor u de factor die eenvoudiger wordt als je hem differentieert (een macht van x, of ln x), en voor dv de factor die je kunt integreren (eˣ, sin x, cos x, of x als u = ln x). Bereken bij een bepaalde integraal u·v op beide grenzen: ∫ₐᵇ u dv = [u·v]ₐᵇ − ∫ₐᵇ v du. Een factor x² vraagt om twee rondes.

Kies u en dv

u = x, du = dx; dv = sin x dx, v = −cos x

Primitieve

∫x sin x dx = −x cos x + ∫cos x dx = −x cos x + sin x

Limieten

(−π·cos π + sin π) − (0 + 0) = 3,142

Antwoord

I = 3,142
6.Integralen

Antwoord: A = 1,125

Bepaalde integralen: ∫ₐᵇ f(x) dx is de georiënteerde oppervlakte tussen de grafiek en de x-as van a tot b. Zoek een primitieve F (met F′ = f) en bereken F(b) − F(a). Machtsregel: ∫xⁿ dx = xⁿ⁺¹/(n + 1). De oppervlakte tussen twee krommen is ∫(bovenste − onderste) dx.

Snijpunten

2x2 = 3x → x = 0, x = 1,5

Bovenste min onderste integreren

A = [1,5x2 − 0,6667x3]01,5 = 1,125

Antwoord

A = 1,125
7.Complexe getallen

Antwoord: Re(w) = −1,083

Poolvorm: z = r∠θ = r(cos θ + j sin θ) = r·ejθ, met r = |z| en θ = arg z. Terug naar de rechthoekige vorm: a = r cos θ, b = r sin θ. Voor het argument is het kwadrant nodig: θ = atan(b/a) alleen als a > 0; voor a < 0 tel je 180° op of trek je 180° af. In poolvorm is vermenigvuldigen eenvoudig: vermenigvuldig de moduli en tel de argumenten op; bij delen deel je de moduli en trek je de argumenten af.

Modulus en argument van w

|w| = 5 / 4 = 1,25
θ = 125° − (−25)° = 150°

Rechthoekige vorm

Re(w) = 1,25·cos(150°) = −1,083
Im(w) = 1,25·sin(150°) = 0,625
Re(w) = −1,083

Antwoord

Re(w) = −1,083
8.Complexe getallen

Antwoord: Re(z₁) = −3

De Moivre en wortels: (r∠θ)ⁿ = rⁿ∠nθ. De vergelijking zⁿ = R∠φ heeft precies n wortels, allemaal met modulus R1/n, bij de argumenten (φ + 360°·k)/n voor k = 0, 1, …, n − 1: ze liggen gelijkmatig verdeeld op een cirkel, 360°/n uit elkaar. Een kwadratische vergelijking z² + pz + q = 0 met p² < 4q heeft de complexe wortels z = −p/2 ± j√(q − p²/4); een polynoom met reële coëfficiënten heeft zijn complexe wortels altijd in geconjugeerde paren a ± jb.

Modulus van de wortels

271/3 = 3

Argument van de wortel

θ₁ = (180° + 360°·1)/3 = 180°

Rechthoekige vorm

z₁ = 3·(cos 180° + j sin 180°) = −3
Re(z₁) = −3

Antwoord

Re(z₁) = −3

De 3 wortels liggen op de cirkel met straal 3, 120° uit elkaar.

9.Differentiaalvergelijkingen

Antwoord: y(2) = 0,6307

Lineaire tweede-ordevergelijkingen: probeer voor y″ + b·y′ + c·y = 0 y = ert: dit geeft de karakteristieke vergelijking r² + b·r + c = 0. Twee reële wortels r₁ ≠ r₂ geven y = A·er₁t + B·er₂t (overgedempt); een dubbele wortel r geeft y = (A + Bt)·ert (kritisch gedempt); complexe wortels −α ± jω geven y = e−αt(A cos ωt + B sin ωt) (ondergedempt, oscillerend). De beginwaarden y(0) en y′(0) leggen A en B vast. Geschreven als y″ + 2ζωny′ + ωn²y = 0 is ωn de eigenfrequentie en ζ de dempingsfactor: bij ζ < 1 oscilleert de oplossing. Bij een constante ingang, y″ + by′ + cy = c·K, is de oplossing de eindwaarde K plus de vrije respons.

Karakteristieke wortels

(r + 1)(r + 4) = 0 → r = −1, −4

Constanten uit de beginwaarden

A + B = 2, −1A − 4B = 6
A = 4,667, B = −2,667

Bereken

y(2) = 4,667·e−2 + (−2,667)·e−8 = 0,6307

Antwoord

y(2) = 0,6307
10.Differentiaalvergelijkingen

Antwoord: y(2) = 6,833

Eerste-orde differentiaalvergelijkingen: dy/dt = k·y heeft de oplossing y = y₀·ekt (groei voor k > 0, afname voor k < 0); een halveringstijd T geeft k = ln 2/T. De afkoelingswet van Newton, dT/dt = −k·(T − Tₐ), geeft T(t) = Tₐ + (T₀ − Tₐ)·e−kt. Een lineaire vergelijking y′ + p(x)·y = q(x) los je op met de integrerende factor μ = e∫p dx: (μy)′ = μq, dus μy = ∫μq dx + C.

Integrerende factor

μ = e∫1/x dx = x1

Integreren

(x1y)′ = 5x2 → x1y = 5x3/3 + C

Beginvoorwaarde

2 = 5/3 + C → C = 0,3333

Bereken

y(2) = (5·23/3 + 0,3333)/21 = 6,833

Antwoord

y(2) = 6,833
11.Matrices & determinanten

Antwoord: det A = 60

Matrices: de determinant van een 2×2-matrix is ad − bc. Bij 3×3 ontwikkel je naar een rij: elk element maal de determinant van de 2×2-matrix die overblijft na het schrappen van zijn rij en kolom, met afwisselende tekens + − +. Eigenwaarden λ voldoen aan det(A − λI) = 0; bij 2×2 is dat λ² − (spoor)·λ + det = 0.

2×2-minoren van de eerste rij

M₁₁ = 20, M₁₂ = 40, M₁₃ = −20

Cofactorontwikkeling

det A = (−1)·20 − (−1)·40 + (−2)·(−20) = 60

Antwoord

det A = 60
12.Matrices & determinanten

Antwoord: x = 38

Matrices: de determinant van een 2×2-matrix is ad − bc. Bij 3×3 ontwikkel je naar een rij: elk element maal de determinant van de 2×2-matrix die overblijft na het schrappen van zijn rij en kolom, met afwisselende tekens + − +. Eigenwaarden λ voldoen aan det(A − λI) = 0; bij 2×2 is dat λ² − (spoor)·λ + det = 0.

Determinant van de coëfficiëntenmatrix

det A = 2·(−1) − 3·(−1) = 1

De x-kolom vervangen

det Aₓ = (−8)·(−1) − 3·(−10) = 38
x = 38/1 = 38

Antwoord

x = 38
y = −28
13.Vectoren: inwendig en uitwendig product

Antwoord: a·b = −62

Dot product: a·b = axbx + ayby + azbz = |a|·|b|·cos θ, a scalar. It gives the angle between two vectors, cos θ = a·b/(|a|·|b|), and it is zero when they are perpendicular. The scalar projection of a onto b is a·b/|b|, and a constant force F moving through a displacement d does work W = F·d.

Vermenigvuldig overeenkomstige componenten en tel op

a·b = (−4)·5 + (−6)·7 + 1·0 = (−20) + (−42) + 0 = −62

Antwoord

a·b = −62

Negatief: de hoek tussen de vectoren is groter dan 90°.

14.Vectoren: inwendig en uitwendig product

Antwoord: n̂y = −0,2981

Cross product: a × b = (aybz − azby, azbx − axbz, axby − aybx) is perpendicular to both vectors, and |a × b| = |a|·|b|·sin θ is the area of the parallelogram they span (the triangle has half of it). Order matters: b × a = −(a × b). The moment of a force F applied at point A about point O is MO = r × F, with r = A − O.

Uitwendig product

(a × b)x = aybz − azby = 2·5 − (−4)·5 = 30
(a × b)y = azbx − axbz = (−4)·(−2) − 4·5 = −12
(a × b)z = axby − aybx = 4·5 − 2·(−2) = 24

Normeren

De z-component van a × b is al positief.

|a × b| = √(30² + (−12)² + 24²) = 40,25
n̂ = (30, −12, 24)/40,25 = (0,7454, −0,2981, 0,5963)
n̂y = −0,2981

Antwoord

n̂y = −0,2981
15.Kansrekening

Antwoord: P = 0,7209

Kansrekening: bij even waarschijnlijke uitkomsten is P(A) = gunstig/totaal. Bij onafhankelijke gebeurtenissen vermenigvuldig je: P(A en B) = P(A)·P(B). De complementregel helpt vaak: P(minstens één) = 1 − P(geen). Binomiaal: bij n onafhankelijke pogingen met succeskans p geldt P(X = k) = C(n, k)·pᵏ·(1 − p)ⁿ⁻ᵏ.

Complement

P(geen zes) = (5/6)7 = 0,2791
P = 1 − 0,2791 = 0,7209

Antwoord

P = 0,7209
16.Kansrekening

Antwoord: σY = 1,609

Discrete stochasten: een kansverdeling geeft elke waarde x die een variabele kan aannemen met haar kans p(x); de kansen liggen tussen 0 en 1 en tellen op tot 1. De verwachtingswaarde (het gemiddelde) is E(X) = Σx·p(x), het gemiddelde op de lange termijn. De variantie is Var(X) = Σ(x − μ)²·p(x) = E(X²) − μ², en de standaardafwijking σ = √Var(X). Voor een lineaire transformatie Y = aX + b geldt: E(Y) = a·E(X) + b, Var(Y) = a²·Var(X) en σY = |a|·σX; een constante optellen verandert de spreiding niet.

Spreiding van X

μ = 0,95, Var(X) = 0,6475, σX = 0,8047

Lineaire transformatie

σY = |2|·0,8047 = 1,609

Antwoord

σY = 1,609

Het gemiddelde verschuift wel: E(Y) = 2·0,95 + 5 = 6,9.

17.Beschrijvende statistiek

Antwoord: s = 13,54

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Gemiddelde

x̄ = 296/7 = 42,29

Gekwadrateerde afwijkingen

Σ(x − x̄)² = 17,71² + 13,71² + (−5,286)² + (−12,29)² + (−13,29)² + (−11,29)² + 10,71² = 1099

Standaardafwijking

s = √(1099/6) = 13,54

Antwoord

s = 13,54
18.Beschrijvende statistiek

Antwoord: P = 0,3446

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Standaardiseren

z = 0,4

Tabel standaardnormale verdeling

Φ(0,4) = 0,6554
P = 1 − 0,6554 = 0,3446

Antwoord

P = 0,3446
19.Normale verdeling

Antwoord: P = 0,6915

Sommen en verschillen van normale variabelen: als X en Y onafhankelijk en normaal verdeeld zijn, zijn X + Y en X − Y ook normaal verdeeld. Gemiddelden tellen op of worden afgetrokken: E(X ± Y) = μX ± μY. Varianties tellen altijd op, ook bij een verschil: Var(X ± Y) = σX² + σY², dus σ = √(σX² + σY²). Standaardafwijkingen tellen nooit rechtstreeks op. Het totaal van n onafhankelijke items met dezelfde verdeling heeft gemiddelde n·μ en standaardafwijking σ·√n. Standaardiseer daarna zoals gewoonlijk: z = (x − gemiddelde)/σ en lees Φ(z) af.

Verdeling van het totaal

μT = 60 kg, σT = 0,8·√5 = 1,789 kg

Standaardiseren

z = (59,1 − 60)/1,789 = −0,5

Kansrekening

P = 1 − Φ(−0,5) = 0,6915

Antwoord

P = 0,6915
20.Normale verdeling

Antwoord: x = 258,2 g

Van een oppervlak terug naar z: Φ(z) is het oppervlak links van z. Zoek voor een linkerstaartoppervlak A de z met Φ(z) = A in de tabel. Een rechterstaartoppervlak A betekent Φ(z) = 1 − A. Een centraal oppervlak A tussen −z en z laat (1 − A)/2 in elke staart over, dus Φ(z) = (1 + A)/2. Gebruik voor een waarde x de formule x = μ + zσ.

Oppervlak links

Φ(z) = 0,95

z uit de tabel

z ≈ 1,64

Terug naar de oorspronkelijke eenheden

x = 250 + 1,64·5 = 258,2 g

Antwoord

x = 258,2 g

ExamProblems · examproblems.com/courses/engineering-mathematics