Bij de reactie C3H8 + 5O2 → 3CO2 + 4H2O reageert 12 g C3H8 volledig (de andere beginstoffen in overmaat) en wordt 10,79 g H2O opgevangen. Bereken het rendement Y.
M(C3H8) = 44,1 g/molM(H2O) = 18,02 g/molwerkelijk: 10,79 g
Y = %
3.Molariteit en verdunningGemiddeld
Je hebt 500 mL van een 0,3 mol/L oplossing nodig en hebt een stamoplossing van 3 mol/L. Welk volume V1 stamoplossing heb je nodig?
c1 = 3 mol/Lc2 = 0,3 mol/LV2 = 500 mL
V1 = mL
4.Molariteit en verdunningMoeilijk
300 mL van een 0,8 mol/L oplossing wordt gemengd met 50 mL van een 1,2 mol/L oplossing van dezelfde stof. Bereken de concentratie c van het mengsel (de volumes zijn additief).
c1 = 0,8 mol/LV1 = 300 mLc2 = 1,2 mol/LV2 = 50 mL
c = mol/L
5.Ideale gaswetGemiddeld
Een tank van 10 L bevat 260 g He bij 65 °C. Behandel het als een ideaal gas en vind de druk P.
Een blok lood van 50 g (c = 0,129 J/(g·°C)) met een temperatuur van 140 °C wordt in een geïsoleerde beker met 150 g water (c = 4,18 J/(g·°C)) van 23 °C gelegd. Bereken de eindtemperatuur Tf.
0,25 mol/L H₂ en 0,25 mol/L I₂ worden in een vat gebracht en reageren: H₂ + I₂ ⇌ 2HI, met Kc = 54. Bereken de evenwichtsconcentratie [HI].
[H₂]₀ = [I₂]₀ = 0,25 mol/LKc = 54
[HI] = mol/L
10.Chemisch evenwichtMoeilijk
PCl₅ ontleedt: PCl₅ ⇌ PCl₃ + Cl₂, met Kc = 0,04 bij de reactietemperatuur. Een vat bevat aan het begin alleen 1 mol/L PCl₅. Bereken de evenwichtsconcentratie [Cl2].
[PCl₅]₀ = 1 mol/LKc = 0,04
[Cl2] = mol/L
11.pH & buffersGemiddeld
Bereken de pH pH van een 0,1 mol/L-oplossing waterstoffluoride (Ka = 0,00068).
c = 0,1 mol/LKa = 0,00068
pH =
12.pH & buffersMoeilijk
Een buffer van 1,00 L bevat 0,1 mol benzoëzuur en 0,2 mol van de geconjugeerde base (Ka = 6,3 × 10⁻⁵). Er wordt 0,05 mol NaOH toegevoegd. Bereken de nieuwe pH pH.
Stoichiometrie: een kloppende reactievergelijking telt deeltjes, geen grammen. Reken massa om naar mol met n = m/M, gebruik de coëfficiënten als molverhouding en reken terug met m = n·M. Bij twee beginstoffen is de beperkende reactant de stof die het eerst op is en bepaalt hoeveel product ontstaat.
Mol van elke beginstof
n(Fe2O3) = 6/159,69 = 0,03757 mol
n(CO) = 48/28,01 = 1,714 mol
Beperkende reactant
0,03757/1 = 0,03757, 1,714/3 = 0,5712 → Fe2O3
Massa product
n(CO2) = 0,03757·3 = 0,1127 mol
m = 0,1127·44,01 = 4,961 g
Antwoord
m = 4,961 g
2.Stoichiometrie
Antwoord: Y = 55,01 %
Stoichiometrie: een kloppende reactievergelijking telt deeltjes, geen grammen. Reken massa om naar mol met n = m/M, gebruik de coëfficiënten als molverhouding en reken terug met m = n·M. Bij twee beginstoffen is de beperkende reactant de stof die het eerst op is en bepaalt hoeveel product ontstaat.
Theoretische opbrengst
n(C3H8) = 12/44,1 = 0,2721 mol
m = 0,2721·4/1·18,02 = 19,61 g
Rendement
Y = 10,79/19,61·100 = 55,01%
Antwoord
Y = 55,01%
3.Molariteit en verdunning
Antwoord: V1 = 50 mL
Molariteit: concentratie c = n/V in mol/L, met n = m/M. Bij verdunnen voeg je oplosmiddel toe maar geen opgeloste stof, dus het aantal mol blijft gelijk: c₁·V₁ = c₂·V₂. Als je twee oplossingen van dezelfde stof mengt, tel je de mollen op en ook de volumes.
Volume stamoplossing
V1 = c2·V2/c1 = 0,3·500/3 = 50 mL
Antwoord
V1 = 50 mL
4.Molariteit en verdunning
Antwoord: c = 0,8571 mol/L
Molariteit: concentratie c = n/V in mol/L, met n = m/M. Bij verdunnen voeg je oplosmiddel toe maar geen opgeloste stof, dus het aantal mol blijft gelijk: c₁·V₁ = c₂·V₂. Als je twee oplossingen van dezelfde stof mengt, tel je de mollen op en ook de volumes.
Totale hoeveelheid
n = 0,8·300 + 1,2·50 = 300 mmol
Concentratie van het mengsel
c = 300/350 = 0,8571 mol/L
Antwoord
c = 0,8571 mol/L
5.Ideale gaswet
Antwoord: P = 18260 kPa
Ideale gaswet: PV = nRT, met n = m/M.
Mol
n = m/M = 260/4,003 = 64,95 mol
T = 65 + 273,15 = 338,1 K
Druk
P = nRT/V = 64,95·8,314·338,1/0,01 = 18260 kPa
Antwoord
P = 18260 kPa
6.Ideale gaswet
Antwoord: V2 = 1,967 L
Algemene gaswet: voor een vaste hoeveelheid ideaal gas geldt P1V1/T1 = P2V2/T2.
Absolute temperaturen
T1 = 293,1 K, T2 = 453,1 K
Algemene gaswet
V2 = V1·(P1/P2)·(T2/T1) = 2·(350/550)·(453,1/293,1) = 1,967 L
Antwoord
V2 = 1,967 L
7.Calorimetrie en enthalpie
Antwoord: Tf = 24,19 °C
Warmte en enthalpie: om een stof te verwarmen is q = m·c·ΔT nodig. In een calorimeter is de warmte die het warme voorwerp afstaat gelijk aan de warmte die het koude opneemt. De enthalpieverandering van een reactie volgt uit de vormingsenthalpieën: ΔH° = ΣΔH°f(producten) − ΣΔH°f(beginstoffen), elk vermenigvuldigd met de coëfficiënt.
Warmtebalans
50·0,129·(140 − Tf) = 150·4,18·(Tf − 23)
Los de eindtemperatuur op
Tf = (6,45·140 + 627·23)/(6,45 + 627) = 24,19 °C
Antwoord
Tf = 24,19 °C
8.Calorimetrie en enthalpie
Antwoord: ΔH° = −1453 kJ
Warmte en enthalpie: om een stof te verwarmen is q = m·c·ΔT nodig. In een calorimeter is de warmte die het warme voorwerp afstaat gelijk aan de warmte die het koude opneemt. De enthalpieverandering van een reactie volgt uit de vormingsenthalpieën: ΔH° = ΣΔH°f(producten) − ΣΔH°f(beginstoffen), elk vermenigvuldigd met de coëfficiënt.
Chemisch evenwicht: voor aA + bB ⇌ cC + dD is de evenwichtsconstante Kc = [C]c[D]d/([A]a[B]b), met de concentraties bij evenwicht. Een ICE-tabel (Begin, Verandering, Evenwicht) koppelt de beginhoeveelheden aan de evenwichtshoeveelheden via één onbekende x, vermenigvuldigd met de coëfficiënten.
Chemisch evenwicht: voor aA + bB ⇌ cC + dD is de evenwichtsconstante Kc = [C]c[D]d/([A]a[B]b), met de concentraties bij evenwicht. Een ICE-tabel (Begin, Verandering, Evenwicht) koppelt de beginhoeveelheden aan de evenwichtshoeveelheden via één onbekende x, vermenigvuldigd met de coëfficiënten.
Evenwichtsvoorwaarde
0,04 = x²/(1 − x) → x² + 0,04·x − 0,04 = 0
Los de vierkantsvergelijking op
x = (−0,04 + √(0,04² + 4·0,04))/2 = 0,181 mol/L
Evenwichtsconcentratie
[Cl₂] = x = 0,181 mol/L
Antwoord
[Cl2] = 0,181 mol/L
11.pH & buffers
Antwoord: pH = 2,102
pH: pH = −log₁₀[H₃O⁺] en pOH = −log₁₀[OH⁻], met pH + pOH = 14 bij 25 °C. Sterke zuren en basen ioniseren volledig. Een zwak zuur maar gedeeltelijk: Ka = x²/(c − x), met x = [H₃O⁺]. Een buffer van een zwak zuur en zijn geconjugeerde base volgt Henderson–Hasselbalch: pH = pKa + log([A⁻]/[HA]).
Evenwicht
HA ⇌ H⁺ + A⁻: x mol/L zuur ioniseert.
Ka = x²/(0,1 − x) → x = 0,007913 mol/L
pH
pH = −log(0,007913) = 2,102
Antwoord
pH = 2,102
12.pH & buffers
Antwoord: pH = 4,9
pH: pH = −log₁₀[H₃O⁺] en pOH = −log₁₀[OH⁻], met pH + pOH = 14 bij 25 °C. Sterke zuren en basen ioniseren volledig. Een zwak zuur maar gedeeltelijk: Ka = x²/(c − x), met x = [H₃O⁺]. Een buffer van een zwak zuur en zijn geconjugeerde base volgt Henderson–Hasselbalch: pH = pKa + log([A⁻]/[HA]).
Neutralisatie
n(HA) = 0,1 − 0,05 = 0,05 mol
n(A⁻) = 0,2 + 0,05 = 0,25 mol
Henderson–Hasselbalch
pH = 4,201 + log(0,25/0,05) = 4,9
Antwoord
pH = 4,9
13.Reactiekinetiek
Antwoord: t = 20,12 min
Reactiesnelheden: voor een eerste-orde reactie geldt −dC/dt = kC, dus C = C₀·e−kt en de halveringstijd ln 2/k hangt niet af van de concentratie. Voor een tweede-orde reactie geldt 1/C = 1/C₀ + kt. De snelheidsconstante stijgt met de temperatuur volgens Arrhenius: k = A·e−Ea/(RT).
Conversie en concentratie
C/C0 = 1 − X = 0,2
Los op naar de tijd
t = −ln(1 − X)/k = −ln(0,2)/0,08 = 20,12 min
Antwoord
t = 20,12 min
14.Reactiekinetiek
Antwoord: k2 = 0,0129 min⁻¹
Reactiesnelheden: voor een eerste-orde reactie geldt −dC/dt = kC, dus C = C₀·e−kt en de halveringstijd ln 2/k hangt niet af van de concentratie. Voor een tweede-orde reactie geldt 1/C = 1/C₀ + kt. De snelheidsconstante stijgt met de temperatuur volgens Arrhenius: k = A·e−Ea/(RT).