Meet- en regeltechniek voor metingen: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 10 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Brug van Wheatstone en rekstrookjes

Deelspanningen
Va = VsR2/(R1 + R2), Vb = VsR4/(R3 + R4)
Output
Vab = Va − Vb
Balans
R1/R2 = R3/R4
Schuifdraadbrug
R/Rx = l/(100 − l)
Thévenin-weerstand
Rth = R1∥R2 + R3∥R4
K-factor
ΔR/R = GF·ε
Uitgang van de brug
kwart Vs·GF·ε/4, half Vs·GF·ε/2, vol Vs·GF·ε
Kleine verandering, één arm
Vab ≈ Vs·ΔR/(4R)
Spanning
σ = E·ε

Methode

  1. Behandel de brug als twee spanningsdelers over dezelfde voeding.
  2. Stel voor evenwicht R₁/R₂ = R₃/R₄ en los op voor de onbekende weerstand.
  3. Bepaal voor een onevenwichtige brug Va en Vb uit de delers en trek ze af; gebruik het Thévenin-equivalent als een meter de uitgang belast.
  4. Reken voor rekstrookjes de rek om naar ΔR/R = GF·ε en gebruik Vs·GF·ε/4, /2 of ×1 voor een kwart-, halve of volle brug.

Data-acquisitie en bemonstering

Nyquistcriterium
fs > 2·fmax, fN = fs/2
Aliasfrequentie
fa = |f − k·fs|, k = round(f/fs)
Stapgrootte
1 LSB = VFSR/2ᴺ
Kwantisatiefout (afronding)
±½ LSB
Afkappende ADC-code
D = ⌊Vin/LSB⌋
Bits voor een resolutie r
2ᴺ ≥ span/r
Ideale SQNR, volle-schaal sinus
SQNR = 6,02·N + 1,76 dB
Datasnelheid
kanalen × fs × N bit/s
Gemultiplexte ADC
fs = 1/(n·(tc + tset))
UART
Tb = 1/baud; 8N1 = 10 bits per byte; bytes/s = baud/bits per frame
Baudrate-deler
baud = fclk/(16·D)

Methode

  1. Schrijf op wat gegeven is: bemonsteringsfrequentie, signaalfrequenties, aantal bits, ingangsbereik, baudrate.
  2. Vergelijk bij bemonsteringsvragen elke frequentie met fs/2; een hogere frequentie verschijnt bij fa = |f − k·fs| met het dichtstbijzijnde veelvoud van fs.
  3. Bepaal bij resolutievragen 1 LSB = VFSR/2ᴺ, of de kleinste N met 2ᴺ ≥ bereik/resolutie.
  4. Tel bij datasnelheden en UART-verbindingen alles wat wordt verzonden: kanalen, samples per seconde, bits of hele bytes per sample, en de start-, pariteits- en stopbits van elk frame.

Opampschakelingen

Inverterende versterker
Vout = −(Rf/Rin)·Vin
Niet-inverterende versterker
Vout = (1 + Rf/R1)·Vin
Sommeerversterker
Vout = −Rf(V1/R1 + V2/R2)
Ideale opamp
V+ = V−, Iin = 0

Serie- en parallelweerstanden

Weerstanden in serie
Req = R1 + R2 + …
Weerstanden parallel
1/Req = 1/R1 + 1/R2 + …
Twee parallel
Req = R1R2 / (R1 + R2)
Wet van Ohm
V = I·R
Vermogen
P = V·I = I²R = V²/R

Methode

  1. Begin aan het uiteinde van het netwerk dat het verst van de klemmen ligt.
  2. Combineer weerstanden in serie door ze op te tellen, en weerstanden parallel met 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …
  3. Teken de schakeling na elke stap opnieuw.
  4. Herhaal tot er één weerstand tussen de klemmen over is.

Thévenin en Norton

Thévenin-spanning
Vth = Vopen circuit
Thévenin-weerstand
Rth: alle bronnen uit, gezien vanaf a–b
Norton-stroom
IN = Vth/Rth
Belastingsstroom
IL = Vth/(Rth + RL)
Maximale vermogensoverdracht
RL = Rth, Pmax = Vth²/(4Rth)

Methode

  1. Haal de belasting weg en markeer de twee klemmen a en b.
  2. Bepaal de openklemspanning tussen a en b: dit is Vth.
  3. Schakel alle onafhankelijke bronnen uit en bepaal de weerstand gezien vanaf a–b: dit is Rth.
  4. Zet de belasting terug op het vervangingsschema: Vth in serie met Rth.
  5. Reken voor het Norton-equivalent om: IN = Vth/Rth, met RN = Rth parallel.

2Oefenopgaven

1.Brug van Wheatstone en rekstrookjesGemiddeld
+−6 V100 Ω100 Ω100 Ω100 Ωab+−

Een rekstrookje van 100 Ω is één arm (R₂) van een brug met vier gelijke armen van 100 Ω en een bekrachtiging van 6 V. Bepaal het vermogen Pg dat in het rekstrookje wordt gedissipeerd, in mW. Zelfopwarming beperkt de bekrachtiging.

Vs = 6 VR = 100 Ω
Pg = mW
2.Brug van Wheatstone en rekstrookjesMoeilijk
+−3 V1000 Ω1000 Ω + ΔR1000 Ω1000 Ωab+−0,75 mV

Een rekstrookje (GF = 2) op een constructiedeel met E = 70 GPa vormt een kwartbrug die wordt bekrachtigd met 3 V. De uitgang geeft 0,75 mV. Bepaal de axiale spanning σ in MPa.

Vs = 3 VGF = 2Vo = 0,75 mVE = 70 GPa
σ = MPa
3.Data-acquisitie en bemonsteringGemiddeld
SD0​D1​D2​D3​D4​D5​D6​D7​Tb​10·Tb​19200 Bd, 8N1

Een UART verstuurt bytes met 19200 baud in het formaat 8N1: 8 databits, geen pariteit en 1 stopbit(s), plus de startbit. Bepaal het grootste aantal databytes per seconde dat hij kan overdragen.

baud = 19200 Bd8N1
RB = B/s
4.Data-acquisitie en bemonsteringMoeilijk
f0fs​/2fs​4,4 kHz3f₁?

Een blokgolf van 4,4 kHz wordt zonder anti-aliasingfilter bemonsterd met 20 kHz. Een blokgolf bevat de oneven harmonischen 3f₁, 5f₁, 7f₁, … Bij welke frequentie fa verschijnt zijn harmonische 3f₁ in de bemonsterde data? Geef het antwoord in kHz.

f₁ = 4,4 kHzfs = 20 kHzharmonische: 3f₁
fa = kHz
5.OpampschakelingenGemiddeld
−+Vout​Rf​ = 100 kΩR1​ = 47 kΩVin​ = 4,5 VRa​ = 100 kΩRb​ = 4,7 kΩ

De opamp is ideaal en wordt gevoed met ±15 V. Vind de uitgangsspanning Vout.

Vin = 4,5 VRa = 100 kΩRb = 4,7 kΩR1 = 47 kΩRf = 100 kΩ
Vout = V
6.OpampschakelingenMoeilijk
−+Vout​C = 4,7 µFVin​ = 2,7 VR = 47 kΩ

De integrator gebruikt een ideale opamp met een voeding van ±15 V; de uitgang verzadigt bij ±12 V. De condensator is ongeladen als op t = 0 een constante ingang Vin = 2,7 V wordt aangelegd. Vind de uitgangsspanning Vout op t = 100 ms.

Vin = 2,7 VR = 47 kΩC = 4,7 µFVsat = ±12 Vt = 100 ms
Vout = V
7.Serie- en parallelweerstandenGemiddeld
R1​ = 5 ΩR3​ = 5 Ω+−V1​10 VR2​5 ΩIR2​AR4​5 ΩB

Vind de stroom IR2 door R2.

V1 = 10 VR1 = 5 ΩR2 = 5 ΩR3 = 5 ΩR4 = 5 Ω
IR2 = A
8.Serie- en parallelweerstandenMoeilijk
R1​ = 4 ΩIR1​R3​ = 20 ΩR5​ = 2 Ω+−V1​24 VR2​8 ΩAR4​2 ΩBR6​25 Ω

Vind de stroom IR1 die de bron levert, en die door R1 loopt.

V1 = 24 VR1 = 4 ΩR2 = 8 ΩR3 = 20 ΩR4 = 2 ΩR5 = 2 ΩR6 = 25 Ω
IR1 = A
9.Thévenin en NortonGemiddeld
R1​ = 4 ΩR3​ = 8 Ω+−V1​24 VR2​3 ΩAab

Vind de Thévenin-spanning Vth gezien vanaf de klemmen a–b.

V1 = 24 VR1 = 4 ΩR2 = 3 ΩR3 = 8 Ω
Vth = V
10.Thévenin en NortonMoeilijk
R1​ = 30 ΩR3​ = 6 Ω+−V1​6 VR2​5 ΩAIs​4 ABRL​25 ΩIL​

Een belasting RL = 25 Ω is aangesloten over a–b. Vervang de rest van de schakeling door het Thévenin-equivalent en vind de belastingsstroom IL.

V1 = 6 VIs = 4 AR1 = 30 ΩR2 = 5 ΩR3 = 6 ΩRL = 25 Ω
IL = A

3Oplossingen

1.Brug van Wheatstone en rekstrookjes

Antwoord: Pg = 90 mW

Brug van Wheatstone: twee spanningsdelers delen één voeding Vs. De linker deler R1–R2 geeft Va = Vs·R2/(R1 + R2) en de rechter deler R3–R4 geeft Vb = Vs·R4/(R3 + R4); de uitgang is Vab = Va − Vb. De brug is in evenwicht (Vab = 0, geen stroom in de meter) als R1/R2 = R3/R4, dat wil zeggen R1·R4 = R2·R3. Vanaf de uitgang gezien is de brug een Thévenin-bron met Rth = R1∥R2 + R3∥R4.

Spanning over het rekstrookje

V = 6/2 = 3 V

Vermogen

Pg = 3²/100 = 90 mW

Antwoord

Pg = 90 mW
2.Brug van Wheatstone en rekstrookjes

Antwoord: σ = 35 MPa

Rekstrookjes: een rekstrookje verandert zijn weerstand met de rek: ΔR/R = GF·ε, waarbij de k-factor GF ongeveer 2 is voor metaalfolie. In een brug met alle armen gelijk aan R geeft één actief rekstrookje (kwartbrug) Vo ≈ Vs·GF·ε/4. Twee actieve rekstrookjes met tegengestelde rek in naburige armen (halve brug) geven Vs·GF·ε/2, en vier (volle brug) geven Vs·GF·ε. De spanning volgt uit de wet van Hooke, σ = E·ε. Weegcellen geven hun gevoeligheid op in mV/V: de uitgang bij volle belasting per volt bekrachtiging.

Rek

ε = 4·0,00075/(3·2) = 0,0005

Spanning

σ = 70·10³ MPa·0,0005 = 35 MPa

Antwoord

σ = 35 MPa
3.Data-acquisitie en bemonstering

Antwoord: RB = 1920 B/s

UART: een asynchrone seriële verbinding verstuurt elke byte als een frame: één startbit (laag), de databits, een optionele pariteitsbit en een of twee stopbits (hoog). De baudrate is het aantal bits per seconde, dus één bit duurt Tb = 1/baud en een frame van n bits duurt n/baud. Het gangbare 8N1-formaat heeft 10 bits per byte. De baudgenerator deelt de klok: baud = fclk/(16·D) met een geheel getal D, dus de werkelijke baudrate wijkt iets af van de gewenste; een fout onder ongeveer 2 % is meestal acceptabel.

Bits per frame

1 + 8 + 0 + 1 = 10

Bytesnelheid

19200/10 = 1920 B/s

Antwoord

RB = 1920 B/s
4.Data-acquisitie en bemonstering

Antwoord: fa = 6,8 kHz

Bemonstering: een ADC meet het signaal fs keer per seconde. Volgens het Nyquist–Shannon-theorema wordt een frequentie f alleen correct vastgelegd zolang f < fs/2, de Nyquistfrequentie (vouwfrequentie), dus de bemonsteringsfrequentie moet groter zijn dan twee keer de hoogste signaalfrequentie. Een hogere frequentie gaat niet verloren: ze verschijnt als alias bij fa = |f − k·fs|, met het hele getal k dat het resultaat tussen 0 en fs/2 brengt. De samples kunnen de twee niet uit elkaar houden, dus een analoog anti-aliasingfilter moet alles boven fs/2 verwijderen vóór de ADC.

Frequentie van de harmonische

3f₁ = 3·4,4 kHz = 13,2 kHz

Dichtstbijzijnde veelvoud van de bemonsteringsfrequentie

m = round(0,66) = 1

Aliasfrequentie

fa = |13,2 − 1·20| = 6,8 kHz

Antwoord

fa = 6,8 kHz

De alias komt binnen de signaalband terecht, waar geen digitaal filter hem kan verwijderen. Alleen een analoog filter vóór de ADC helpt.

5.Opampschakelingen

Antwoord: Vout = 0,6318 V

Regels voor de ideale opamp: met tegenkoppeling stuurt de opamp zijn uitgang zo dat beide ingangen op dezelfde spanning staan (V₋ = V₊), en er loopt geen stroom in een van de ingangen. De stroomwet in de inverterende ingang met deze twee feiten geeft de uitgang.

Spanning op de +-ingang

V₊ = Vin·Rb/(Ra + Rb) = 4,5·4,7/(100 + 4,7) = 0,202 V

Niet-inverterende versterking

V₋ = V₊, en de stroom door R₁ loopt ook door Rf.

Vout = V₊·(1 + Rf/R1) = 0,202·(1 + 100/47) = 0,6318 V

Antwoord

Vout = 0,6318 V
6.Opampschakelingen

Antwoord: Vout = −1,222 V

Regels voor de ideale opamp: met tegenkoppeling stuurt de opamp zijn uitgang zo dat beide ingangen op dezelfde spanning staan (V₋ = V₊), en er loopt geen stroom in een van de ingangen. De stroomwet in de inverterende ingang met deze twee feiten geeft de uitgang.

Ingangsstroom en hellingssnelheid

kΩ maal µF geeft milliseconden.

RC = 47 kΩ · 4,7 µF = 220,9 ms
hellingssnelheid = −Vin/(RC) = −2,7/220,9 = −0,01222 V/ms

Uitgang op het gegeven tijdstip

De ideale waarde ligt binnen ±Vsat, dus de integrator is nog niet afgekapt.

Vout = −Vin·t/(RC) = −2,7·100/220,9 = −1,222 V

Antwoord

Vout = −1,222 V
7.Serie- en parallelweerstanden

Antwoord: IR2 = 0,8 A

Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.

R1​ = 5 ΩR3​ = 5 Ω+−V1​10 VR2​5 ΩAR4​5 ΩB

Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde

Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.

R3 + R4 = 5 + 5 = 10 Ω
R2 ∥ 10 = 5·10/(5+10) = 3,333 Ω
Req = R1 + 3,333 = 5 + 3,333 = 8,333 Ω

Stroom uit de bron

De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.

IR1 = V1/Req = 10/8,333 = 1,2 A

Stroom door R₂

Trek de spanningsval over R₁ af om de spanning in knooppunt A te krijgen; dat is de spanning over R₂.

VA = V1 − IR1·R1 = 10 − 1,2·5 = 4 V
IR2 = VA/R2 = 4/5 = 0,8 A

Antwoord

IR2 = 0,8 A
8.Serie- en parallelweerstanden

Antwoord: IR1 = 2,435 A

Serie- en parallelschakeling: in serie loopt dezelfde stroom door elke weerstand en R = R₁ + R₂ + …. Parallel staat over elke weerstand dezelfde spanning en 1/R = 1/R₁ + 1/R₂ + …. Een laddernetwerk wordt paar voor paar vereenvoudigd tot er één vervangingsweerstand overblijft.

R1​ = 4 ΩR3​ = 20 ΩR5​ = 2 Ω+−V1​24 VR2​8 ΩAR4​2 ΩBR6​25 Ω

Combineer weerstanden vanaf het verste uiteinde

Begin bij het uiteinde dat het verst van de bron ligt en werk terug naar de bron. Weerstanden met dezelfde stroom staan in serie; weerstanden tussen dezelfde twee knooppunten staan parallel.

R5 + R6 = 2 + 25 = 27 Ω
R4 ∥ 27 = 1,862 Ω
R3 + 1,862 = 21,86 Ω
R2 ∥ 21,86 = 5,857 Ω
Req = R1 + 5,857 = 4 + 5,857 = 9,857 Ω

Stroom uit de bron

De bron ziet alleen Req, dus de wet van Ohm geeft de stroom die hij levert. Die stroom loopt door R₁.

IR1 = V1/Req = 24/9,857 = 2,435 A

Antwoord

IR1 = 2,435 A
9.Thévenin en Norton

Antwoord: Vth = 10,29 V

Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.

R1​ = 4 ΩR3​ = 8 ΩKORTSLUITINGR2​3 ΩAabRth​

Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld

Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.

R1 ∥ R2 = 4·3/(4+3) = 1,714 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 1,714 + 8 = 9,714 Ω
R1​ = 4 ΩR3​ = 8 Ω+−V1​24 VR2​3 ΩAab+−Vth​

Vind Vth, de openklemspanning

Met a–b open loopt er geen stroom door R₃, dus er valt geen spanning over en V_b = V_A. R₁ en R₂ vormen een spanningsdeler.

Vth = V1·R2/(R1+R2) = 24·3/(4+3) = 10,29 V
10.Thévenin en Norton

Antwoord: IL = 1,19 A

Stelling van Thévenin: elk lineair tweepoolnetwerk gedraagt zich als één spanningsbron Vth in serie met een weerstand Rth. De stelling van Norton geeft hetzelfde netwerk als een stroombron IN = Vth/Rth parallel aan Rth.

R1​ = 30 ΩR3​ = 6 ΩKORTSLUITINGR2​5 ΩAOPENBabRth​

Vind Rth met alle bronnen uitgeschakeld

Vervang spanningsbronnen door kortsluitingen en stroombronnen door open circuits, en kijk dan vanaf a–b de schakeling in.

R1 ∥ R2 = 30·5/(30+5) = 4,286 Ω
Rth = (R1 ∥ R2) + R3 = 4,286 + 6 = 10,29 Ω
R1​ = 30 ΩR3​ = 6 Ω+−V1​6 VR2​5 ΩAIs​4 ABab+−Vth​

Vind Vth, de openklemspanning

Met a–b open is het enige pad voor Iₛ via R₃ naar knooppunt A. Vind V_A met superpositie van V₁ en Iₛ, en tel dan de spanningsval over R₃ erbij op.

VA = V1·R2/(R1+R2) + Is·(R1∥R2) = 0,8571 + 4·4,286 = 18 V
Vth = VB = VA + Is·R3 = 18 + 4·6 = 42 V
Rth​ = 10,29 Ω+−Vth​42 VRL​25 ΩIL​

Sluit de belasting aan op het Thévenin-equivalent

De Thévenin-bron en R_th in serie gedragen zich bij a–b precies als de oorspronkelijke schakeling, dus de belasting ziet een eenvoudige serielus.

IL = Vth/(Rth + RL) = 42/(10,29 + 25) = 1,19 A

ExamProblems · examproblems.com/courses/measurement-and-instrumentation