Wiskunde voor ingenieurs: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 20 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Limieten

Direct invullen
probeer eerst x = a; 0/0 betekent vereenvoudigen
Ontbinden en wegdelen
xⁿ − aⁿ = (x − a)(xⁿ⁻¹ + a·xⁿ⁻² + … + aⁿ⁻¹)
Geconjugeerde
(√x − √a)(√x + √a) = x − a
Limieten naar oneindig
deel door de hoogste macht van x; bij gelijke graden is de limiet de verhouding van de hoogstegraadscoëfficiënten
Standaardlimiet
limx→∞ (1 + a/x)bx = eab
Regel van L'Hôpital
lim f/g = lim f′/g′ (0/0 or ∞/∞)

Afgeleiden

Machtsregel
(xⁿ)′ = n·xⁿ⁻¹
Productregel
(uv)′ = u′v + uv′
Quotiëntregel
(u/v)′ = (u′v − uv′)/v²
Kettingregel
f(g(x))′ = f′(g(x))·g′(x)
Standaardafgeleiden
(eˣ)′ = eˣ, (ln x)′ = 1/x, (sin x)′ = cos x, (cos x)′ = −sin x

Methode

  1. Herken de structuur: som, product, quotiënt of samenstelling.
  2. Pas de machtsregel toe op elke macht van x.
  3. Gebruik waar nodig de product-, quotiënt- of kettingregel.
  4. Vereenvoudig, en vul het punt in als daarom wordt gevraagd.

Integralen

Machtsregel
∫xⁿ dx = xⁿ⁺¹/(n + 1) + C
Bepaalde integraal
∫ab f dx = F(b) − F(a)
Standaardintegralen
∫eˣ dx = eˣ, ∫1/x dx = ln|x|, ∫sin x dx = −cos x
Oppervlakte tussen grafieken
∫ab (f − g) dx

Methode

  1. Schrijf de integrand waar mogelijk als een som van eenvoudige termen.
  2. Pas de machtsregel toe: ∫xⁿ dx = xⁿ⁺¹/(n + 1), en de standaardintegralen voor ex, 1/x, sin en cos.
  3. Gebruik substitutie als je een functie en haar afgeleide samen ziet.
  4. Bereken bij een bepaalde integraal F(b) − F(a).

Complexe getallen

Rechthoekige vorm
z = a + jb, j² = −1, z̄ = a − jb
Modulus en argument
|z| = √(a² + b²), tan θ = b/a (check the quadrant)
Poolvorm en exponentiële vorm
z = r∠θ = r(cos θ + j sin θ) = r·ejθ
Deling
z₁/z₂ = z₁z̄₂/|z₂|²
Product en quotiënt
r₁∠θ₁ · r₂∠θ₂ = r₁r₂∠(θ₁ + θ₂), r₁∠θ₁ / r₂∠θ₂ = (r₁/r₂)∠(θ₁ − θ₂)
De Moivre
(r∠θ)ⁿ = rⁿ∠nθ
n-de machtswortels
zk = R1/n∠((φ + 360°·k)/n), k = 0 … n − 1
Kwadratische vergelijking met p² < 4q
z = −p/2 ± j√(q − p²/4)

Methode

  1. Bepaal welke vorm bij de bewerking past: rechthoekig a + jb voor optellen en aftrekken, pool r∠θ voor vermenigvuldigen, delen, machten en wortels.
  2. Werk uit met j² = −1; deel door teller en noemer te vermenigvuldigen met de geconjugeerde van de noemer.
  3. Reken om met r = √(a² + b²) en θ uit een schets van het punt (controleer het kwadrant), en terug met a = r cos θ, b = r sin θ.
  4. Gebruik voor machten De Moivre, (r∠θ)ⁿ = rⁿ∠nθ; noteer voor zⁿ = R∠φ alle n wortels R1/n∠((φ + 360°k)/n).

Differentiaalvergelijkingen

Exponentiële groei/afname
dy/dt = ky → y = y0ekt
Halveringstijd
k = ln 2 / t½
Afkoelingswet van Newton
T(t) = Ta + (T0 − Ta)e−kt
Integrerende factor
y′ + p(x)y = q(x): μ = e∫p dx, (μy)′ = μq
Mengtank
dm/dt = r·c − (r/V)·m

Matrices & determinanten

2×2-determinant
det = ad − bc
Inverse van een 2×2-matrix
A⁻¹ = (1/det)·[d −b; −c a]
Product
(AB)ij = Σk AikBkj
Eigenwaarden
det(A − λI) = 0
Regel van Cramer
xi = det(Ai)/det(A)

Vectoren: inwendig en uitwendig product

Grootte
|a| = √(ax² + ay² + az²)
Eenheidsvector
û = a/|a|
Componenten uit een hoek
Fx = F·cos θ, Fy = F·sin θ
Inwendig product
a·b = axbx + ayby + azbz = |a||b|cos θ
Scalaire projectie van a op b
a·b/|b|
Arbeid
W = F·d
Uitwendig product
a × b = (aybz − azby, azbx − axbz, axby − aybx)
Oppervlakken
parallellogram |a × b|, driehoek ½|a × b|
Moment om O
MO = r × F, r = A − O
Volume van een parallellepipedum
V = |a·(b × c)|

Methode

  1. Schrijf elke vector in componenten; voor een kracht gegeven door een grootte en een hoek gebruik je F·cos θ en F·sin θ.
  2. Gebruik voor lengtes en richtingen de grootte √(x² + y² + z²) en de eenheidsvector a/|a|.
  3. Gebruik het inwendig product voor hoeken, projecties, loodrechte stand en arbeid: a·b = |a||b|cos θ.
  4. Gebruik het uitwendig product voor loodrechte vectoren, oppervlakten en momenten: schrijf de drie componenten zorgvuldig uit en houd de volgorde a × b aan.

Kansrekening

Complement
P(not A) = 1 − P(A)
Somregel
P(A ∪ B) = P(A) + P(B) − P(A ∩ B)
Onafhankelijke gebeurtenissen
P(A ∩ B) = P(A)·P(B)
Voorwaardelijke kans
P(A|B) = P(A ∩ B)/P(B)
Binomiaal
P(X = k) = C(n,k)·pk(1 − p)n−k

Beschrijvende statistiek

Gemiddelde
x̄ = Σx/n
Steekproefstandaardafwijking
s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1))
Mediaan
middelste waarde van de gesorteerde gegevens
z-score
z = (x − μ)/σ
Normale verdeling
68% binnen ±1σ, 95% binnen ±2σ

Normale verdeling

z-score
z = (x − μ)/σ
Onder x
P(X < x) = Φ(z)
Boven x
P(X > x) = 1 − Φ(z)
Tussen
Φ(z2) − Φ(z1)
Percentiel
x = μ + z·σ

Methode

  1. Reken de waarde om naar een z-score: z = (x − μ)/σ.
  2. Zoek Φ(z) op, het oppervlak links van z.
  3. Gebruik voor het oppervlak rechts 1 − Φ(z); trek voor een interval de twee linkeroppervlakken van elkaar af.
  4. Werk voor een percentiel terug: zoek z bij het oppervlak, dan x = μ + z·σ.

2Oefenopgaven

1.LimietenGemiddeld
xyy = L

Bereken de limiet L = limx→∞ (√(9x2 + 7x) − 3x).

f(x) = √(9x2 + 7x) − 3xx → ∞
L =
2.LimietenMoeilijk
xyx = 0

Bereken de limiet L = limx→0 ln(1 + 5x)/sin(3x), met x in radialen.

f(x) = ln(1 + 5x)/sin(3x)x → 0
L =
3.AfgeleidenGemiddeld
xyx = 2

Gegeven f(x) = x·sin(3x), met x in radialen. Bereken f′(2).

f(x) = x·sin(3x)x = 2 rad
f′(2) =
4.AfgeleidenMoeilijk
xyx = 3

De raaklijn aan f(x) = x2 + 2x in x = 3 snijdt de y-as in y = b. Bereken b.

f(x) = x2 + 2xx = 3
b =
5.IntegralenGemiddeld
xy01

Bereken I = ∫01 2x·(x² + 1)2 dx.

f(x) = 2x·(x² + 1)2[0, 1]
I =
6.IntegralenMoeilijk
xyy = 0,5x2​y = 2x

Bereken de oppervlakte A van het gebied ingesloten door y = 0,5x2 en y = 2x.

y = 0,5x2y = 2x
A =
7.Complexe getallenGemiddeld
ReIm11−1−122−2−233−3−3θz

Schrijf z = 3∠110° in rechthoekige vorm a + jb en geef het imaginaire deel b.

r = 3θ = 110°
b =
8.Complexe getallenMoeilijk
ReIm0,50,5−0,5−0,511−1−1θz

Gebruik de stelling van De Moivre om het imaginaire deel van z³ te vinden voor z = −1 + j.

z = −1 + jn = 3
Im(z³) =
9.DifferentiaalvergelijkingenGemiddeld
tyy(0) = 2y(0,5) = ?

Los y″ + 4y′ + 4y = 0 op met y(0) = 2 en y′(0) = 1. Bepaal y(0,5).

y″ + 4y′ + 4y = 0y(0) = 2y′(0) = 1
y(0.5) =
10.DifferentiaalvergelijkingenMoeilijk
t (min)m (kg)100 minm = ?

Een tank bevat 200 L zuiver water. Pekel met 0,1 kg zout per liter stroomt in met 2 L/min, en de goed gemengde oplossing stroomt met dezelfde snelheid uit. Hoeveel zout m zit er na 100 min in de tank?

V = 200 Lm0 = 0 kgc = 0,1 kg/Lr = 2 L/min
m = kg
11.Matrices & determinantenGemiddeld
A =−1−24−5−1−3−4−23

Bereken de determinant det A van de getoonde 3×3-matrix A.

A = [−1 −2 4; −5 −1 −3; −4 −2 3]
det A =
12.Matrices & determinantenMoeilijk
A =566−1b =107

Los het stelsel 5x + 6y = 10 en 6x − y = 7 op. Bereken x.

5x + 6y = 106x − y = 7
x =
13.Vectoren: inwendig en uitwendig productGemiddeld
xyzdFAB

Een constante kracht F = (5, −5, −20) N werkt op een voorwerp terwijl het zich in een rechte lijn verplaatst van punt A(−4, 5, 5) naar punt B(1, −4, 4). Coördinaten zijn in meter. Bepaal de arbeid W die de kracht verricht.

F = (5, −5, −20) NA(−4, 5, 5) mB(1, −4, 4) m
W = J
14.Vectoren: inwendig en uitwendig productMoeilijk
xyzabc

Bepaal het volume V van het parallellepipedum waarvan de ribben vanuit één hoekpunt a = (−1, 0, −4), b = (−4, −1, 0) en c = (3, 2, 5) zijn.

a = (−1, 0, −4)b = (−4, −1, 0)c = (3, 2, 5)
V =
15.KansrekeningGemiddeld
xp(x)10,220,130,1540,250,35μ = 3,4

Bepaal voor de getoonde verdeling de standaardafwijking σ van X.

x: 1, 2, 3, 4, 5p(x): 0,2, 0,1, 0,15, 0,2, 0,35
σ =
16.KansrekeningMoeilijk
n = 7, p = 0,5: P(X = 2) = ?k01234567

Een toets heeft 7 meerkeuzevragen. Een student die gokt, heeft elke vraag onafhankelijk goed met kans 0,5. Wat is de kans P op precies 2 goede antwoorden?

n = 7p = 0,5k = 2
P =
17.Beschrijvende statistiekGemiddeld
202530354045

Bereken de steekproefstandaardafwijking s van de gegevens: 19, 27, 32, 46, 19, 16.

n = 6
s =
18.Beschrijvende statistiekMoeilijk
z −2−1012

Een grootheid is normaal verdeeld met gemiddelde 50 en standaardafwijking 15. Welk deel P van de waarden ligt onder 80?

μ = 50σ = 15x = 80
P =
19.Normale verdelingGemiddeld
5385P = ?

De examencijfers zijn normaal verdeeld met gemiddelde 65 punten en standaardafwijking 10 punten. Welk deel ligt tussen 53 en 85 punten? Geef P als decimaal getal.

μ = 65σ = 10x1 = 53x2 = 85
P =
20.Normale verdelingMoeilijk
μ = 250x = ?5%

De gewichten van zakken zijn normaal verdeeld met gemiddelde 250 g en standaardafwijking 5 g. Bereken de waarde x waaronder 5% ervan ligt (het 5e percentiel).

μ = 250σ = 5P = 5%
x = g

3Oplossingen

1.Limieten

Antwoord: L = 1,167

Limieten: probeer eerst direct in te vullen. Geeft dat 0/0, vereenvoudig dan eerst: ontbind in factoren en deel de gemeenschappelijke factor weg, of vermenigvuldig met de geconjugeerde. Voor x → ∞ deel je teller en noemer door de hoogste macht van x. Regel van L'Hôpital: als f/g de vorm 0/0 of ∞/∞ geeft, dan is lim f/g = lim f′/g′, waarbij je teller en noemer apart differentieert (niet met de quotiëntregel).

Vermenigvuldig met de geconjugeerde

f(x) = 7x/(√(9x2 + 7x) + 3x)

Deel door x

f(x) = 7/(√(9 + 7/x) + 3)

Laat x → ∞

L = 7/(3 + 3) = 1,167

Antwoord

L = 1,167
2.Limieten

Antwoord: L = 1,667

Limieten: probeer eerst direct in te vullen. Geeft dat 0/0, vereenvoudig dan eerst: ontbind in factoren en deel de gemeenschappelijke factor weg, of vermenigvuldig met de geconjugeerde. Voor x → ∞ deel je teller en noemer door de hoogste macht van x. Regel van L'Hôpital: als f/g de vorm 0/0 of ∞/∞ geeft, dan is lim f/g = lim f′/g′, waarbij je teller en noemer apart differentieert (niet met de quotiëntregel).

Regel van L'Hôpital

L = limx→0 [5/(1 + 5x)]/[3·cos 3x]

Vul x = 0 in

L = 5/3 = 1,667

Antwoord

L = 1,667
3.Afgeleiden

Antwoord: f′(2) = 5,482

Differentiëren: de afgeleide f′(x) is de helling van de grafiek in x. Machtsregel: (xⁿ)′ = n·xⁿ⁻¹. Productregel: (uv)′ = u′v + uv′. Kettingregel: (f(g(x)))′ = f′(g(x))·g′(x). Waar f′(x) = 0 heeft de grafiek een horizontale raaklijn: een maximum, minimum of zadelpunt.

Product- en kettingregel

f′(x) = sin(3x) + 3x·cos(3x)

Invullen

f′(2) = −0,2794 + 6·0,9602 = 5,482

Antwoord

f′(2) = 5,482
4.Afgeleiden

Antwoord: b = −9

Differentiëren: de afgeleide f′(x) is de helling van de grafiek in x. Machtsregel: (xⁿ)′ = n·xⁿ⁻¹. Productregel: (uv)′ = u′v + uv′. Kettingregel: (f(g(x)))′ = f′(g(x))·g′(x). Waar f′(x) = 0 heeft de grafiek een horizontale raaklijn: een maximum, minimum of zadelpunt.

Punt en helling

f(3) = 15
f′(x) = 2x + 2 → f′(3) = 8

Raaklijn bij x = 0

b = f(x₀) − f′(x₀)·x₀ = 15 − 8·3 = −9

Antwoord

b = −9
5.Integralen

Antwoord: I = 2,333

Bepaalde integralen: ∫ₐᵇ f(x) dx is de georiënteerde oppervlakte tussen de grafiek en de x-as van a tot b. Zoek een primitieve F (met F′ = f) en bereken F(b) − F(a). Machtsregel: ∫xⁿ dx = xⁿ⁺¹/(n + 1). De oppervlakte tussen twee krommen is ∫(bovenste − onderste) dx.

Substitutie

u = x² + 1, du = 2x dx
I = ∫12 u2 du

Integreren en invullen

I = [u3/3]12 = (8 − 1)/3 = 2,333

Antwoord

I = 2,333
6.Integralen

Antwoord: A = 5,333

Bepaalde integralen: ∫ₐᵇ f(x) dx is de georiënteerde oppervlakte tussen de grafiek en de x-as van a tot b. Zoek een primitieve F (met F′ = f) en bereken F(b) − F(a). Machtsregel: ∫xⁿ dx = xⁿ⁺¹/(n + 1). De oppervlakte tussen twee krommen is ∫(bovenste − onderste) dx.

Snijpunten

0,5x2 = 2x → x = 0, x = 4

Bovenste min onderste integreren

A = [x2 − 0,1667x3]04 = 5,333

Antwoord

A = 5,333
7.Complexe getallen

Antwoord: b = 2,819

Poolvorm: z = r∠θ = r(cos θ + j sin θ) = r·ejθ, met r = |z| en θ = arg z. Terug naar de rechthoekige vorm: a = r cos θ, b = r sin θ. Voor het argument is het kwadrant nodig: θ = atan(b/a) alleen als a > 0; voor a < 0 tel je 180° op of trek je 180° af. In poolvorm is vermenigvuldigen eenvoudig: vermenigvuldig de moduli en tel de argumenten op; bij delen deel je de moduli en trek je de argumenten af.

Componenten

a = 3·cos(110°) = −1,026
b = 3·sin(110°) = 2,819

Rechthoekige vorm

z = −1,026 + j2,819
b = 2,819

Antwoord

b = 2,819
8.Complexe getallen

Antwoord: Im(z³) = 2

De Moivre en wortels: (r∠θ)ⁿ = rⁿ∠nθ. De vergelijking zⁿ = R∠φ heeft precies n wortels, allemaal met modulus R1/n, bij de argumenten (φ + 360°·k)/n voor k = 0, 1, …, n − 1: ze liggen gelijkmatig verdeeld op een cirkel, 360°/n uit elkaar. Een kwadratische vergelijking z² + pz + q = 0 met p² < 4q heeft de complexe wortels z = −p/2 ± j√(q − p²/4); een polynoom met reële coëfficiënten heeft zijn complexe wortels altijd in geconjugeerde paren a ± jb.

Poolvorm

z = −1 + j = √2∠135°

De Moivre

z³ = (√2)³∠405° = 2,828∠45°

Rechthoekige vorm

z³ = 2,828·(cos 45° + j sin 45°) = 2 + j2
Im(z³) = 2

Antwoord

Im(z³) = 2
9.Differentiaalvergelijkingen

Antwoord: y(0.5) = 1,655

Lineaire tweede-ordevergelijkingen: probeer voor y″ + b·y′ + c·y = 0 y = ert: dit geeft de karakteristieke vergelijking r² + b·r + c = 0. Twee reële wortels r₁ ≠ r₂ geven y = A·er₁t + B·er₂t (overgedempt); een dubbele wortel r geeft y = (A + Bt)·ert (kritisch gedempt); complexe wortels −α ± jω geven y = e−αt(A cos ωt + B sin ωt) (ondergedempt, oscillerend). De beginwaarden y(0) en y′(0) leggen A en B vast. Geschreven als y″ + 2ζωny′ + ωn²y = 0 is ωn de eigenfrequentie en ζ de dempingsfactor: bij ζ < 1 oscilleert de oplossing. Bij een constante ingang, y″ + by′ + cy = c·K, is de oplossing de eindwaarde K plus de vrije respons.

Dubbele wortel

(r + 2)² = 0 → r = −2

Constanten

A = y(0) = 2
y′(0) = B − 2A → B = 1 + 4 = 5

Bereken

y(0,5) = (2 + 5·0,5)·e−1 = 1,655

Antwoord

y(0,5) = 1,655
10.Differentiaalvergelijkingen

Antwoord: m = 12,64 kg

Eerste-orde differentiaalvergelijkingen: dy/dt = k·y heeft de oplossing y = y₀·ekt (groei voor k > 0, afname voor k < 0); een halveringstijd T geeft k = ln 2/T. De afkoelingswet van Newton, dT/dt = −k·(T − Tₐ), geeft T(t) = Tₐ + (T₀ − Tₐ)·e−kt. Een lineaire vergelijking y′ + p(x)·y = q(x) los je op met de integrerende factor μ = e∫p dx: (μy)′ = μq, dus μy = ∫μq dx + C.

Stel de vergelijking op

dm/dt = 2·0,1 − (2/200)·m = 0,2 − 0,01·m

Oplossen

De integrerende factor is ert/V; de oplossing nadert het evenwicht c·V.

m(t) = 20 + (−20)·e−t/100

Vul t in

m(100) = 20 + (−20)·0,3679 = 12,64 kg

Antwoord

m = 12,64 kg
11.Matrices & determinanten

Antwoord: det A = −21

Matrices: de determinant van een 2×2-matrix is ad − bc. Bij 3×3 ontwikkel je naar een rij: elk element maal de determinant van de 2×2-matrix die overblijft na het schrappen van zijn rij en kolom, met afwisselende tekens + − +. Eigenwaarden λ voldoen aan det(A − λI) = 0; bij 2×2 is dat λ² − (spoor)·λ + det = 0.

2×2-minoren van de eerste rij

M₁₁ = −9, M₁₂ = −27, M₁₃ = 6

Cofactorontwikkeling

det A = (−1)·(−9) − (−2)·(−27) + 4·6 = −21

Antwoord

det A = −21
12.Matrices & determinanten

Antwoord: x = 1,268

Matrices: de determinant van een 2×2-matrix is ad − bc. Bij 3×3 ontwikkel je naar een rij: elk element maal de determinant van de 2×2-matrix die overblijft na het schrappen van zijn rij en kolom, met afwisselende tekens + − +. Eigenwaarden λ voldoen aan det(A − λI) = 0; bij 2×2 is dat λ² − (spoor)·λ + det = 0.

Determinant van de coëfficiëntenmatrix

det A = 5·(−1) − 6·6 = −41

De x-kolom vervangen

det Aₓ = 10·(−1) − 6·7 = −52
x = −52/(−41) = 1,268

Antwoord

x = 1,268
y = 0,6098
13.Vectoren: inwendig en uitwendig product

Antwoord: W = 90 J

Dot product: a·b = axbx + ayby + azbz = |a|·|b|·cos θ, a scalar. It gives the angle between two vectors, cos θ = a·b/(|a|·|b|), and it is zero when they are perpendicular. The scalar projection of a onto b is a·b/|b|, and a constant force F moving through a displacement d does work W = F·d.

Verplaatsing

d = B − A = (1, −4, 4) − (−4, 5, 5) = (5, −9, −1) m

Arbeid

W = F·d = 5·5 + (−5)·(−9) + (−20)·(−1) = 90 J

Antwoord

W = 90 J
14.Vectoren: inwendig en uitwendig product

Antwoord: V = 25

Cross product: a × b = (aybz − azby, azbx − axbz, axby − aybx) is perpendicular to both vectors, and |a × b| = |a|·|b|·sin θ is the area of the parallelogram they span (the triangle has half of it). Order matters: b × a = −(a × b). The moment of a force F applied at point A about point O is MO = r × F, with r = A − O.

Uitwendig product b × c

(b × c)x = bycz − bzcy = (−1)·5 − 0·2 = −5
(b × c)y = bzcx − bxcz = 0·3 − (−4)·5 = 20
(b × c)z = bxcy − bycx = (−4)·2 − (−1)·3 = −5

Inwendig product met a

a·(b × c) = (−1)·(−5) + 0·20 + (−4)·(−5) = 25
V = |25| = 25

Antwoord

V = 25
15.Kansrekening

Antwoord: σ = 1,53

Discrete stochasten: een kansverdeling geeft elke waarde x die een variabele kan aannemen met haar kans p(x); de kansen liggen tussen 0 en 1 en tellen op tot 1. De verwachtingswaarde (het gemiddelde) is E(X) = Σx·p(x), het gemiddelde op de lange termijn. De variantie is Var(X) = Σ(x − μ)²·p(x) = E(X²) − μ², en de standaardafwijking σ = √Var(X). Voor een lineaire transformatie Y = aX + b geldt: E(Y) = a·E(X) + b, Var(Y) = a²·Var(X) en σY = |a|·σX; een constante optellen verandert de spreiding niet.

Gemiddelde

μ = 1·0,2 + 2·0,1 + 3·0,15 + 4·0,2 + 5·0,35 = 3,4

Gemiddelde van de kwadraten

E(X²) = 1·0,2 + 4·0,1 + 9·0,15 + 16·0,2 + 25·0,35 = 13,9

Variantie

Var(X) = 13,9 − 3,4² = 2,34
σ = √2,34 = 1,53

Antwoord

σ = 1,53
16.Kansrekening

Antwoord: P = 0,1641

Kansrekening: bij even waarschijnlijke uitkomsten is P(A) = gunstig/totaal. Bij onafhankelijke gebeurtenissen vermenigvuldig je: P(A en B) = P(A)·P(B). De complementregel helpt vaak: P(minstens één) = 1 − P(geen). Binomiaal: bij n onafhankelijke pogingen met succeskans p geldt P(X = k) = C(n, k)·pᵏ·(1 − p)ⁿ⁻ᵏ.

Binomiale formule

P(X = 2) = 21·0,52·0,55 = 21·0,25·0,03125 = 0,1641

Antwoord

P = 0,1641
17.Beschrijvende statistiek

Antwoord: s = 11,26

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Gemiddelde

x̄ = 159/6 = 26,5

Gekwadrateerde afwijkingen

Σ(x − x̄)² = (−7,5)² + 0,5² + 5,5² + 19,5² + (−7,5)² + (−10,5)² = 633,5

Standaardafwijking

s = √(633,5/5) = 11,26

Antwoord

s = 11,26
18.Beschrijvende statistiek

Antwoord: P = 0,9772

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Standaardiseren

z = 2

Tabel standaardnormale verdeling

Φ(2) = 0,9772
P = 0,9772

Antwoord

P = 0,9772
19.Normale verdeling

Antwoord: P = 0,8622

Normale verdeling: reken een waarde x om naar een z-score, z = (x − μ)/σ, die telt hoeveel standaardafwijkingen x van het gemiddelde ligt. Een z-tabel (of Φ(z)) geeft de oppervlakte links van z, en dat is P(X < x). De oppervlakte rechts is 1 − Φ(z), en de oppervlakte tussen twee waarden is het verschil van hun twee oppervlakten.

z-scores

z₁ = (53 − 65)/10 = −1,2
z₂ = (85 − 65)/10 = 2

Oppervlakte ertussen

P = Φ(2) − Φ(−1,2) = 0,9772 − 0,1151 = 0,8622

Antwoord

P = 0,8622
20.Normale verdeling

Antwoord: x = 241,8 g

Normale verdeling: reken een waarde x om naar een z-score, z = (x − μ)/σ, die telt hoeveel standaardafwijkingen x van het gemiddelde ligt. Een z-tabel (of Φ(z)) geeft de oppervlakte links van z, en dat is P(X < x). De oppervlakte rechts is 1 − Φ(z), en de oppervlakte tussen twee waarden is het verschil van hun twee oppervlakten.

z voor het percentiel

Φ(z) = 0,05 → z = −1,645

Terug naar x

x = 250 + −1,645·5 = 241,78 g

Antwoord

x = 241,78 g

ExamProblems · examproblems.com/courses/engineering-mathematics