Bepaal welke vorm bij de bewerking past: rechthoekig a + jb voor optellen en aftrekken, pool r∠θ voor vermenigvuldigen, delen, machten en wortels.
Werk uit met j² = −1; deel door teller en noemer te vermenigvuldigen met de geconjugeerde van de noemer.
Reken om met r = √(a² + b²) en θ uit een schets van het punt (controleer het kwadrant), en terug met a = r cos θ, b = r sin θ.
Gebruik voor machten De Moivre, (r∠θ)ⁿ = rⁿ∠nθ; noteer voor zⁿ = R∠φ alle n wortels R1/n∠((φ + 360°k)/n).
Differentiaalvergelijkingen
Exponentiële groei/afname
dy/dt = ky → y = y0ekt
Halveringstijd
k = ln 2 / t½
Afkoelingswet van Newton
T(t) = Ta + (T0 − Ta)e−kt
Integrerende factor
y′ + p(x)y = q(x): μ = e∫p dx, (μy)′ = μq
Mengtank
dm/dt = r·c − (r/V)·m
Matrices & determinanten
2×2-determinant
det = ad − bc
Inverse van een 2×2-matrix
A⁻¹ = (1/det)·[d −b; −c a]
Product
(AB)ij = Σk AikBkj
Eigenwaarden
det(A − λI) = 0
Regel van Cramer
xi = det(Ai)/det(A)
Vectoren: inwendig en uitwendig product
Grootte
|a| = √(ax² + ay² + az²)
Eenheidsvector
û = a/|a|
Componenten uit een hoek
Fx = F·cos θ, Fy = F·sin θ
Inwendig product
a·b = axbx + ayby + azbz = |a||b|cos θ
Scalaire projectie van a op b
a·b/|b|
Arbeid
W = F·d
Uitwendig product
a × b = (aybz − azby, azbx − axbz, axby − aybx)
Oppervlakken
parallellogram |a × b|, driehoek ½|a × b|
Moment om O
MO = r × F, r = A − O
Volume van een parallellepipedum
V = |a·(b × c)|
Methode
Schrijf elke vector in componenten; voor een kracht gegeven door een grootte en een hoek gebruik je F·cos θ en F·sin θ.
Gebruik voor lengtes en richtingen de grootte √(x² + y² + z²) en de eenheidsvector a/|a|.
Gebruik het inwendig product voor hoeken, projecties, loodrechte stand en arbeid: a·b = |a||b|cos θ.
Gebruik het uitwendig product voor loodrechte vectoren, oppervlakten en momenten: schrijf de drie componenten zorgvuldig uit en houd de volgorde a × b aan.
Kansrekening
Complement
P(not A) = 1 − P(A)
Somregel
P(A ∪ B) = P(A) + P(B) − P(A ∩ B)
Onafhankelijke gebeurtenissen
P(A ∩ B) = P(A)·P(B)
Voorwaardelijke kans
P(A|B) = P(A ∩ B)/P(B)
Binomiaal
P(X = k) = C(n,k)·pk(1 − p)n−k
Beschrijvende statistiek
Gemiddelde
x̄ = Σx/n
Steekproefstandaardafwijking
s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1))
Mediaan
middelste waarde van de gesorteerde gegevens
z-score
z = (x − μ)/σ
Normale verdeling
68% binnen ±1σ, 95% binnen ±2σ
Normale verdeling
z-score
z = (x − μ)/σ
Onder x
P(X < x) = Φ(z)
Boven x
P(X > x) = 1 − Φ(z)
Tussen
Φ(z2) − Φ(z1)
Percentiel
x = μ + z·σ
Methode
Reken de waarde om naar een z-score: z = (x − μ)/σ.
Zoek Φ(z) op, het oppervlak links van z.
Gebruik voor het oppervlak rechts 1 − Φ(z); trek voor een interval de twee linkeroppervlakken van elkaar af.
Werk voor een percentiel terug: zoek z bij het oppervlak, dan x = μ + z·σ.
2Oefenopgaven
1.LimietenGemiddeld
Bereken de limiet L = limx→∞ (1 − 2/x)3x. Geef een decimale waarde.
f(x) = (1 − 2/x)3xx → ∞
L =
2.LimietenMoeilijk
Bereken de limiet L = limx→0 ln(1 + x)/sin(5x), met x in radialen.
f(x) = ln(1 + x)/sin(5x)x → 0
L =
3.AfgeleidenGemiddeld
Gegeven f(x) = x·sin(2x), met x in radialen. Bereken f′(1).
f(x) = x·sin(2x)x = 1 rad
f′(1) =
4.AfgeleidenMoeilijk
Gegeven f(x) = x3 − 12x2 + 36x + 5. Bereken de x-coördinaat x van het lokale minimum.
f(x) = x3 − 12x2 + 36x + 5
x =
5.IntegralenGemiddeld
Bereken I = ∫03 ex dx.
f(x) = ex[0, 3]
I =
6.IntegralenMoeilijk
Het gebied tussen de lijn y = 2x en de parabool y = 0,5x² wordt om de x-as gewenteld. Bepaal het volume V van het lichaam.
y = 2xy = 0,5x²
V =
7.Complexe getallenGemiddeld
Schrijf z = −6 − j2 in exponentiële vorm r·ejθ. Geef θ in radialen, tussen −π en π.
z = −6 − j2
θ = rad
8.Complexe getallenMoeilijk
De vergelijking z² + 4z + 10,25 = 0 heeft twee complexe wortels. Bepaal hun modulus |z|.
p = 4q = 10,25
|z| =
9.DifferentiaalvergelijkingenGemiddeld
Los y″ + 8y′ + 15y = 0 op met y(0) = 4 en y′(0) = 2. Bepaal y(0,5).
y″ + 8y′ + 15y = 0y(0) = 4y′(0) = 2
y(0.5) =
10.DifferentiaalvergelijkingenMoeilijk
Een systeem voldoet voor t ≥ 0 aan y″ + 2y′ + 5y = 10, startend uit rust: y(0) = 0, y′(0) = 0. Bepaal y(1); hoeken in radialen.
y″ + 2y′ + 5y = 10y(0) = 0y′(0) = 0
y(1) =
11.Matrices & determinantenGemiddeld
Stel C = AB voor de getoonde matrices. Bereken het element c12 (rij 1, kolom 2).
A = [−3 0; 6 −3]B = [6 2; −2 5]
c12 =
12.Matrices & determinantenMoeilijk
Bereken de grootste eigenwaarde λ van de getoonde matrix A.
A = [5 −3; 5 −3]
λ =
13.Vectoren: inwendig en uitwendig productGemiddeld
Bepaal de scalaire projectie compb a van a = (4, 0, 7) op b = (−2, 6, 2), dat wil zeggen de component van a in de richting van b.
a = (4, 0, 7)b = (−2, 6, 2)
compb a =
14.Vectoren: inwendig en uitwendig productMoeilijk
Bepaal de oppervlakte A van de driehoek met hoekpunten A(−2, −3, −4), B(4, −1, 3) en C(0, −3, 1). Coördinaten zijn in meter.
A(−2, −3, −4)B(4, −1, 3)C(0, −3, 1)
A = m²
15.KansrekeningGemiddeld
Bepaal voor de getoonde verdeling de standaardafwijking σ van X.
x: 0, 2, 4, 6p(x): 0,2, 0,3, 0,35, 0,15
σ =
16.KansrekeningMoeilijk
Een spel kost €5 inzet. Je wint €15 met kans 0,25 en €250 met kans 0,05; anders win je niets. De inzet krijg je niet terug. Bepaal de verwachte nettowinst E(G) per spel.
inzet = €5€15: p = 0,25€250: p = 0,05
E(G) = €
17.Beschrijvende statistiekGemiddeld
Bereken de steekproefstandaardafwijking s van de gegevens: 52, 26, 24, 51, 41, 28, 39.
n = 7
s =
18.Beschrijvende statistiekMoeilijk
Tentamencijfers zijn normaal verdeeld met gemiddelde 500 en standaardafwijking 100. Bereken de z-score z van een score van 400.
μ = 500σ = 100x = 400
z =
19.Normale verdelingGemiddeld
De levensduren van batterijen zijn normaal verdeeld met gemiddelde 500 h en standaardafwijking 40 h. Welk deel ligt tussen 480 en 548 h? Geef P als decimaal getal.
μ = 500σ = 40x1 = 480x2 = 548
P =
20.Normale verdelingMoeilijk
De massa X van een product van lijn 1 en Y van lijn 2 zijn onafhankelijk en normaal verdeeld: X heeft gemiddelde 500 g en standaardafwijking 8 g, Y heeft gemiddelde 490 g en standaardafwijking 6 g. Bepaal de kans P dat X groter is dan Y. Rond z af op twee decimalen.
μX = 500 g, σX = 8 gμY = 490 g, σY = 6 g
P =
3Oplossingen
1.Limieten
Antwoord: L = 0,002479
Limieten: probeer eerst direct in te vullen. Geeft dat 0/0, vereenvoudig dan eerst: ontbind in factoren en deel de gemeenschappelijke factor weg, of vermenigvuldig met de geconjugeerde. Voor x → ∞ deel je teller en noemer door de hoogste macht van x. Regel van L'Hôpital: als f/g de vorm 0/0 of ∞/∞ geeft, dan is lim f/g = lim f′/g′, waarbij je teller en noemer apart differentieert (niet met de quotiëntregel).
Neem de logaritme
ln L = limx→∞ 3·x·ln(1 − 2/x)
Bereken
ln(1 + u)/u → 1 als u → 0, dus x·ln(1 + a/x) → a.
ln L = 3·(−2) = −6
Maak de logaritme ongedaan
L = e−6 = 0,002479
Antwoord
L = 0,002479
2.Limieten
Antwoord: L = 0,2
Limieten: probeer eerst direct in te vullen. Geeft dat 0/0, vereenvoudig dan eerst: ontbind in factoren en deel de gemeenschappelijke factor weg, of vermenigvuldig met de geconjugeerde. Voor x → ∞ deel je teller en noemer door de hoogste macht van x. Regel van L'Hôpital: als f/g de vorm 0/0 of ∞/∞ geeft, dan is lim f/g = lim f′/g′, waarbij je teller en noemer apart differentieert (niet met de quotiëntregel).
Regel van L'Hôpital
L = limx→0 [1/(1 + x)]/[5·cos 5x]
Vul x = 0 in
L = 1/5 = 0,2
Antwoord
L = 0,2
3.Afgeleiden
Antwoord: f′(1) = 0,077
Differentiëren: de afgeleide f′(x) is de helling van de grafiek in x. Machtsregel: (xⁿ)′ = n·xⁿ⁻¹. Productregel: (uv)′ = u′v + uv′. Kettingregel: (f(g(x)))′ = f′(g(x))·g′(x). Waar f′(x) = 0 heeft de grafiek een horizontale raaklijn: een maximum, minimum of zadelpunt.
Product- en kettingregel
f′(x) = sin(2x) + 2x·cos(2x)
Invullen
f′(1) = 0,9093 + 2·(−0,4161) = 0,077
Antwoord
f′(1) = 0,077
4.Afgeleiden
Antwoord: x = 6
Differentiëren: de afgeleide f′(x) is de helling van de grafiek in x. Machtsregel: (xⁿ)′ = n·xⁿ⁻¹. Productregel: (uv)′ = u′v + uv′. Kettingregel: (f(g(x)))′ = f′(g(x))·g′(x). Waar f′(x) = 0 heeft de grafiek een horizontale raaklijn: een maximum, minimum of zadelpunt.
Afgeleide
f′(x) = 3x2 − 24x + 36 = 3·(x2 − 8x + 12)
f′(x) = 0 oplossen
x = 2 of x = 6
Welke is welke
f″(x) = 6x − 24: negatief in een maximum, positief in een minimum.
f″(2) = −12, f″(6) = 12
x = 6
Antwoord
x = 6
5.Integralen
Antwoord: I = 19,09
Bepaalde integralen: ∫ₐᵇ f(x) dx is de georiënteerde oppervlakte tussen de grafiek en de x-as van a tot b. Zoek een primitieve F (met F′ = f) en bereken F(b) − F(a). Machtsregel: ∫xⁿ dx = xⁿ⁺¹/(n + 1). De oppervlakte tussen twee krommen is ∫(bovenste − onderste) dx.
Primitieve
F(x) = ex/1
Grenzen invullen
I = (e3 − 1)/1 = (20,09 − 1)/1 = 19,09
Antwoord
I = 19,09
6.Integralen
Antwoord: V = 107,2
Omwentelingslichamen: als je het gebied onder y = f(x) van x = a tot x = b om de x-as wentelt, ontstaat een lichaam waarvan de doorsnede bij x een schijf met straal f(x) is. Het optellen van de schijven geeft V = π∫ₐᵇ f(x)² dx. Ligt het gebied tussen een buitenste kromme R(x) en een binnenste kromme r(x), dan is elke plak een ring: V = π∫ₐᵇ (R(x)² − r(x)²) dx. Kwadrateer de stralen voordat je ze van elkaar aftrekt.
Snijpunten
2x = 0,5x² → x = 0, x = 4
Ringmethode
V = π∫₀4 ((2x)² − (0,5x²)²) dx
Integreren
V = π(4·4³/3 − 0,25·4⁵/5) = π·34,13 = 107,2
Antwoord
V = 107,2
7.Complexe getallen
Antwoord: θ = −2,82 rad
Poolvorm: z = r∠θ = r(cos θ + j sin θ) = r·ejθ, met r = |z| en θ = arg z. Terug naar de rechthoekige vorm: a = r cos θ, b = r sin θ. Voor het argument is het kwadrant nodig: θ = atan(b/a) alleen als a > 0; voor a < 0 tel je 180° op of trek je 180° af. In poolvorm is vermenigvuldigen eenvoudig: vermenigvuldig de moduli en tel de argumenten op; bij delen deel je de moduli en trek je de argumenten af.
Modulus
r = √(36 + 4) = 6,325
Argument in radialen
θ = −161,6° = −161,6·π/180 = −2,82 rad
Exponentiële vorm
z = 6,325·e−j2,82
Antwoord
θ = −2,82 rad
8.Complexe getallen
Antwoord: |z| = 3,202
De Moivre en wortels: (r∠θ)ⁿ = rⁿ∠nθ. De vergelijking zⁿ = R∠φ heeft precies n wortels, allemaal met modulus R1/n, bij de argumenten (φ + 360°·k)/n voor k = 0, 1, …, n − 1: ze liggen gelijkmatig verdeeld op een cirkel, 360°/n uit elkaar. Een kwadratische vergelijking z² + pz + q = 0 met p² < 4q heeft de complexe wortels z = −p/2 ± j√(q − p²/4); een polynoom met reële coëfficiënten heeft zijn complexe wortels altijd in geconjugeerde paren a ± jb.
Discriminant
p² − 4q = 16 − 41 = −25 < 0
Abc-formule
z = (−4 ± j√25)/2 = −2 + j2,5, −2 − j2,5
Antwoord
|z| = √((−2)² + 2,5²) = √10,25 = 3,202
Antwoord
|z| = 3,202
9.Differentiaalvergelijkingen
Antwoord: y(0.5) = 1,88
Lineaire tweede-ordevergelijkingen: probeer voor y″ + b·y′ + c·y = 0 y = ert: dit geeft de karakteristieke vergelijking r² + b·r + c = 0. Twee reële wortels r₁ ≠ r₂ geven y = A·er₁t + B·er₂t (overgedempt); een dubbele wortel r geeft y = (A + Bt)·ert (kritisch gedempt); complexe wortels −α ± jω geven y = e−αt(A cos ωt + B sin ωt) (ondergedempt, oscillerend). De beginwaarden y(0) en y′(0) leggen A en B vast. Geschreven als y″ + 2ζωny′ + ωn²y = 0 is ωn de eigenfrequentie en ζ de dempingsfactor: bij ζ < 1 oscilleert de oplossing. Bij een constante ingang, y″ + by′ + cy = c·K, is de oplossing de eindwaarde K plus de vrije respons.
Karakteristieke wortels
(r + 3)(r + 5) = 0 → r = −3, −5
Constanten uit de beginwaarden
A + B = 4, −3A − 5B = 2
A = 11, B = −7
Bereken
y(0,5) = 11·e−1,5 + (−7)·e−2,5 = 1,88
Antwoord
y(0,5) = 1,88
10.Differentiaalvergelijkingen
Antwoord: y(1) = 1,972
Lineaire tweede-ordevergelijkingen: probeer voor y″ + b·y′ + c·y = 0 y = ert: dit geeft de karakteristieke vergelijking r² + b·r + c = 0. Twee reële wortels r₁ ≠ r₂ geven y = A·er₁t + B·er₂t (overgedempt); een dubbele wortel r geeft y = (A + Bt)·ert (kritisch gedempt); complexe wortels −α ± jω geven y = e−αt(A cos ωt + B sin ωt) (ondergedempt, oscillerend). De beginwaarden y(0) en y′(0) leggen A en B vast. Geschreven als y″ + 2ζωny′ + ωn²y = 0 is ωn de eigenfrequentie en ζ de dempingsfactor: bij ζ < 1 oscilleert de oplossing. Bij een constante ingang, y″ + by′ + cy = c·K, is de oplossing de eindwaarde K plus de vrije respons.
Stationaire waarde en wortels
yss = 2, r = −1 ± 2j
Constanten uit de beginwaarden
y(0) = 2 + A = 0 → A = −2
y′(0) = −1A + 2B = 0 → B = −1
Bereken
y(1) = 2·(1 − e−1(cos 2 + 0,5·sin 2)) = 1,972
Antwoord
y(1) = 1,972
11.Matrices & determinanten
Antwoord: c12 = −6
Matrices: de determinant van een 2×2-matrix is ad − bc. Bij 3×3 ontwikkel je naar een rij: elk element maal de determinant van de 2×2-matrix die overblijft na het schrappen van zijn rij en kolom, met afwisselende tekens + − +. Eigenwaarden λ voldoen aan det(A − λI) = 0; bij 2×2 is dat λ² − (spoor)·λ + det = 0.
Rij maal kolom
c12 = (−3)·2 + 0·5 = −6
Antwoord
c12 = −6
12.Matrices & determinanten
Antwoord: λ = 2
Matrices: de determinant van een 2×2-matrix is ad − bc. Bij 3×3 ontwikkel je naar een rij: elk element maal de determinant van de 2×2-matrix die overblijft na het schrappen van zijn rij en kolom, met afwisselende tekens + − +. Eigenwaarden λ voldoen aan det(A − λI) = 0; bij 2×2 is dat λ² − (spoor)·λ + det = 0.
Karakteristieke vergelijking
λ² − (2)λ + (0) = 0
Oplossen
λ = (2 ± √(4))/2 → λ = 0, 2
λ = 2
Antwoord
λ = 2
13.Vectoren: inwendig en uitwendig product
Antwoord: compb a = 0,9045
Dot product:a·b = axbx + ayby + azbz = |a|·|b|·cos θ, a scalar. It gives the angle between two vectors, cos θ = a·b/(|a|·|b|), and it is zero when they are perpendicular. The scalar projection of a onto b is a·b/|b|, and a constant force F moving through a displacement d does work W = F·d.
Inwendig product
a·b = 4·(−2) + 0·6 + 7·2 = 6
Lengte van b
|b| = √((−2)² + 6² + 2²) = 6,633
Scalaire projectie
compb a = a·b/|b| = 6/6,633 = 0,9045
Antwoord
compb a = 0,9045
14.Vectoren: inwendig en uitwendig product
Antwoord: A = 9,644 m²
Cross product:a × b = (aybz − azby, azbx − axbz, axby − aybx) is perpendicular to both vectors, and |a × b| = |a|·|b|·sin θ is the area of the parallelogram they span (the triangle has half of it). Order matters: b × a = −(a × b). The moment of a force F applied at point A about point O is MO = r × F, with r = A − O.
Zijdevectoren
AB = B − A = (6, 2, 7)
AC = C − A = (2, 0, 5)
Uitwendig product
(AB × AC)x = AByACz − ABzACy = 2·5 − 7·0 = 10
(AB × AC)y = ABzACx − ABxACz = 7·2 − 6·5 = −16
(AB × AC)z = ABxACy − AByACx = 6·0 − 2·2 = −4
|AB × AC| = √(10² + (−16)² + (−4)²) = 19,29
Oppervlakte van de driehoek
A = ½·19,29 = 9,644 m²
Antwoord
A = 9,644 m²
15.Kansrekening
Antwoord: σ = 1,947
Discrete stochasten: een kansverdeling geeft elke waarde x die een variabele kan aannemen met haar kans p(x); de kansen liggen tussen 0 en 1 en tellen op tot 1. De verwachtingswaarde (het gemiddelde) is E(X) = Σx·p(x), het gemiddelde op de lange termijn. De variantie is Var(X) = Σ(x − μ)²·p(x) = E(X²) − μ², en de standaardafwijking σ = √Var(X). Voor een lineaire transformatie Y = aX + b geldt: E(Y) = a·E(X) + b, Var(Y) = a²·Var(X) en σY = |a|·σX; een constante optellen verandert de spreiding niet.
Gemiddelde
μ = 0·0,2 + 2·0,3 + 4·0,35 + 6·0,15 = 2,9
Gemiddelde van de kwadraten
E(X²) = 0·0,2 + 4·0,3 + 16·0,35 + 36·0,15 = 12,2
Variantie
Var(X) = 12,2 − 2,9² = 3,79
σ = √3,79 = 1,947
Antwoord
σ = 1,947
16.Kansrekening
Antwoord: E(G) = 11,25 €
Discrete stochasten: een kansverdeling geeft elke waarde x die een variabele kan aannemen met haar kans p(x); de kansen liggen tussen 0 en 1 en tellen op tot 1. De verwachtingswaarde (het gemiddelde) is E(X) = Σx·p(x), het gemiddelde op de lange termijn. De variantie is Var(X) = Σ(x − μ)²·p(x) = E(X²) − μ², en de standaardafwijking σ = √Var(X). Voor een lineaire transformatie Y = aX + b geldt: E(Y) = a·E(X) + b, Var(Y) = a²·Var(X) en σY = |a|·σX; een constante optellen verandert de spreiding niet.
Netto-uitkomsten
G: 10 (p = 0,25), 245 (p = 0,05), −5 (p = 0,7)
Verwachtingswaarde
E(G) = 10·0,25 + 245·0,05 − 5·0,7 = 11,25 €
Antwoord
E(G) = 11,25 €
Een positieve waarde betekent dat je gemiddeld geld wint.
17.Beschrijvende statistiek
Antwoord: s = 11,63
Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.
Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.
Standaardiseren
z = (400 − 500)/100 = −1
Antwoord
z = −1
19.Normale verdeling
Antwoord: P = 0,5764
Normale verdeling: reken een waarde x om naar een z-score, z = (x − μ)/σ, die telt hoeveel standaardafwijkingen x van het gemiddelde ligt. Een z-tabel (of Φ(z)) geeft de oppervlakte links van z, en dat is P(X < x). De oppervlakte rechts is 1 − Φ(z), en de oppervlakte tussen twee waarden is het verschil van hun twee oppervlakten.
z-scores
z₁ = (480 − 500)/40 = −0,5
z₂ = (548 − 500)/40 = 1,2
Oppervlakte ertussen
P = Φ(1,2) − Φ(−0,5) = 0,8849 − 0,3085 = 0,5764
Antwoord
P = 0,5764
20.Normale verdeling
Antwoord: P = 0,8413
Sommen en verschillen van normale variabelen: als X en Y onafhankelijk en normaal verdeeld zijn, zijn X + Y en X − Y ook normaal verdeeld. Gemiddelden tellen op of worden afgetrokken: E(X ± Y) = μX ± μY. Varianties tellen altijd op, ook bij een verschil: Var(X ± Y) = σX² + σY², dus σ = √(σX² + σY²). Standaardafwijkingen tellen nooit rechtstreeks op. Het totaal van n onafhankelijke items met dezelfde verdeling heeft gemiddelde n·μ en standaardafwijking σ·√n. Standaardiseer daarna zoals gewoonlijk: z = (x − gemiddelde)/σ en lees Φ(z) af.