Evidence-based practice: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 8 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Statistiek voor evidence-based practice

Sensitiviteit en specificiteit
Se = a/(a + c), Sp = d/(b + d)
Voorspellende waarden
PPV = a/(a + b), NPV = d/(c + d)
Accuratesse
(a + d)/n
Likelihoodratio’s
LR+ = Se/(1 − Sp), LR− = (1 − Se)/Sp
PPV bij prevalentie p
Se·p / (Se·p + (1 − Sp)(1 − p))
Odds
odds = p/(1 − p); p = odds/(1 + odds); natestodds = voortestodds × LR
Risicomaten
RR = EER/CER, ARR = CER − EER, RRR = ARR/CER
Number needed to treat
NNT = 1/ARR, naar boven afgerond; NNH = 1/(EER − CER)
Odds ratio
OR = ad/(bc)
Incidentiedichtheid
nieuwe gevallen / persoonstijd

Methode

  1. Teken de 2 × 2-tabel en benoem a, b, c en d voordat je rekent.
  2. Lees sensitiviteit en specificiteit langs de kolommen, voorspellende waarden langs de rijen.
  3. Stel je voor een andere prevalentie 10,000 mensen voor en vul de tabel met Se, Sp en de prevalentie.
  4. Reken voor een likelihoodratio de kans om naar odds, vermenigvuldig en reken terug.
  5. Bepaal bij een trial eerst EER en CER; dan RR = EER/CER, ARR = CER − EER en NNT = 1/ARR naar boven afgerond.

Beschrijvende statistiek

Gemiddelde
x̄ = Σx/n
Steekproefstandaardafwijking
s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1))
Mediaan
middelste waarde van de gesorteerde gegevens
z-score
z = (x − μ)/σ
Normale verdeling
68% binnen ±1σ, 95% binnen ±2σ

Betrouwbaarheidsintervallen

σ bekend
x̄ ± z·σ/√n
σ onbekend
x̄ ± t·s/√n, df = n − 1
Kritieke z
90%: 1,645, 95%: 1,96, 99%: 2,576
Steekproefomvang
n = (z·σ/E)², rounded up

Methode

  1. Kies tussen z (σ van de populatie bekend) en t (alleen de steekproef-s, met n − 1 vrijheidsgraden).
  2. Zoek de kritieke waarde bij het betrouwbaarheidsniveau.
  3. Foutmarge: E = kritieke waarde × standaardafwijking/√n.
  4. Interval: x̄ ± E.

Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

z-toets voor een gemiddelde
z = (x̄ − μ0)/(σ/√n)
t-toets voor een gemiddelde
t = (x̄ − μ0)/(s/√n), df = n − 1
Tweezijdig bij 5%
verwerp H0 als |z| > 1,96
Betrouwbaarheidsinterval
x̄ ± z·σ/√n

Methode

  1. Formuleer H₀ en H₁ en bepaal of de toets een- of tweezijdig is.
  2. Bereken de toetsingsgrootheid: (x̄ − μ₀)/(σ/√n), of met s en t.
  3. Vergelijk met de kritieke waarde, of bepaal de p-waarde.
  4. Verwerp H₀ als de toetsingsgrootheid voorbij de kritieke waarde ligt (p kleiner dan α), en formuleer de conclusie in woorden.

2Oefenopgaven

1.Statistiek voor evidence-based practiceGemiddeld
Se92%Sp70%LR− = ?

Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). Een test heeft een sensitiviteit van 92% en een specificiteit van 70%. Bepaal de negatieve likelihoodratio LR−. Rond af op twee decimalen.

Se = 92%Sp = 70%
LR− =
2.Statistiek voor evidence-based practiceMoeilijk
voortest50%natest?p′LR+

Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). Een patiënt heeft een voortestkans van 50% op een ziekte. Een test met sensitiviteit 89% en specificiteit 75% geeft een positief uitslag. Bepaal de natestkans p′ op de ziekte als percentage. Rond af op één decimaal.

voortest 50%Se = 89%Sp = 75%positief
p′ = %
3.Beschrijvende statistiekGemiddeld
2530354045505560

Bereken de steekproefstandaardafwijking s van de gegevens: 50, 25, 26, 60, 37, 41.

n = 6
s =
4.Beschrijvende statistiekMoeilijk
z −2−1012

Een grootheid is normaal verdeeld met gemiddelde 500 en standaardafwijking 60. Welk deel P van de waarden ligt boven 428?

μ = 500σ = 60x = 428
P =
5.BetrouwbaarheidsintervallenGemiddeld
μ₁ − μ₂0L = ?Ux̄₁ − x̄₂E99%

De batterijduur van twee telefoonmodellen wordt vergeleken. Model 1: 100 telefoons, gemiddelde 130,5 h, bekende standaardafwijking 9 h. Model 2: 40 telefoons, gemiddelde 139,5 h, bekende standaardafwijking 5 h. Bereken de ondergrens van het 99%-betrouwbaarheidsinterval voor μ₁ − μ₂.

n₁ = 100x̄₁ = 130,5 hσ₁ = 9 hn₂ = 40x̄₂ = 139,5 hσ₂ = 5 h99%
ondergrens = h
6.BetrouwbaarheidsintervallenMoeilijk
σ = 12, n = ?x̄ − Ex̄ + Ex̄E = 0,599%

De standaardafwijking van de populatie is 12. Hoe groot moet de steekproef n zijn zodat een 99%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde een foutmarge van hoogstens 0,5 heeft?

σ = 12E = 0,599%
n =
7.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallenGemiddeld
2,2p = ?

Van een populatie wordt beweerd dat het gemiddelde 250 is; de standaardafwijking van de populatie is bekend en is 15. Een aselecte steekproef van 100 waarnemingen heeft een gemiddelde van 253,3. Toets H₀: μ = 250 tegen H₁: μ > 250. Bereken de p-waarde p.

μ₀ = 250σ = 15n = 100x̄ = 253,3H₁: μ > μ₀
p =
8.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallenMoeilijk
σ = 4, n = ?x̄ − Ex̄ + Ex̄E = 390%

Hoe groot moet een steekproef zijn zodat het 90%-betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde een foutmarge van hoogstens 3 heeft? De standaardafwijking is 4. Bereken de kleinste steekproefomvang n.

σ = 4E = 390%
n =

3Oplossingen

1.Statistiek voor evidence-based practice

Antwoord: LR− = 0,11

Likelihoodratio’s en risicomaten: LR+ = sensitiviteit/(1 − specificiteit), LR− = (1 − sensitiviteit)/specificiteit. In een trial zijn EER en CER de gebeurtenisfrequenties met en zonder behandeling: RR = EER/CER, ARR = CER − EER, RRR = ARR/CER en NNT = 1/ARR, naar boven afgerond. In een patiënt-controleonderzoek kan alleen de odds ratio OR = ad/(bc) worden gebruikt. Een incidentiedichtheid = nieuwe gevallen/persoonstijd.

Negatieve likelihoodratio

LR− = (1 − 0,92)/0,7 = 0,1143 ≈ 0,11

Antwoord

LR− = 0,11
2.Statistiek voor evidence-based practice

Antwoord: p′ = 78,1 %

Voorspellende waarden hangen af van de prevalentie: PPV = Se·p/(Se·p + (1 − Sp)(1 − p)) en NPV = Sp(1 − p)/(Sp(1 − p) + (1 − Se)p). Met likelihoodratio’s: voortestodds = p/(1 − p), natestodds = voortestodds × LR, kans = odds/(1 + odds). Voor een populatie van N is het aantal terecht positieven = N·p·Se en het aantal onterecht positieven = N·(1 − p)·(1 − Sp). NNT = 1/(CER × RRR), naar boven afgerond.

Likelihoodratio

LR+ = 0,89/(1 − 0,75) = 3,56

Voortestodds

0,5/(1 − 0,5) = 1

Natestodds

1·3,56 = 3,56

Natestkans

p′ = 3,56/(1 + 3,56) = 0,7807 ≈ 78,1%

Antwoord

p′ = 78,1%
3.Beschrijvende statistiek

Antwoord: s = 13,64

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Gemiddelde

x̄ = 239/6 = 39,83

Gekwadrateerde afwijkingen

Σ(x − x̄)² = 10,17² + (−14,83)² + (−13,83)² + 20,17² + (−2,833)² + 1,167² = 930,8

Standaardafwijking

s = √(930,8/5) = 13,64

Antwoord

s = 13,64
4.Beschrijvende statistiek

Antwoord: P = 0,8849

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Standaardiseren

z = −1,2

Tabel standaardnormale verdeling

Φ(−1,2) = 0,1151
P = 1 − 0,1151 = 0,8849

Antwoord

P = 0,8849
5.Betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: ondergrens = −12,09 h

Interval for a difference: estimate ± critical value × standard error. For two independent means with known σ: SE = √(σ₁²/n₁ + σ₂²/n₂) and z. With equal unknown variances: pooled s_p and t with n₁ + n₂ − 2 degrees of freedom. For paired data, work with the differences: d̄ ± t·s_d/√n.

Puntschatting

x̄₁ − x̄₂ = 130,5 − 139,5 = −9

Standaardfout

SE = √(9²/100 + 5²/40) = 1,198

Foutmarge

E = 2,576·1,198 = 3,086

Interval

−9 ± 3,086 → [−12,09, −5,914]

Antwoord

ondergrens = −12,09 h

Het interval bevat 0 niet, dus de gemiddelden verschillen significant.

6.Betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: n = 3823

Betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde: x̄ ± foutmarge. Met een bekende populatie-σ is de marge z·σ/√n; heb je alleen de steekproefstandaardafwijking s, gebruik dan t met n − 1 vrijheidsgraden: t·s/√n. Kritieke waarden: z = 1,645 (90%), 1,96 (95%), 2,576 (99%). Voor een marge van E of kleiner heb je n ≥ (z·σ/E)² nodig, naar boven afgerond.

n oplossen

n = (2,576·12/0,5)² = 3822

Naar boven afronden

Een steekproefomvang is een geheel getal, en naar beneden afronden zou de marge te groot maken.

n = 3823

Antwoord

n = 3823
7.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: p = 0,0139

Hypothesis test: the test statistic = (estimate − value under H₀)/(standard error under H₀). The p-value is the probability, assuming H₀ is true, of a statistic at least as extreme as the one observed: the area in one tail for a one-sided H₁, twice the tail area for a two-sided H₁. Reject H₀ when p ≤ α.

Toetsingsgrootheid

SE = σ/√n = 15/√100 = 1,5
z = (253,3 − 250)/1,5 = 2,2

Staartoppervlakte

Φ(2,2) = 0,9861
1 − Φ(2,2) = 0,0139

p-waarde

p = 0,0139

Antwoord

p = 0,0139

p ≤ 0,05, dus H₀ wordt verworpen op het 5%-niveau.

8.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: n = 5

Toetsen van een gemiddelde: de toetsingsgrootheid meet hoeveel standaardfouten het steekproefgemiddelde van de waarde in H₀ af ligt: z = (x̄ − μ₀)/(σ/√n) als σ bekend is, t = (x̄ − μ₀)/(s/√n) als die uit de steekproef wordt geschat. Een betrouwbaarheidsinterval is x̄ ± (kritieke waarde)·(standaardfout).

n oplossen

n = (1,645·4/3)² = 4,811

Naar boven afronden

n = 5

Antwoord

n = 5

ExamProblems · examproblems.com/courses/evidence-based-practice