Bij de reactie Fe2O3 + 3CO → 2Fe + 3CO2 reageert 20 g Fe2O3 volledig (de andere beginstoffen in overmaat) en wordt 13,56 g CO2 opgevangen. Bereken het rendement Y.
M(Fe2O3) = 159,69 g/molM(CO2) = 44,01 g/molwerkelijk: 13,56 g
Y = %
3.Molariteit en verdunningGemiddeld
Je hebt 1000 mL van een 0,4 mol/L oplossing nodig en hebt een stamoplossing van 2,5 mol/L. Hoeveel water Vwater voeg je toe aan de stamoplossing?
c1 = 2,5 mol/Lc2 = 0,4 mol/LV2 = 1000 mL
Vwater = mL
4.Molariteit en verdunningMoeilijk
200 mL van een 1,5 mol/L oplossing wordt gemengd met 400 mL van een 2,5 mol/L oplossing van dezelfde stof. Bereken de concentratie c van het mengsel (de volumes zijn additief).
Een blok aluminium van 75 g (c = 0,897 J/(g·°C)) met een temperatuur van 160 °C wordt in een geïsoleerde beker met 300 g water (c = 4,18 J/(g·°C)) van 16 °C gelegd. Bereken de eindtemperatuur Tf.
0,1 mol/L H₂ en 0,1 mol/L I₂ worden in een vat gebracht en reageren: H₂ + I₂ ⇌ 2HI, met Kc = 54. Bereken de evenwichtsconcentratie [H2].
[H₂]₀ = [I₂]₀ = 0,1 mol/LKc = 54
[H2] = mol/L
10.Chemisch evenwichtMoeilijk
PCl₅ ontleedt: PCl₅ ⇌ PCl₃ + Cl₂, met Kc = 0,04 bij de reactietemperatuur. Een vat bevat aan het begin alleen 0,5 mol/L PCl₅. Bereken de evenwichtsconcentratie [Cl2].
[PCl₅]₀ = 0,5 mol/LKc = 0,04
[Cl2] = mol/L
11.pH & buffersGemiddeld
Bereken de pH pH van een 0,1 mol/L-oplossing hypochlorigzuur (Ka = 3 × 10⁻⁸).
c = 0,1 mol/LKa = 3 × 10⁻⁸
pH =
12.pH & buffersMoeilijk
Een buffer van 1,00 L bevat 0,2 mol mierenzuur en 0,1 mol van de geconjugeerde base (Ka = 0,00018). Er wordt 0,02 mol NaOH toegevoegd. Bereken de nieuwe pH pH.
Stoichiometrie: een kloppende reactievergelijking telt deeltjes, geen grammen. Reken massa om naar mol met n = m/M, gebruik de coëfficiënten als molverhouding en reken terug met m = n·M. Bij twee beginstoffen is de beperkende reactant de stof die het eerst op is en bepaalt hoeveel product ontstaat.
Mol van elke beginstof
n(Fe2O3) = 10/159,69 = 0,06262 mol
n(CO) = 20/28,01 = 0,714 mol
Beperkende reactant
0,06262/1 = 0,06262, 0,714/3 = 0,238 → Fe2O3
Massa product
n(CO2) = 0,06262·3 = 0,1879 mol
m = 0,1879·44,01 = 8,268 g
Antwoord
m = 8,268 g
2.Stoichiometrie
Antwoord: Y = 82 %
Stoichiometrie: een kloppende reactievergelijking telt deeltjes, geen grammen. Reken massa om naar mol met n = m/M, gebruik de coëfficiënten als molverhouding en reken terug met m = n·M. Bij twee beginstoffen is de beperkende reactant de stof die het eerst op is en bepaalt hoeveel product ontstaat.
Theoretische opbrengst
n(Fe2O3) = 20/159,69 = 0,1252 mol
m = 0,1252·3/1·44,01 = 16,54 g
Rendement
Y = 13,56/16,54·100 = 82%
Antwoord
Y = 82%
3.Molariteit en verdunning
Antwoord: Vwater = 840 mL
Molariteit: concentratie c = n/V in mol/L, met n = m/M. Bij verdunnen voeg je oplosmiddel toe maar geen opgeloste stof, dus het aantal mol blijft gelijk: c₁·V₁ = c₂·V₂. Als je twee oplossingen van dezelfde stof mengt, tel je de mollen op en ook de volumes.
Volume stamoplossing
V1 = c2·V2/c1 = 0,4·1000/2,5 = 160 mL
Toe te voegen water
Vwater = 1000 − 160 = 840 mL
Antwoord
Vwater = 840 mL
4.Molariteit en verdunning
Antwoord: c = 2,167 mol/L
Molariteit: concentratie c = n/V in mol/L, met n = m/M. Bij verdunnen voeg je oplosmiddel toe maar geen opgeloste stof, dus het aantal mol blijft gelijk: c₁·V₁ = c₂·V₂. Als je twee oplossingen van dezelfde stof mengt, tel je de mollen op en ook de volumes.
Totale hoeveelheid
n = 1,5·200 + 2,5·400 = 1300 mmol
Concentratie van het mengsel
c = 1300/600 = 2,167 mol/L
Antwoord
c = 2,167 mol/L
5.Ideale gaswet
Antwoord: P = 823,6 kPa
Ideale gaswet: PV = nRT, met n = m/M.
Mol
n = m/M = 270/39,95 = 6,758 mol
T = 20 + 273,15 = 293,1 K
Druk
P = nRT/V = 6,758·8,314·293,1/0,02 = 823,6 kPa
Antwoord
P = 823,6 kPa
6.Ideale gaswet
Antwoord: V2 = 7,51 L
Algemene gaswet: voor een vaste hoeveelheid ideaal gas geldt P1V1/T1 = P2V2/T2.
Absolute temperaturen
T1 = 313,1 K, T2 = 403,1 K
Algemene gaswet
V2 = V1·(P1/P2)·(T2/T1) = 10·(350/600)·(403,1/313,1) = 7,51 L
Antwoord
V2 = 7,51 L
7.Calorimetrie en enthalpie
Antwoord: Tf = 23,33 °C
Warmte en enthalpie: om een stof te verwarmen is q = m·c·ΔT nodig. In een calorimeter is de warmte die het warme voorwerp afstaat gelijk aan de warmte die het koude opneemt. De enthalpieverandering van een reactie volgt uit de vormingsenthalpieën: ΔH° = ΣΔH°f(producten) − ΣΔH°f(beginstoffen), elk vermenigvuldigd met de coëfficiënt.
Warmtebalans
75·0,897·(160 − Tf) = 300·4,18·(Tf − 16)
Los de eindtemperatuur op
Tf = (67,28·160 + 1254·16)/(67,28 + 1254) = 23,33 °C
Antwoord
Tf = 23,33 °C
8.Calorimetrie en enthalpie
Antwoord: ΔH° = −3119 kJ
Warmte en enthalpie: om een stof te verwarmen is q = m·c·ΔT nodig. In een calorimeter is de warmte die het warme voorwerp afstaat gelijk aan de warmte die het koude opneemt. De enthalpieverandering van een reactie volgt uit de vormingsenthalpieën: ΔH° = ΣΔH°f(producten) − ΣΔH°f(beginstoffen), elk vermenigvuldigd met de coëfficiënt.
Chemisch evenwicht: voor aA + bB ⇌ cC + dD is de evenwichtsconstante Kc = [C]c[D]d/([A]a[B]b), met de concentraties bij evenwicht. Een ICE-tabel (Begin, Verandering, Evenwicht) koppelt de beginhoeveelheden aan de evenwichtshoeveelheden via één onbekende x, vermenigvuldigd met de coëfficiënten.
Chemisch evenwicht: voor aA + bB ⇌ cC + dD is de evenwichtsconstante Kc = [C]c[D]d/([A]a[B]b), met de concentraties bij evenwicht. Een ICE-tabel (Begin, Verandering, Evenwicht) koppelt de beginhoeveelheden aan de evenwichtshoeveelheden via één onbekende x, vermenigvuldigd met de coëfficiënten.
Evenwichtsvoorwaarde
0,04 = x²/(0,5 − x) → x² + 0,04·x − 0,02 = 0
Los de vierkantsvergelijking op
x = (−0,04 + √(0,04² + 4·0,02))/2 = 0,1228 mol/L
Evenwichtsconcentratie
[Cl₂] = x = 0,1228 mol/L
Antwoord
[Cl2] = 0,1228 mol/L
11.pH & buffers
Antwoord: pH = 4,262
pH: pH = −log₁₀[H₃O⁺] en pOH = −log₁₀[OH⁻], met pH + pOH = 14 bij 25 °C. Sterke zuren en basen ioniseren volledig. Een zwak zuur maar gedeeltelijk: Ka = x²/(c − x), met x = [H₃O⁺]. Een buffer van een zwak zuur en zijn geconjugeerde base volgt Henderson–Hasselbalch: pH = pKa + log([A⁻]/[HA]).
Evenwicht
HA ⇌ H⁺ + A⁻: x mol/L zuur ioniseert.
Ka = x²/(0,1 − x) → x = 5,476 × 10⁻⁵ mol/L
pH
pH = −log(5,476 × 10⁻⁵) = 4,262
Antwoord
pH = 4,262
12.pH & buffers
Antwoord: pH = 3,569
pH: pH = −log₁₀[H₃O⁺] en pOH = −log₁₀[OH⁻], met pH + pOH = 14 bij 25 °C. Sterke zuren en basen ioniseren volledig. Een zwak zuur maar gedeeltelijk: Ka = x²/(c − x), met x = [H₃O⁺]. Een buffer van een zwak zuur en zijn geconjugeerde base volgt Henderson–Hasselbalch: pH = pKa + log([A⁻]/[HA]).
Neutralisatie
n(HA) = 0,2 − 0,02 = 0,18 mol
n(A⁻) = 0,1 + 0,02 = 0,12 mol
Henderson–Hasselbalch
pH = 3,745 + log(0,12/0,18) = 3,569
Antwoord
pH = 3,569
13.Reactiekinetiek
Antwoord: t = 17,33 min
Reactiesnelheden: voor een eerste-orde reactie geldt −dC/dt = kC, dus C = C₀·e−kt en de halveringstijd ln 2/k hangt niet af van de concentratie. Voor een tweede-orde reactie geldt 1/C = 1/C₀ + kt. De snelheidsconstante stijgt met de temperatuur volgens Arrhenius: k = A·e−Ea/(RT).
Conversie en concentratie
C/C0 = 1 − X = 0,25
Los op naar de tijd
t = −ln(1 − X)/k = −ln(0,25)/0,08 = 17,33 min
Antwoord
t = 17,33 min
14.Reactiekinetiek
Antwoord: k2 = 0,01027 min⁻¹
Reactiesnelheden: voor een eerste-orde reactie geldt −dC/dt = kC, dus C = C₀·e−kt en de halveringstijd ln 2/k hangt niet af van de concentratie. Voor een tweede-orde reactie geldt 1/C = 1/C₀ + kt. De snelheidsconstante stijgt met de temperatuur volgens Arrhenius: k = A·e−Ea/(RT).