Bij de reactie C6H12O6 → 2C2H5OH + 2CO2 reageert 30 g C6H12O6 volledig (de andere beginstoffen in overmaat) en wordt 11,43 g CO2 opgevangen. Bereken het rendement Y.
M(C6H12O6) = 180,16 g/molM(CO2) = 44,01 g/molwerkelijk: 11,43 g
Y = %
3.Molariteit en verdunningGemiddeld
Je hebt 100 mL van een 0,3 mol/L oplossing nodig en hebt een stamoplossing van 2 mol/L. Welk volume V1 stamoplossing heb je nodig?
c1 = 2 mol/Lc2 = 0,3 mol/LV2 = 100 mL
V1 = mL
4.Molariteit en verdunningMoeilijk
250 mL van een 0,25 mol/L oplossing wordt gemengd met 500 mL van een 3 mol/L oplossing van dezelfde stof. Bereken de concentratie c van het mengsel (de volumes zijn additief).
c1 = 0,25 mol/LV1 = 250 mLc2 = 3 mol/LV2 = 500 mL
c = mol/L
5.Ideale gaswetGemiddeld
Welk volume V neemt 170 g He in bij 200 kPa en 80 °C? Behandel het als een ideaal gas.
Een blok zink van 50 g (c = 0,388 J/(g·°C)) met een temperatuur van 80 °C wordt in een geïsoleerde beker met 100 g water (c = 4,18 J/(g·°C)) van 22 °C gelegd. Bereken de eindtemperatuur Tf.
0,4 mol/L H₂ en 0,4 mol/L I₂ worden in een vat gebracht en reageren: H₂ + I₂ ⇌ 2HI, met Kc = 16. Bereken de evenwichtsconcentratie [HI].
[H₂]₀ = [I₂]₀ = 0,4 mol/LKc = 16
[HI] = mol/L
10.Chemisch evenwichtMoeilijk
PCl₅ ontleedt: PCl₅ ⇌ PCl₃ + Cl₂, met Kc = 0,08 bij de reactietemperatuur. Een vat bevat aan het begin alleen 0,1 mol/L PCl₅. Bereken de evenwichtsconcentratie [Cl2].
[PCl₅]₀ = 0,1 mol/LKc = 0,08
[Cl2] = mol/L
11.pH & buffersGemiddeld
Bereken de pH pH van een 0,5 mol/L-oplossing waterstoffluoride (Ka = 0,00068).
c = 0,5 mol/LKa = 0,00068
pH =
12.pH & buffersMoeilijk
Een buffer van 1,00 L bevat 0,3 mol waterstoffluoride en 0,15 mol van de geconjugeerde base (Ka = 0,00068). Er wordt 0,02 mol NaOH toegevoegd. Bereken de nieuwe pH pH.
Stoichiometrie: een kloppende reactievergelijking telt deeltjes, geen grammen. Reken massa om naar mol met n = m/M, gebruik de coëfficiënten als molverhouding en reken terug met m = n·M. Bij twee beginstoffen is de beperkende reactant de stof die het eerst op is en bepaalt hoeveel product ontstaat.
Mol van elke beginstof
n(Fe2O3) = 10/159,69 = 0,06262 mol
n(CO) = 40/28,01 = 1,428 mol
Beperkende reactant
0,06262/1 = 0,06262, 1,428/3 = 0,476 → Fe2O3
Massa product
n(CO2) = 0,06262·3 = 0,1879 mol
m = 0,1879·44,01 = 8,268 g
Antwoord
m = 8,268 g
2.Stoichiometrie
Antwoord: Y = 77,98 %
Stoichiometrie: een kloppende reactievergelijking telt deeltjes, geen grammen. Reken massa om naar mol met n = m/M, gebruik de coëfficiënten als molverhouding en reken terug met m = n·M. Bij twee beginstoffen is de beperkende reactant de stof die het eerst op is en bepaalt hoeveel product ontstaat.
Theoretische opbrengst
n(C6H12O6) = 30/180,16 = 0,1665 mol
m = 0,1665·2/1·44,01 = 14,66 g
Rendement
Y = 11,43/14,66·100 = 77,98%
Antwoord
Y = 77,98%
3.Molariteit en verdunning
Antwoord: V1 = 15 mL
Molariteit: concentratie c = n/V in mol/L, met n = m/M. Bij verdunnen voeg je oplosmiddel toe maar geen opgeloste stof, dus het aantal mol blijft gelijk: c₁·V₁ = c₂·V₂. Als je twee oplossingen van dezelfde stof mengt, tel je de mollen op en ook de volumes.
Volume stamoplossing
V1 = c2·V2/c1 = 0,3·100/2 = 15 mL
Antwoord
V1 = 15 mL
4.Molariteit en verdunning
Antwoord: c = 2,083 mol/L
Molariteit: concentratie c = n/V in mol/L, met n = m/M. Bij verdunnen voeg je oplosmiddel toe maar geen opgeloste stof, dus het aantal mol blijft gelijk: c₁·V₁ = c₂·V₂. Als je twee oplossingen van dezelfde stof mengt, tel je de mollen op en ook de volumes.
Totale hoeveelheid
n = 0,25·250 + 3·500 = 1563 mmol
Concentratie van het mengsel
c = 1563/750 = 2,083 mol/L
Antwoord
c = 2,083 mol/L
5.Ideale gaswet
Antwoord: V = 623,5 L
Ideale gaswet: PV = nRT, met n = m/M.
Mol
n = 170/4,003 = 42,47 mol
T = 80 + 273,15 = 353,1 K
Volume
V = nRT/P = 42,47·8,314·353,1/200 = 623,5 L
Antwoord
V = 623,5 L
6.Ideale gaswet
Antwoord: ρ = 9,802 kg/m³
Dichtheid van een ideaal gas: ρ = PM/(RT).
Herschrijf de gaswet
PV = (m/M)RT → ρ = m/V = PM/(RT)
T = 70 + 273,15 = 343,1 K
Dichtheid
ρ = 700·39,95/(8,314·343,1) = 9,802 kg/m³
Antwoord
ρ = 9,802 kg/m³
7.Calorimetrie en enthalpie
Antwoord: Tf = 24,57 °C
Warmte en enthalpie: om een stof te verwarmen is q = m·c·ΔT nodig. In een calorimeter is de warmte die het warme voorwerp afstaat gelijk aan de warmte die het koude opneemt. De enthalpieverandering van een reactie volgt uit de vormingsenthalpieën: ΔH° = ΣΔH°f(producten) − ΣΔH°f(beginstoffen), elk vermenigvuldigd met de coëfficiënt.
Warmtebalans
50·0,388·(80 − Tf) = 100·4,18·(Tf − 22)
Los de eindtemperatuur op
Tf = (19,4·80 + 418·22)/(19,4 + 418) = 24,57 °C
Antwoord
Tf = 24,57 °C
8.Calorimetrie en enthalpie
Antwoord: ΔH° = −2220 kJ
Warmte en enthalpie: om een stof te verwarmen is q = m·c·ΔT nodig. In een calorimeter is de warmte die het warme voorwerp afstaat gelijk aan de warmte die het koude opneemt. De enthalpieverandering van een reactie volgt uit de vormingsenthalpieën: ΔH° = ΣΔH°f(producten) − ΣΔH°f(beginstoffen), elk vermenigvuldigd met de coëfficiënt.
Chemisch evenwicht: voor aA + bB ⇌ cC + dD is de evenwichtsconstante Kc = [C]c[D]d/([A]a[B]b), met de concentraties bij evenwicht. Een ICE-tabel (Begin, Verandering, Evenwicht) koppelt de beginhoeveelheden aan de evenwichtshoeveelheden via één onbekende x, vermenigvuldigd met de coëfficiënten.
Chemisch evenwicht: voor aA + bB ⇌ cC + dD is de evenwichtsconstante Kc = [C]c[D]d/([A]a[B]b), met de concentraties bij evenwicht. Een ICE-tabel (Begin, Verandering, Evenwicht) koppelt de beginhoeveelheden aan de evenwichtshoeveelheden via één onbekende x, vermenigvuldigd met de coëfficiënten.
Evenwichtsvoorwaarde
0,08 = x²/(0,1 − x) → x² + 0,08·x − 0,008 = 0
Los de vierkantsvergelijking op
x = (−0,08 + √(0,08² + 4·0,008))/2 = 0,05798 mol/L
Evenwichtsconcentratie
[Cl₂] = x = 0,05798 mol/L
Antwoord
[Cl2] = 0,05798 mol/L
11.pH & buffers
Antwoord: pH = 1,742
pH: pH = −log₁₀[H₃O⁺] en pOH = −log₁₀[OH⁻], met pH + pOH = 14 bij 25 °C. Sterke zuren en basen ioniseren volledig. Een zwak zuur maar gedeeltelijk: Ka = x²/(c − x), met x = [H₃O⁺]. Een buffer van een zwak zuur en zijn geconjugeerde base volgt Henderson–Hasselbalch: pH = pKa + log([A⁻]/[HA]).
Evenwicht
HA ⇌ H⁺ + A⁻: x mol/L zuur ioniseert.
Ka = x²/(0,5 − x) → x = 0,0181 mol/L
pH
pH = −log(0,0181) = 1,742
Antwoord
pH = 1,742
12.pH & buffers
Antwoord: pH = 2,951
pH: pH = −log₁₀[H₃O⁺] en pOH = −log₁₀[OH⁻], met pH + pOH = 14 bij 25 °C. Sterke zuren en basen ioniseren volledig. Een zwak zuur maar gedeeltelijk: Ka = x²/(c − x), met x = [H₃O⁺]. Een buffer van een zwak zuur en zijn geconjugeerde base volgt Henderson–Hasselbalch: pH = pKa + log([A⁻]/[HA]).
Neutralisatie
n(HA) = 0,3 − 0,02 = 0,28 mol
n(A⁻) = 0,15 + 0,02 = 0,17 mol
Henderson–Hasselbalch
pH = 3,167 + log(0,17/0,28) = 2,951
Antwoord
pH = 2,951
13.Reactiekinetiek
Antwoord: CA = 0,3333 mol/L
Reactiesnelheden: voor een eerste-orde reactie geldt −dC/dt = kC, dus C = C₀·e−kt en de halveringstijd ln 2/k hangt niet af van de concentratie. Voor een tweede-orde reactie geldt 1/C = 1/C₀ + kt. De snelheidsconstante stijgt met de temperatuur volgens Arrhenius: k = A·e−Ea/(RT).
Geïntegreerde tweede-orde vergelijking
1/CA = 1/CA0 + kt = 2 + 0,1·10 = 3 L/mol
CA = 1/3 = 0,3333 mol/L
Antwoord
CA = 0,3333 mol/L
14.Reactiekinetiek
Antwoord: Ea = 79,98 kJ/mol
Reactiesnelheden: voor een eerste-orde reactie geldt −dC/dt = kC, dus C = C₀·e−kt en de halveringstijd ln 2/k hangt niet af van de concentratie. Voor een tweede-orde reactie geldt 1/C = 1/C₀ + kt. De snelheidsconstante stijgt met de temperatuur volgens Arrhenius: k = A·e−Ea/(RT).
Absolute temperaturen
T1 = 298,1 K, T2 = 328,1 K
Los Arrhenius op naar Ea
Ea = −R·ln(k2/k1)/(1/T2 − 1/T1) = −8,314·2,95/(-3,066e-4) = 79978 J/mol