Oefenen voor het FE Chemical-examen: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 24 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Massabalans

Stationaire toestand
in = uit
Totaalbalans
ṁ1 + ṁ2 = ṁ3
Componentenbalans
ṁ1x1 + ṁ2x2 = ṁ3x3
Verdamper
F·xF = P·xP, W = F − P

Energiebalans

Voelbare warmte
Q = ṁ·cp·ΔT
Latente warmte
Q = ṁ·hfg
Mengen
ΣṁcpTin = ΣṁcpTout
Water
cp ≈ 4,18 kJ/(kg·K)

Ideale gaswet

Ideale gaswet
pV = nRT
Gasconstante
R = 8,314 J/(mol·K)
Algemene gaswet
p1V1/T1 = p2V2/T2
Mol
n = m/M
Temperatuur
T[K] = T[°C] + 273,15

Stoichiometrie

Mol
n = m/M
Concentratie
c = n/V
Molverhouding
gebruik de coëfficiënten van de kloppende reactievergelijking
Beperkende reactant
degene die het eerst op is
Rendement
werkelijk / theoretisch × 100%

Methode

  1. Schrijf de reactievergelijking op en maak hem kloppend.
  2. Reken de gegeven massa om naar mol: n = m/M.
  3. Gebruik de coëfficiënten als molverhouding om de mol van de gezochte stof te vinden.
  4. Reken terug naar massa met m = n·M. Bepaal bij twee reactanten eerst de beperkende reactant.

Chemisch evenwicht

Evenwichtsconstante
Kc = [C]c[D]d/([A]a[B]b)
ICE-tabel
Begin, Verandering (×coëfficiënt), Evenwicht
Vierkantsvergelijking
x = (−b + √(b² − 4ac))/(2a)

Methode

  1. Schrijf Kc als producten gedeeld door reactanten, elk tot de macht van zijn coëfficiënt.
  2. Maak een BOE-tabel (ICE): Begin, Omzetting (in stappen van x maal de coëfficiënten), Evenwicht.
  3. Vul de evenwichtsuitdrukkingen in Kc in en los op naar x.
  4. Controleer of x klein genoeg is voor een benadering; los anders de vierkantsvergelijking op.

Calorimetrie en enthalpie

Warmte
q = m·c·ΔT
Water
c = 4,18 J/(g·°C)
Calorimeter
afgestane warmte = opgenomen warmte
Reactie-enthalpie
ΔH° = ΣΔH°f(products) − ΣΔH°f(reactants)

Reactiekinetiek

Eerste orde
ln(CA/CA0) = −kt
Halveringstijd (eerste orde)
t½ = ln 2/k
Tweede orde
1/CA = 1/CA0 + kt
Arrhenius
k = A·e−Ea/(RT)
Twee temperaturen
ln(k2/k1) = (Ea/R)(1/T1 − 1/T2)

Reactordimensionering (CSTR en PFR)

Verblijftijd
τ = V/Q
CSTR, eerste orde
τ = X/(k·(1 − X)), CA = CA0/(1 + kτ)
PFR, eerste orde
τ = ln(1/(1 − X))/k, CA = CA0·e−kτ
Conversie uit het volume
CSTR: X = kτ/(1 + kτ), PFR: X = 1 − e−kτ
N gelijke CSTR’s in serie
X = 1 − 1/(1 + kτi)N

Warmtewisselaars (LMTD)

Warmtevermogen
Q = U·A·ΔTlm
Logaritmisch gemiddeld temperatuurverschil
ΔTlm = (ΔT1 − ΔT2)/ln(ΔT1/ΔT2)
Balans van een stroom
Q = ṁcp(Tin − Tout)

Warmtegeleiding

Wet van Fourier
Q̇ = kAΔT/L
Geleidingsweerstand
R = L/(kA)
Convectieweerstand
R = 1/(hA)
Weerstanden in serie
Q̇ = ΔTtotal/ΣR
U-waarde
U = 1/(ΣR·A)

Leidingwrijving en drukhoogteverlies

Getal van Reynolds
Re = V·D/ν = ρ·V·D/μ
Stromingsregime
laminair onder Re ≈ 2000, turbulent boven Re ≈ 4000
Gemiddelde snelheid
V = Q/A, A = π·D²/4
Darcy–Weisbach
hf = f·(L/D)·V²/(2g)
Plaatselijke verliezen
hm = ΣK·V²/(2g)
Gangbare K-waarden
intrede 0,5, uittrede 1,0, bocht van 90° ≈ 0,3
Drukval
Δp = ρ·g·hf
Twee open reservoirs
Δz = (f·L/D + ΣK)·V²/(2g)
Vrije uitstroming
H = (1 + f·L/D + ΣK)·V²/(2g)

Pompen en pompvermogen

Hydraulisch vermogen
Ph = ρ·g·Q·H = Q·Δp
Asvermogen
Pshaft = Ph/ηpump
Elektrisch vermogen
Pel = Pshaft/ηmotor
Opvoerhoogte van de pomp
H = Δz + Δp/(ρ·g) + hL
Systeemverliezen
hL = (f·L/D + ΣK)·V²/(2g)

2Oefenopgaven

1.MassabalansGemiddeld
MengerStroom 1750 kg/h · 40% zoutStroom 2ṁ₂ = ? · 10% zoutProduct35% zout

Hoeveel van stroom 2 moet er per uur aan stroom 1 worden toegevoegd zodat het mengsel 35% zout bevat? Vind ṁ2.

ṁ1 = 750 kg/hx1 = 40 %x2 = 10 %x3 = 35 %
ṁ2 = kg/h
2.MassabalansMoeilijk
VerdamperVoeding F4100 kg/h · 15% suikerProduct P60% suikerDamp W (zuiver water)W = ? kg/h

Een verdamper concentreert een suikeroplossing door zuiver water te verdampen. Vind het verdampte water W in kg/h.

F = 4100 kg/hxF = 15 %xP = 60 %
W = kg/h
3.EnergiebalansGemiddeld
warme kantkoude kantlichte olie · 180 °C100 °Cwater · 20 °Ct = ? °C

Warme lichte olie koelt water in een tegenstroomwarmtewisselaar zonder warmteverlies. Vind de uittredetemperatuur van het water tout.

ṁh = 3 kg/scp,h = 2,1 kJ/(kg·K)Th: 180 → 100 °Cṁc = 1,5 kg/scp,c = 4,18 kJ/(kg·K)tin = 20 °C
tout = °C
4.EnergiebalansMoeilijk
warme kantkoude kantlichte olie · 120 °C80 °Cwater · 20 °C75 °C · ṁ = ?15% verlies

Warme lichte olie verwarmt water in een warmtewisselaar die 15% van de door de warme stroom afgegeven warmte aan de omgeving verliest. Vind het benodigde waterdebiet ṁc.

ṁh = 1 kg/scp,h = 2,1 kJ/(kg·K)Th: 120 → 80 °Ct: 20 → 75 °Ccp,c = 4,18 kJ/(kg·K)verlies = 15 %
ṁc = kg/s
5.Ideale gaswetGemiddeld
60 g O₂V = 5 LT = 25 °CP = ?

Een tank van 5 L bevat 60 g O₂ bij 25 °C. Behandel het als een ideaal gas en vind de druk P.

m = 60 gM = 32 g/molV = 5 LT = 25 °CR = 8,314 J/(mol·K)
P = kPa
6.Ideale gaswetMoeilijk
Ar, M = 39,95 g/molP = 150 kPaT = 120 °Cρ = ?

Vind de dichtheid ρ van Ar bij 150 kPa en 120 °C, als ideaal gas.

M = 39,95 g/molP = 150 kPaT = 120 °CR = 8,314 J/(mol·K)
ρ = kg/m³
7.StoichiometrieGemiddeld
m(X)n(X)n(NaCl)m(NaCl)÷ M(X)× 2/ν× M(NaCl)

16 g Na en 48 g Cl2 reageren volgens 2Na + Cl2 → 2NaCl. Hoeveel massa m NaCl kan er ontstaan?

M(Na) = 22,99M(Cl2) = 70,9M(NaCl) = 58,44 g/mol
m = g
8.StoichiometrieMoeilijk
m(C3​H8​)n(C3​H8​)n(CO2​)m(CO2​)÷ M(C3​H8​)× 3/1× M(CO2​)

Bij de reactie C3H8 + 5O2 → 3CO2 + 4H2O reageert 20 g C3H8 volledig (de andere beginstoffen in overmaat) en wordt 32,93 g CO2 opgevangen. Bereken het rendement Y.

M(C3H8) = 44,1 g/molM(CO2) = 44,01 g/molwerkelijk: 32,93 g
Y = %
9.Chemisch evenwichtGemiddeld
H2​I2​HII0,80,80C−x−x+2xE0,8 − x0,8 − x2x

0,8 mol/L H₂ en 0,8 mol/L I₂ worden in een vat gebracht en reageren: H₂ + I₂ ⇌ 2HI, met Kc = 25. Bereken de evenwichtsconcentratie [H2].

[H₂]₀ = [I₂]₀ = 0,8 mol/LKc = 25
[H2] = mol/L
10.Chemisch evenwichtMoeilijk
PCl5​PCl3​Cl2​I0,800C−x+x+xE0,8 − xxx

PCl₅ ontleedt: PCl₅ ⇌ PCl₃ + Cl₂, met Kc = 0,02 bij de reactietemperatuur. Een vat bevat aan het begin alleen 0,8 mol/L PCl₅. Bereken de evenwichtsconcentratie [PCl5].

[PCl₅]₀ = 0,8 mol/LKc = 0,02
[PCl5] = mol/L
11.Calorimetrie en enthalpieGemiddeld
Tf​ = ?Aluminiumm = 75 gT = 190 °Cc = 0,897 J/(g·°C)Waterm = 150 gT = 21 °Cc = 4,18 J/(g·°C)

Een blok aluminium van 75 g (c = 0,897 J/(g·°C)) met een temperatuur van 190 °C wordt in een geïsoleerde beker met 150 g water (c = 4,18 J/(g·°C)) van 21 °C gelegd. Bereken de eindtemperatuur Tf.

mmetal = 75 gcmetal = 0,897 J/(g·°C)Tmetal = 190 °Cmwater = 150 gTwater = 21 °Ccwater = 4,18 J/(g·°C)
Tf = °C
12.Calorimetrie en enthalpieMoeilijk
H2C2​H6​ + 7O₂beginstoffen4CO₂ + 6H₂O(l)productenΔH° = ?

Gebruik de standaardvormingsenthalpieën om ΔH° te berekenen voor de reactie 2C2H6 + 7O₂ → 4CO₂ + 6H₂O(l).

ΔH°f(C2H6) = −84,7 kJ/molΔH°f(CO₂) = −393,5 kJ/molΔH°f(H₂O, l) = −285,8 kJ/molΔH°f(O₂) = 0
ΔH° = kJ
13.ReactiekinetiekGemiddeld
t (min)C (mol/L)10 min0,4

In een eerste-orde reactie daalt de concentratie van A van 0,8 mol/L naar 0,4 mol/L in 10 min. Vind de snelheidsconstante k.

CA0 = 0,8 mol/LCA = 0,4 mol/Lt = 10 min
k = min⁻¹
14.ReactiekinetiekMoeilijk
Tk40 °C0,0255 °C0,0481

De snelheidsconstante van een reactie is 0,02 min⁻¹ bij 40 °C en 0,0481 min⁻¹ bij 55 °C. Vind de activeringsenergie Ea.

k1 = 0,02 min⁻¹T1 = 40 °Ck2 = 0,0481 min⁻¹T2 = 55 °CR = 8,314 J/(mol·K)
Ea = kJ/mol
15.Reactordimensionering (CSTR en PFR)Gemiddeld
Q = 100 L/minX = 70%V = ?, k = 0,1 min⁻¹

Een eerste-orde vloeistoffasereactie A → B met k = 0,1 min⁻¹ wordt uitgevoerd in een propstroomreactor (PFR) met een voeding van 100 L/min. De dichtheid is constant en de reactor is in stationaire toestand. Vind het reactorvolume V in liter voor 70% conversie van A.

Q = 100 L/mink = 0,1 min⁻¹X = 70%
V = L
16.Reactordimensionering (CSTR en PFR)Moeilijk
Q = 20 L/minX = ?V = 800 L

Een eerste-orde vloeistoffasereactie (k = 0,08 min⁻¹) verloopt in een propstroomreactor (PFR) van 800 L met een voeding van 20 L/min. De dichtheid is constant en de reactor is in stationaire toestand. Vind de conversie X in procent.

V = 800 LQ = 20 L/mink = 0,08 min⁻¹
X = %
17.Warmtewisselaars (LMTD)Gemiddeld
lengteT115 °C70 °C75 °C20 °CΔT₁ΔT₂tegenstroom

Een tegenstroomwarmtewisselaar draagt 60 kW over. De warme vloeistof koelt af van 115 tot 70 °C en de koude vloeistof warmt op van 20 tot 75 °C. De warmtedoorgangscoëfficiënt is 1000 W/(m²·K). Vind het benodigde warmtewisselend oppervlak A.

Q̇ = 60 kWU = 1000 W/(m²·K)Th: 115 → 70 °CTc: 20 → 75 °C
A = m²
18.Warmtewisselaars (LMTD)Moeilijk
lengteT85 °C40 °C35,07 °C20 °CΔT₁ΔT₂tegenstroom

Warme olie (2 kg/s, cp = 2,1 kJ/(kg·K)) koelt af van 85 tot 40 °C in een tegenstroomwarmtewisselaar. Ze verwarmt 3 kg/s water (cp = 4,18 kJ/(kg·K)) dat binnenkomt op 20 °C. Met U = 800 W/(m²·K), vind het benodigde warmtewisselend oppervlak A.

ṁh = 2 kg/scp,h = 2,1 kJ/(kg·K)Th: 85 → 40 °Cṁc = 3 kg/scp,c = 4,18 kJ/(kg·K)Tc,in = 20 °CU = 800 W/(m²·K)
A = m²
19.WarmtegeleidingGemiddeld
Minerale wol, k = 0,04250 mmGlas, k = 0,96150 mm21 °C0 °CQ̇ = ?

Een wand bestaat uit 250 mm minerale wol en 150 mm glas, met een oppervlak van 15 m². De buitenzijden zijn 21 °C en 0 °C. Vind de warmtestroom Q̇ door de wand.

L1 = 250 mm, k1 = 0,04 W/(m·K)L2 = 150 mm, k2 = 0,96 W/(m·K)A = 15 m²T1 = 21 °CT3 = 0 °C
Q̇ = W
20.WarmtegeleidingMoeilijk
Beton, k = 1,4150 mmGlas, k = 0,9675 mmkamer 21 °Cbuiten 0 °CQ̇ = ?

Een wand van 150 mm beton en 75 mm glas scheidt een kamer van 21 °C van de buitenlucht van 0 °C. De warmteoverdrachtscoëfficiënten zijn 6 W/(m²·K) binnen en 25 W/(m²·K) buiten, en het wandoppervlak is 20 m². Vind het warmteverlies Q̇ door de wand.

L1 = 150 mm, k1 = 1,4 W/(m·K)L2 = 75 mm, k2 = 0,96 W/(m·K)A = 20 m²hi = 6 W/(m²·K)ho = 25 W/(m²·K)Troom = 21 °CTout = 0 °C
Q̇ = W
21.Leidingwrijving en drukhoogteverliesGemiddeld
Q = 25 L/sD = 200 mmL = 100 mf = 0,03

Water stroomt met 25 L/s door een leiding van 100 m lang met een binnendiameter van 200 mm. Gebruik de Darcy-wrijvingsfactor f = 0,03 en g = 9,81 m/s². Vind het wrijvingsverlies hf.

Q = 25 L/sL = 100 mD = 200 mmf = 0,03g = 9,81 m/s²
hf = m
22.Leidingwrijving en drukhoogteverliesMoeilijk
K = 2Δz = ?L = 150 m, D = 250 mm, f = 0,0152× bocht (K = 0,3)

Twee open reservoirs zijn verbonden door een leiding van 150 m lang met een binnendiameter van 250 mm en een Darcy-wrijvingsfactor f = 0,015. De plaatselijke verliezen zijn een scherpe intrede (K = 0,5), 2 bochten (K = 0,3 per stuk), een afsluiter (K = 2) en de uittrede in het lagere reservoir (K = 1,0). Gebruik g = 9,81 m/s². Welk niveauverschil Δz tussen de reservoirs geeft een debiet van 75 L/s?

Q = 75 L/sL = 150 mD = 250 mmf = 0,015Kentrance = 0,5Kbend = 0,3 (×2)Kvalve = 2Kexit = 1,0
Δz = m
23.Pompen en pompvermogenGemiddeld
PQ = 10 L/sH = 36 m

Een pomp levert 10 L/s water (ρ = 1000 kg/m³) tegen een opvoerhoogte van 36 m. Het pomprendement is 60% en de elektromotor die de pomp aandrijft heeft een rendement van 88%. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind het elektrisch vermogen Pel dat de motor opneemt, in kW.

Q = 10 L/sH = 36 mηpump = 60%ηmotor = 88%g = 9,81 m/s²
Pel = kW
24.Pompen en pompvermogenMoeilijk
PQ = 40 L/sΔz = 13 mL = 100 m, D = 150 mm, f = 0,018, ΣK = 4

Een pomp verplaatst 40 L/s water (ρ = 1000 kg/m³) van een open lager reservoir naar een hoger gelegen tank waarvan het wateroppervlak 13 m hoger ligt. De leiding is 100 m lang met een binnendiameter van 150 mm en een Darcy-wrijvingsfactor f = 0,018; de coëfficiënten voor plaatselijke verliezen tellen op tot ΣK = 4 (intrede en uittrede inbegrepen). Gebruik g = 9,81 m/s². Het pomprendement is 70%. Vind het asvermogen Pshaft in kW.

Q = 40 L/sΔz = 13 mL = 100 mD = 150 mmf = 0,018ΣK = 4η = 70%
Pshaft = kW

3Oplossingen

1.Massabalans

Antwoord: ṁ2 = 150 kg/h

Stationaire massabalans: in = uit voor het totaal en voor elke component. Mengproblemen combineren beide.

Balansen

Total: ṁ3 = ṁ1 + ṁ2
zout: ṁ1x1 + ṁ2x2 = (ṁ1 + ṁ2)x3

Los op naar ṁ2

ṁ2 = ṁ1(x1 − x3)/(x3 − x2) = 750·(40 − 35)/(35 − 10) = 150 kg/h

Antwoord

ṁ2 = 150 kg/h
2.Massabalans

Antwoord: W = 3075 kg/h

Sleutelcomponent: een component die onveranderd in één stroom meegaat (hier de opgeloste stof) koppelt de debieten direct. De totaalbalans geeft dan de rest.

Balans van de opgeloste stof

F·xF = P·xP → P = 4100·15/60 = 1025 kg/h

Totaalbalans

W = F − P = 4100 − 1025 = 3075 kg/h

Antwoord

W = 3075 kg/h
3.Energiebalans

Antwoord: tout = 100,4 °C

Energiebalans van de warmtewisselaar: zonder verliezen geldt ṁhcp,h(Th,in − Th,out) = ṁccp,c(tout − tin).

Warmte afgegeven door de warme stroom

Q = 3·2,1·(180 − 100) = 504 kW

Warmte opgenomen door het water

tout = tin + Q/(ṁccp,c) = 20 + 504/(1,5·4,18) = 100,4 °C

Antwoord

tout = 100,4 °C
4.Energiebalans

Antwoord: ṁc = 0,3106 kg/s

Energiebalans met verliezen: afgegeven warmte = opgenomen warmte + verloren warmte.

Afgegeven warmte

Qh = 1·2,1·(120 − 80) = 84 kW

Warmte die het water bereikt

Qc = (1 − 0,15)·84 = 71,4 kW

Waterdebiet

ṁc = Qc/(cp,c·Δt) = 71,4/(4,18·55) = 0,3106 kg/s

Antwoord

ṁc = 0,3106 kg/s
5.Ideale gaswet

Antwoord: P = 929,6 kPa

Ideale gaswet: PV = nRT, met n = m/M.

Mol

n = m/M = 60/32 = 1,875 mol
T = 25 + 273,15 = 298,1 K

Druk

P = nRT/V = 1,875·8,314·298,1/0,005 = 929,6 kPa

Antwoord

P = 929,6 kPa
6.Ideale gaswet

Antwoord: ρ = 1,833 kg/m³

Dichtheid van een ideaal gas: ρ = PM/(RT).

Herschrijf de gaswet

PV = (m/M)RT → ρ = m/V = PM/(RT)
T = 120 + 273,15 = 393,1 K

Dichtheid

ρ = 150·39,95/(8,314·393,1) = 1,833 kg/m³

Antwoord

ρ = 1,833 kg/m³
7.Stoichiometrie

Antwoord: m = 40,67 g

Stoichiometrie: een kloppende reactievergelijking telt deeltjes, geen grammen. Reken massa om naar mol met n = m/M, gebruik de coëfficiënten als molverhouding en reken terug met m = n·M. Bij twee beginstoffen is de beperkende reactant de stof die het eerst op is en bepaalt hoeveel product ontstaat.

Mol van elke beginstof

n(Na) = 16/22,99 = 0,696 mol
n(Cl2) = 48/70,9 = 0,677 mol

Beperkende reactant

0,696/2 = 0,348, 0,677/1 = 0,677 → Na

Massa product

n(NaCl) = 0,348·2 = 0,696 mol
m = 0,696·58,44 = 40,67 g

Antwoord

m = 40,67 g
8.Stoichiometrie

Antwoord: Y = 55 %

Stoichiometrie: een kloppende reactievergelijking telt deeltjes, geen grammen. Reken massa om naar mol met n = m/M, gebruik de coëfficiënten als molverhouding en reken terug met m = n·M. Bij twee beginstoffen is de beperkende reactant de stof die het eerst op is en bepaalt hoeveel product ontstaat.

Theoretische opbrengst

n(C3H8) = 20/44,1 = 0,4535 mol
m = 0,4535·3/1·44,01 = 59,88 g

Rendement

Y = 32,93/59,88·100 = 55%

Antwoord

Y = 55%
9.Chemisch evenwicht

Antwoord: [H2] = 0,2286 mol/L

Chemisch evenwicht: voor aA + bB ⇌ cC + dD is de evenwichtsconstante Kc = [C]c[D]d/([A]a[B]b), met de concentraties bij evenwicht. Een ICE-tabel (Begin, Verandering, Evenwicht) koppelt de beginhoeveelheden aan de evenwichtshoeveelheden via één onbekende x, vermenigvuldigd met de coëfficiënten.

Evenwichtsvoorwaarde

25 = (2x)²/(0,8 − x)²

Neem de wortel

5 = 2x/(0,8 − x) → x = 0,8·5/(2 + 5) = 0,5714 mol/L

Evenwichtsconcentratie

[H₂] = 0,8 − x = 0,2286 mol/L

Antwoord

[H2] = 0,2286 mol/L
10.Chemisch evenwicht

Antwoord: [PCl5] = 0,6831 mol/L

Chemisch evenwicht: voor aA + bB ⇌ cC + dD is de evenwichtsconstante Kc = [C]c[D]d/([A]a[B]b), met de concentraties bij evenwicht. Een ICE-tabel (Begin, Verandering, Evenwicht) koppelt de beginhoeveelheden aan de evenwichtshoeveelheden via één onbekende x, vermenigvuldigd met de coëfficiënten.

Evenwichtsvoorwaarde

0,02 = x²/(0,8 − x) → x² + 0,02·x − 0,016 = 0

Los de vierkantsvergelijking op

x = (−0,02 + √(0,02² + 4·0,016))/2 = 0,1169 mol/L

Evenwichtsconcentratie

[PCl₅] = 0,8 − 0,1169 = 0,6831 mol/L

Antwoord

[PCl5] = 0,6831 mol/L
11.Calorimetrie en enthalpie

Antwoord: Tf = 37,38 °C

Warmte en enthalpie: om een stof te verwarmen is q = m·c·ΔT nodig. In een calorimeter is de warmte die het warme voorwerp afstaat gelijk aan de warmte die het koude opneemt. De enthalpieverandering van een reactie volgt uit de vormingsenthalpieën: ΔH° = ΣΔH°f(producten) − ΣΔH°f(beginstoffen), elk vermenigvuldigd met de coëfficiënt.

Warmtebalans

75·0,897·(190 − Tf) = 150·4,18·(Tf − 21)

Los de eindtemperatuur op

Tf = (67,28·190 + 627·21)/(67,28 + 627) = 37,38 °C

Antwoord

Tf = 37,38 °C
12.Calorimetrie en enthalpie

Antwoord: ΔH° = −3119 kJ

Warmte en enthalpie: om een stof te verwarmen is q = m·c·ΔT nodig. In een calorimeter is de warmte die het warme voorwerp afstaat gelijk aan de warmte die het koude opneemt. De enthalpieverandering van een reactie volgt uit de vormingsenthalpieën: ΔH° = ΣΔH°f(producten) − ΣΔH°f(beginstoffen), elk vermenigvuldigd met de coëfficiënt.

Reactie-enthalpie

ΔH° = [4·(−393,5) + 6·(−285,8)] − [2·(−84,7) + 7·0] = −3119 kJ

Antwoord

ΔH° = −3119 kJ

Negatief: de reactie staat warmte af (exotherm).

13.Reactiekinetiek

Antwoord: k = 0,06931 min⁻¹

Integrated rate laws: zero order: C = C₀ − kt (straight line, t½ = C₀/(2k)); first order: ln(C₀/C) = kt (t½ = ln 2/k); second order: 1/C − 1/C₀ = kt (t½ = 1/(kC₀)). Conversion X means C = C₀(1 − X).

Geïntegreerde eerste-orde wet

k = ln(CA0/CA)/t = ln(0,8/0,4)/10 = 0,6931/10 = 0,06931 min⁻¹

Antwoord

k = 0,06931 min⁻¹
14.Reactiekinetiek

Antwoord: Ea = 49,98 kJ/mol

Reactiesnelheden: voor een eerste-orde reactie geldt −dC/dt = kC, dus C = C₀·e−kt en de halveringstijd ln 2/k hangt niet af van de concentratie. Voor een tweede-orde reactie geldt 1/C = 1/C₀ + kt. De snelheidsconstante stijgt met de temperatuur volgens Arrhenius: k = A·e−Ea/(RT).

Absolute temperaturen

T1 = 313,1 K, T2 = 328,1 K

Los Arrhenius op naar Ea

Ea = −R·ln(k2/k1)/(1/T2 − 1/T1) = −8,314·0,8775/(-1,460e-4) = 49982 J/mol
Ea = 49,98 kJ/mol

Antwoord

Ea = 49,98 kJ/mol
15.Reactordimensionering (CSTR en PFR)

Antwoord: V = 1204 L

Ideale reactoren, eerste-orde reactie (−rA = k·CA) in stationaire toestand, met verblijftijd τ = V/Q. Een CSTR is ideaal gemengd, dus het hele volume reageert bij de lage uitlaatconcentratie: τ = X/(k·(1 − X)) en CA = CA0/(1 + k·τ). In een PFR reageert elk plakje vloeistof als een kleine batchreactor: τ = ln(1/(1 − X))/k en CA = CA0·e−k·τ. Voor dezelfde conversie heeft een CSTR altijd meer volume nodig dan een PFR.

Verblijftijd

τ = ln(1/(1 − 0,7))/0,1 = 1,204/0,1 = 12,04 min

Volume

V = Q·τ = 100·12,04 = 1204 L

Antwoord

V = 1204 L
16.Reactordimensionering (CSTR en PFR)

Antwoord: X = 95,92 %

Ideale reactoren, eerste-orde reactie (−rA = k·CA) in stationaire toestand, met verblijftijd τ = V/Q. Een CSTR is ideaal gemengd, dus het hele volume reageert bij de lage uitlaatconcentratie: τ = X/(k·(1 − X)) en CA = CA0/(1 + k·τ). In een PFR reageert elk plakje vloeistof als een kleine batchreactor: τ = ln(1/(1 − X))/k en CA = CA0·e−k·τ. Voor dezelfde conversie heeft een CSTR altijd meer volume nodig dan een PFR.

Verblijftijd

τ = V/Q = 800/20 = 40 min, kτ = 0,08·40 = 3,2

Conversie

X = 1 − e−kτ = 1 − e−3,2 = 95,92%

Antwoord

X = 95,92%
17.Warmtewisselaars (LMTD)

Antwoord: A = 1,339 m²

LMTD-methode: het temperatuurverschil tussen de stromen verandert langs de warmtewisselaar, dus de overdrachtsvergelijking gebruikt het logaritmisch gemiddelde: Q̇ = U·A·ΔTlm, met ΔTlm = (ΔT₁ − ΔT₂)/ln(ΔT₁/ΔT₂), waarbij ΔT₁ en ΔT₂ de verschillen aan beide uiteinden zijn. Tegenstroom geeft een grotere ΔTlm dan meestroom bij dezelfde in- en uittredetemperaturen.

Temperatuurverschillen aan de uiteinden

Bij tegenstroom ligt de warme ingang tegenover de koude uitgang, en de warme uitgang tegenover de koude ingang.

ΔT₁ = Th,in − Tc,out = 115 − 75 = 40 K
ΔT₂ = Th,out − Tc,in = 70 − 20 = 50 K

Logaritmisch gemiddeld temperatuurverschil

ΔTlm = (ΔT₁ − ΔT₂)/ln(ΔT₁/ΔT₂) = (40 − 50)/ln(40/50) = 44,81 K

Oppervlak

A = Q̇/(U·ΔTlm) = 60000/(1000·44,81) = 1,339 m²

Antwoord

A = 1,339 m²
18.Warmtewisselaars (LMTD)

Antwoord: A = 7,222 m²

LMTD-methode: het temperatuurverschil tussen de stromen verandert langs de warmtewisselaar, dus de overdrachtsvergelijking gebruikt het logaritmisch gemiddelde: Q̇ = U·A·ΔTlm, met ΔTlm = (ΔT₁ − ΔT₂)/ln(ΔT₁/ΔT₂), waarbij ΔT₁ en ΔT₂ de verschillen aan beide uiteinden zijn. Tegenstroom geeft een grotere ΔTlm dan meestroom bij dezelfde in- en uittredetemperaturen.

Warmtevermogen en uittredetemperatuur van het water

Q̇ = ṁhcp,h(Th,in − Th,out) = 2·2,1·45 = 189 kW
Tc,out = 20 + 189/(3·4,18) = 35,07 °C

Temperatuurverschillen aan de uiteinden

Bij tegenstroom ligt de warme ingang tegenover de koude uitgang, en de warme uitgang tegenover de koude ingang.

ΔT₁ = Th,in − Tc,out = 85 − 35,07 = 49,93 K
ΔT₂ = Th,out − Tc,in = 40 − 20 = 20 K

Logaritmisch gemiddeld temperatuurverschil

ΔTlm = (ΔT₁ − ΔT₂)/ln(ΔT₁/ΔT₂) = (49,93 − 20)/ln(49,93/20) = 32,71 K

Oppervlak

A = Q̇/(U·ΔTlm) = 189000/(800·32,71) = 7,222 m²

Antwoord

A = 7,222 m²
19.Warmtegeleiding

Antwoord: Q̇ = 49,17 W

Warmteweerstand: stationaire warmtestroom door lagen in serie gedraagt zich als stroom door weerstanden in serie: Q̇ = ΔT/ΣR, met R = L/(kA) voor een geleidende laag en R = 1/(hA) voor een oppervlak met convectie. Het temperatuurverschil over elke laag is evenredig met haar weerstand.

Weerstanden van de lagen

R1 = L1/(k1A) = (250/1000)/(0,04·15) = 0,4167 K/W
R2 = L2/(k2A) = (150/1000)/(0,96·15) = 0,01042 K/W

Warmtestroom

Q̇ = (T1 − T3)/(R1 + R2) = 21/0,4271 = 49,17 W

Antwoord

Q̇ = 49,17 W
20.Warmtegeleiding

Antwoord: Q̇ = 1072 W

Warmteweerstand: stationaire warmtestroom door lagen in serie gedraagt zich als stroom door weerstanden in serie: Q̇ = ΔT/ΣR, met R = L/(kA) voor een geleidende laag en R = 1/(hA) voor een oppervlak met convectie. Het temperatuurverschil over elke laag is evenredig met haar weerstand.

Weerstanden in serie

Ri = 1/(hiA) = 1/(6·20) = 0,008333 K/W
R1 = L1/(k1A) = (150/1000)/(1,4·20) = 0,005357 K/W
R2 = L2/(k2A) = (75/1000)/(0,96·20) = 0,003906 K/W
Ro = 1/(hoA) = 1/(25·20) = 0,002 K/W
ΣR = 0,0196 K/W

Warmteverlies

Q̇ = (21 − (0))/0,0196 = 1072 W

Antwoord

Q̇ = 1072 W
21.Leidingwrijving en drukhoogteverlies

Antwoord: hf = 0,4841 m

Leidingstroming: het getal van Reynolds Re = V·D/ν = ρ·V·D/μ onderscheidt laminaire stroming (Re onder ongeveer 2000) van turbulente stroming (boven ongeveer 4000). Wrijving langs een leiding kost het drukhoogteverlies volgens Darcy–Weisbach hf = f·(L/D)·V²/(2g). Hulpstukken, afsluiters, de intrede en de uittrede geven plaatselijke verliezen hm = ΣK·V²/(2g). Tussen twee open reservoiroppervlakken geeft de energievergelijking Δz = hf + hm, inclusief het uittredeverlies K = 1.

Gemiddelde snelheid

A = π·0,2²/4 = 0,03142 m²
V = Q/A = 0,025/0,03142 = 0,7958 m/s

Snelheidshoogte

V²/(2g) = 0,7958²/(2·9,81) = 0,03228 m

Darcy–Weisbach

hf = f·(L/D)·V²/(2g) = 0,03·(100/0,2)·0,7958²/(2·9,81) = 0,4841 m

Antwoord

hf = 0,4841 m
22.Leidingwrijving en drukhoogteverlies

Antwoord: Δz = 1,559 m

Leidingstroming: het getal van Reynolds Re = V·D/ν = ρ·V·D/μ onderscheidt laminaire stroming (Re onder ongeveer 2000) van turbulente stroming (boven ongeveer 4000). Wrijving langs een leiding kost het drukhoogteverlies volgens Darcy–Weisbach hf = f·(L/D)·V²/(2g). Hulpstukken, afsluiters, de intrede en de uittrede geven plaatselijke verliezen hm = ΣK·V²/(2g). Tussen twee open reservoiroppervlakken geeft de energievergelijking Δz = hf + hm, inclusief het uittredeverlies K = 1.

Snelheid

V = Q/A = 0,075/0,04909 = 1,528 m/s
V²/(2g) = 0,119 m

Verliescoëfficiënten

f·L/D = 0,015·150/0,25 = 9
ΣK = 0,5 + 2·0,3 + 2 + 1,0 = 4,1

Totaal drukhoogteverlies

hf = 9·0,119 = 1,071 m
hm = 4,1·0,119 = 0,4878 m
Δz = hf + hm = 1,559 m

Antwoord

Δz = 1,559 m
23.Pompen en pompvermogen

Antwoord: Pel = 6,689 kW

Pompvermogen: het vermogen dat aan het water wordt gegeven is het hydraulisch vermogen Ph = ρ·g·Q·H = Q·Δp. De as moet meer leveren omdat de pomp verliezen heeft: Pshaft = Ph/ηpump, en de motor neemt Pel = Pshaft/ηmotor op. De opvoerhoogte H volgt uit de energievergelijking: statische opvoerhoogte + drukhoogte + alle wrijvings- en plaatselijke verliezen.

Hydraulisch vermogen

Ph = ρ·g·Q·H = 1000·9,81·0,01·36 = 3,532 kW

Asvermogen

Pshaft = 3,532/0,6 = 5,886 kW

Elektrisch vermogen

Pel = 5,886/0,88 = 6,689 kW

Antwoord

Pel = 6,689 kW
24.Pompen en pompvermogen

Antwoord: Pshaft = 9,63 kW

Pompvermogen: het vermogen dat aan het water wordt gegeven is het hydraulisch vermogen Ph = ρ·g·Q·H = Q·Δp. De as moet meer leveren omdat de pomp verliezen heeft: Pshaft = Ph/ηpump, en de motor neemt Pel = Pshaft/ηmotor op. De opvoerhoogte H volgt uit de energievergelijking: statische opvoerhoogte + drukhoogte + alle wrijvings- en plaatselijke verliezen.

Snelheid

V = Q/A = 0,04/0,01767 = 2,264 m/s
V²/(2g) = 0,2611 m

Drukhoogteverliezen

hL = (f·L/D + ΣK)·V²/(2g) = (12 + 4)·0,2611 = 4,178 m

Opvoerhoogte van de pomp

H = Δz + hL = 13 + 4,178 = 17,18 m

Asvermogen

Pshaft = ρ·g·Q·H/η = 1000·9,81·0,04·17,18/0,7 = 9,63 kW

Antwoord

Pshaft = 9,63 kW

Dit is onafhankelijk oefenmateriaal. ExamProblems is niet verbonden aan of goedgekeurd door de organisatie die dit examen afneemt, en de naam van het examen wordt alleen gebruikt om de inhoud te beschrijven. Het FE exam wordt afgenomen door NCEES, dat niet verbonden is aan ExamProblems en het niet onderschrijft.

ExamProblems · examproblems.com/courses/fe-exam-chemical