Sterkteleer: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 14 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Axiale spanning en rek

Normaalspanning
σ = F/A
Rek
ε = ΔL/L
Wet van Hooke
σ = E·ε
Verlenging
ΔL = FL/(EA)
Thermische rek
εT = α·ΔT

Torsie van assen

Schuifspanning
τ = T·r/J
Massieve as
J = πd⁴/32
Holle as
J = π(D⁴ − d⁴)/32
Wringhoek
φ = TL/(GJ)
Vermogen
P = T·ω = 2πnT/60

Methode

  1. Bereken het polair traagheidsmoment: J = πd⁴/32 voor een massieve as.
  2. Schuifspanning aan het oppervlak: τ = T·r/J, met r de buitenstraal.
  3. Wringhoek: φ = TL/(GJ) in radialen.
  4. Als het vermogen gegeven is, bereken dan eerst het koppel met P = T·ω, ω = 2πn/60.

Dwarskracht en buigend moment

Dwarskracht en moment
V = ΣF aan één kant, M = ΣF·d aan één kant
Buigspanning
σ = M·y/I
Rechthoek
I = bh³/12
Weerstandsmoment
W = I/ymax
Ligger op twee steunpunten, gelijkmatige belasting
Mmax = wL²/8

Methode

  1. Bepaal de oplegreacties uit het evenwicht van de hele balk.
  2. Snijd de balk door in de doorsnede die je nodig hebt en houd één kant over.
  3. Dwarskracht: de som van de verticale krachten op die kant. Buigend moment: de som van hun momenten om de snede.
  4. Zoek voor het maximale moment de plek waar de dwarskracht nul is.

Zwaartepunt en traagheidsmoment

Zwaartepunt
ȳ = ΣAiyi/ΣAi
Rechthoek
I = bh³/12
Stelling van Steiner
I = Ic + A·d²
Samengestelde doorsnede
I = Σ(Ic,i + Aidi²)

Cirkel van Mohr en spanningstransformatie

Middelpunt
C = (σx + σy)/2
Straal
R = √(((σx − σy)/2)² + τxy²)
Hoofdspanningen
σ1,2 = C ± R
Hoofdrichting
tan 2θp = 2τxy/(σx − σy)
Schuin vlak
σθ = C + (σx − σy)/2·cos 2θ + τxy·sin 2θ

Methode

  1. Bereken het middelpunt van de cirkel van Mohr: C = (σx + σy)/2.
  2. Bereken de straal: R = √(((σx − σy)/2)² + τxy²).
  3. De hoofdspanningen zijn C ± R en de grootste schuifspanning in het vlak is R.
  4. Hoeken op de cirkel zijn het dubbele van de hoeken op het element: tan 2θp = 2τxy/(σx − σy).

Doorbuiging van de balk

Puntlast in het midden
δ = PL³/(48EI)
Gelijkmatige belasting, ligger op twee steunpunten
δ = 5wL⁴/(384EI)
Uitkraging, eindlast
δ = PL³/(3EI)
Uitkraging, gelijkmatige belasting
δ = wL⁴/(8EI)
Superpositie
δ = δ1 + δ2

Knik van kolommen

Eulerse kniklast
Pcr = π²EI/(KL)²
Kniklengtefactor
K = 1 scharnierend–scharnierend, 0,5 ingeklemd–ingeklemd, 0,7 ingeklemd–scharnierend, 2 ingeklemd–vrij
Kritieke spanning
σcr = Pcr/A
Slankheid
λ = KL/r, r = √(I/A)

2Oefenopgaven

1.Axiale spanning en rekGemiddeld
200 kNØ40120 GPaØ100/60600 mmδ = ?

Een staaf van staal (diameter 40 mm, E = 200 GPa) zit in een buis van koper (buitendiameter 100 mm, binnendiameter 60 mm, E = 120 GPa). Beide zijn 600 mm lang en worden samen tussen stijve platen met 200 kN op druk belast. Bepaal de verkorting δ.

P = 200 kNstaaf: Ø40 mm, E = 200 GPabuis: Ø100/Ø60 mm, E = 120 GPaL = 600 mm
δ = mm
2.Axiale spanning en rekMoeilijk
50 kN12400 mm300 mmØ30Ø50σ2​ = ?

Een segment van staal (diameter 30 mm, lengte 400 mm, E = 200 GPa) en een segment van koper (diameter 50 mm, lengte 300 mm, E = 120 GPa) zijn kop aan kop verbonden en tussen twee stijve wanden ingeklemd. Een axiale belasting van 50 kN werkt op de verbinding, in de richting van segment 2. Bepaal de grootte van de spanning σ2 in segment 2.

segment 1: staal, Ø30 mm, 400 mm, E = 200 GPasegment 2: koper, Ø50 mm, 300 mm, E = 120 GPaP = 50 kN
σ2 = MPa
3.Torsie van assenGemiddeld
d1​ = 75 mmd2​ = 40 mmT = 100 N·mABC0,8 m2 m

Een getrapte massieve as van aluminium is ingeklemd in A. Deel AB heeft diameter 75 mm en lengte 0,8 m; deel BC heeft diameter 40 mm en lengte 2 m. Op het vrije uiteinde C werkt een wringend moment van 100 N·m. Vind de wringhoek φC van uiteinde C, in graden.

T = 100 N·md1 = 75 mm, L1 = 0,8 md2 = 40 mm, L2 = 2 mG = 26 GPa
φC = °
4.Torsie van assenMoeilijk
d = 60 mmTB​ = 2000 N·mTC​ = 500 N·mABC1,2 m0,5 m

Een massieve as van staal met diameter 60 mm is ingeklemd in A. Een wringend moment van 2000 N·m werkt in B, op 1,2 m van A, en een wringend moment van 500 N·m in tegengestelde richting werkt op het vrije uiteinde C, nog 0,5 m verder. Vind de grootte van de wringhoek φC van uiteinde C, in graden.

d = 60 mmTB = 2000 N·mTC = 500 N·mAB = 1,2 mBC = 0,5 mG = 80 GPa
φC = °
5.Dwarskracht en buigend momentGemiddeld
P1​ = 55 kNP2​ = 80 kNABC5 m3 m1 m

De balk ligt op een scharnier in A en een rol in B en steekt 1 m voorbij B uit tot het vrije uiteinde C. Hij draagt een puntlast P1 tussen de opleggingen en een puntlast P2 in C. Vind het buigend moment MB bij oplegging B. Neem doorbuigende (sagging) momenten positief en een opwaartse dwarskracht op het linkervlak positief.

L = 9 mP1 = 55 kN op 5 mP2 = 80 kN op 9 mopleggingen bij x = 0 en x = 8 m
MB = kN·m
6.Dwarskracht en buigend momentMoeilijk
w = 2 kN/mP = 15 kNAB7 m3 m

De vrij opgelegde balk draagt een gelijkmatig verdeelde belasting w over de hele overspanning en een puntlast P. Vind het maximale buigend moment Mmax in de balk.

L = 10 mP = 15 kN op 7 mw = 2 kN/m van 0 tot 10 m
Mmax = kN·m
7.Zwaartepunt en traagheidsmomentGemiddeld
150 mm150 mm97,5 mmØ30xIx​ = ?

Een plaat van 150 mm × 150 mm heeft een rond gat met een diameter van 30 mm op de verticale hartlijn, met zijn middelpunt 97,5 mm boven de onderkant. Bepaal het kwadratisch oppervlaktemoment Ix om de horizontale as door het zwaartepunt.

b = 150 mmh = 150 mmd = 30 mmmiddelpunt van het gat: y = 97,5 mm
Ix = × 10⁶ mm⁴
8.Zwaartepunt en traagheidsmomentMoeilijk
2801516012xM = 10 kN·mafmetingen in mm

Het T-profiel wordt gebruikt als balk met de flens boven en draagt een doorbuigend (sagging) moment van 10 kN·m. Vind de grootte van de buigspanning σboven aan de bovenrand.

bf = 280 mmtf = 15 mmtw = 12 mmhw = 160 mmM = 10 kN·m
σboven = MPa
9.Cirkel van Mohr en spanningstransformatieGemiddeld
σx​ = 160σy​ = −40τxy​ = 40MPa

Een punt in een dunne plaat verkeert in een vlakke spanningstoestand: σₓ = 160 MPa, σᵧ = −40 MPa en τₓᵧ = 40 MPa, met σz = 0. Vind de absoluut maximale schuifspanning τabs in het punt (alle vlakken in drie dimensies bekeken).

σx = 160 MPaσy = −40 MPaτxy = 40 MPaσz = 0
τabs = MPa
10.Cirkel van Mohr en spanningstransformatieMoeilijk
σx​ = −60σy​ = 100τxy​ = 40MPa

Een punt in een belast onderdeel heeft σₓ = −60 MPa, σᵧ = 100 MPa en τₓᵧ = 40 MPa (trek positief). Bereken de normaalspanning σθ op een vlak waarvan de normaal 20° tegen de klok in gedraaid is ten opzichte van de x-as.

σx = −60 MPaσy = 100 MPaτxy = 40 MPaθ = 20°
σθ = MPa
11.Doorbuiging van de balkGemiddeld
P = 21 kNABδ2 m1 m

Een vrij opgelegde balk draagt een puntlast P op a = 2 m vanaf oplegging A. Vind de doorbuiging δP onder de last.

P = 21 kNa = 2 mL = 3 mE = 11 GPa (constructiehout)I = 23 × 10⁶ mm⁴
δP = mm
12.Doorbuiging van de balkMoeilijk
w = 10 kN/mδL = 3 m

Een vrij opgelegde balk draagt een gelijkmatig verdeelde belasting w. De doorbuiging mag niet groter zijn dan overspanning/360. Vind het kleinste traagheidsmoment Ireq dat aan deze eis voldoet.

w = 10 kN/mL = 3 mE = 11 GPa (constructiehout)
Ireq = × 10⁶ mm⁴
13.Knik van kolommenGemiddeld
PL = 5 m50 × 80 mmdoorsnede

Een kolom met lengte L van aluminium is onderaan ingeklemd en bovenaan vrij. Vind met de formule van Euler de kritieke knikbelasting Pcr.

L = 5 mE = 70 GPa (aluminium)b × h = 50 × 80 mm
Pcr = kN
14.Knik van kolommenMoeilijk
PL = 1,5 md = 40 mmdoorsnede

Een kolom met lengte L van aluminium is onderaan ingeklemd en bovenaan vrij. Vind de slankheid en de kritieke knikspanning σcr met de formule van Euler.

L = 1,5 mE = 70 GPa (aluminium)d = 40 mm
σcr = MPa

3Oplossingen

1.Axiale spanning en rek

Antwoord: δ = 0,1404 mm

Twee materialen: bij serie (na elkaar) draagt elk segment dezelfde kracht en de verlengingen tellen op: δ = P·Σ L/(E·A). Bij parallel (naast elkaar tussen stijve platen) worden beide delen evenveel korter, dus hun rekken zijn gelijk: het stijvere deel neemt het grotere aandeel op, Pi = P·EiAi/ΣEA, en σi = Ei·ε. Een staaf die tussen twee stijve wanden is ingeklemd met een belasting op de overgang is statisch onbepaald: de twee segmenten delen de belasting naar verhouding van hun stijfheid k = EA/L.

Oppervlakken

Ar = π·40²/4 = 1257 mm²
At = π(100² − 60²)/4 = 5027 mm²

Gecombineerde axiale stijfheid

ΣEA = 200·10³·1257 + 120·10³·5027 = 8,545 × 10⁸ N

Verkorting

δ = 200000·600/8,545 × 10⁸ = 0,1404 mm

Antwoord

δ = 0,1404 mm
2.Axiale spanning en rek

Antwoord: σ2 = 17,56 MPa

Twee materialen: bij serie (na elkaar) draagt elk segment dezelfde kracht en de verlengingen tellen op: δ = P·Σ L/(E·A). Bij parallel (naast elkaar tussen stijve platen) worden beide delen evenveel korter, dus hun rekken zijn gelijk: het stijvere deel neemt het grotere aandeel op, Pi = P·EiAi/ΣEA, en σi = Ei·ε. Een staaf die tussen twee stijve wanden is ingeklemd met een belasting op de overgang is statisch onbepaald: de twee segmenten delen de belasting naar verhouding van hun stijfheid k = EA/L.

Stijfheden

k₁ = 200000·706,9/400 = 353429 N/mm
k₂ = 120000·1963/300 = 785398 N/mm

Aandeel van segment 2

F2 = 50000·785398/1,139 × 10⁶ = 34483 N

Spanning

σ2 = 34483/1963 = 17,56 MPa (druk)

Antwoord

σ2 = 17,56 MPa
3.Torsie van assen

Antwoord: φC = 1,81 °

Torsie van ronde assen: de schuifspanning neemt lineair toe van nul in het midden tot τmax = T·r/J aan het oppervlak, met J = πd⁴/32 voor een massieve as en J = π(do⁴ − di⁴)/32 voor een holle. De wringhoek is φ = TL/(GJ) in radialen. Vermogen en koppel hangen samen via P = T·ω.

Polaire traagheidsmomenten

J1 = π·75⁴/32 = 3,106 × 10⁶ mm⁴
J2 = π·40⁴/32 = 251327 mm⁴

Wringhoek van elk deel

T = 100 N·m = 100000 N·mm
G = 26 GPa = 26000 MPa
φAB = 100000·800/(26000·3,106 × 10⁶) = 0,0009905 rad
φBC = 100000·2000/(26000·251327) = 0,03061 rad

Totale wringhoek

φC = 0,0009905 + 0,03061 = 0,0316 rad = 1,81°

Antwoord

φC = 1,81°
4.Torsie van assen

Antwoord: φC = 0,8725 °

Torsie van ronde assen: de schuifspanning neemt lineair toe van nul in het midden tot τmax = T·r/J aan het oppervlak, met J = πd⁴/32 voor een massieve as en J = π(do⁴ − di⁴)/32 voor een holle. De wringhoek is φ = TL/(GJ) in radialen. Vermogen en koppel hangen samen via P = T·ω.

Inwendige wringende momenten

Draaizin van TC positief genomen.

TBC = TC = 500 N·m
TAB = TC − TB = 500 − 2000 = −1500 N·m

Wringhoek van elk deel

J = π·60⁴/32 = 1,272 × 10⁶ mm⁴
G = 80 GPa = 80000 MPa
φAB = −1,5 × 10⁶·1200/(80000·1,272 × 10⁶) = −0,01768 rad
φBC = 500000·500/(80000·1,272 × 10⁶) = 0,002456 rad

Wringhoek van uiteinde C

φC = −0,01768 + 0,002456 = −0,01523 rad → |φC| = 0,8725°

Antwoord

φC = 0,8725°
5.Dwarskracht en buigend moment

Antwoord: MB = −80 kN·m

Snedemethode: snijd de balk door waar je de inwendige krachten wilt weten en houd één kant over. De dwarskracht V houdt de verticale krachten op die kant in evenwicht, en het buigend moment M hun momenten om de snede.

Oplegreacties

Evenwicht van de hele balk. De last op het overstek levert ook een moment om A.

ΣMA = 0: RB·8 = 55·5 + 80·9
RB = 995/8 = 124,4 kN
ΣFy = 0: RA = 135 − 124,4 = 10,63 kN

Snede bij B, houd het overstek over

Op het overstek werkt alleen P2, met arm a. Die buigt de balk boven de oplegging omhoog (opbuigend, hogging).

MB = −P2·a = −80·1 = −80 kN·m

Antwoord

MB = −80 kN·m
6.Dwarskracht en buigend moment

Antwoord: Mmax = 52,5 kN·m

Snedemethode: snijd de balk door waar je de inwendige krachten wilt weten en houd één kant over. De dwarskracht V houdt de verticale krachten op die kant in evenwicht, en het buigend moment M hun momenten om de snede. Maximaal moment: omdat dM/dx = V, bereikt het buigend moment zijn piek waar de dwarskracht door nul gaat, bij een puntlast of binnen een verdeelde belasting.

Oplegreacties

Evenwicht van de hele balk.

Resultante van de verdeelde belasting: W = w·ℓ = 2·10 = 20 kN, aangrijpend op x̄ = 5 m
ΣMA = 0: RB·10 = 15·7 + 2·10·5
RB = 205/10 = 20,5 kN
ΣFy = 0: RA = 35 − 20,5 = 14,5 kN

Waar is V = 0?

V(7⁻) = RA − w·7 = 0,5 kN
V(7⁺) = 0,5 − 15 = −14,5 kN
De dwarskracht wisselt van teken bij de last, dus het maximum ligt onder de last.

Maximaal moment

Mmax = RA·7 − w·7²/2 = 14,5·7 − 2·7²/2 = 52,5 kN·m

Antwoord

Mmax = 52,5 kN·m

Dat is op x = 7 m vanaf A.

7.Zwaartepunt en traagheidsmoment

Antwoord: Ix = 41,78 × 10⁶ mm⁴

Doorsneden met gaten: behandel een gat als een negatief oppervlak. Het zwaartepunt is ȳ = (A₁y₁ − A₂y₂)/(A₁ − A₂), met A₁, y₁ voor de volle plaat en A₂, y₂ voor het gat. Gebruik voor het kwadratisch oppervlaktemoment om de zwaartelijn de stelling van Steiner voor elk deel en trek het gat af: I = (Ic1 + A₁d₁²) − (Ic2 + A₂d₂²), waarbij d de afstand is van het eigen zwaartepunt van elk deel tot de as door ȳ. Een rechthoek heeft Ic = bh³/12 en een cirkel Ic = πd⁴/64.

Zwaartepunt

ȳ = (22500·75 − 706,9·97,5)/(22500 − 706,9) = 74,27 mm

Volle plaat om ȳ

150·150³/12 + 22500·0,7298² = 42,2 × 10⁶ mm⁴

Gat om ȳ

π·30⁴/64 + 706,9·23,23² = 0,4212 × 10⁶ mm⁴

Trek af

Ix = 41,78 × 10⁶ mm⁴

Antwoord

Ix = 41,78 × 10⁶ mm⁴
8.Zwaartepunt en traagheidsmoment

Antwoord: σboven = 24,5 MPa

Samengestelde doorsneden: verdeel de doorsnede in rechthoeken. Het zwaartepunt is het oppervlaktegewogen gemiddelde ȳ = ΣAᵢyᵢ/ΣAᵢ. Het traagheidsmoment om de zwaartepuntsas telt voor elk deel de eigen bh³/12 en de Steinerterm A·d² op, waarbij d de afstand is van het zwaartepunt van het deel tot het totale zwaartepunt. De buigspanning is σ = M·y/I.

Verdeel in twee rechthoeken

Meet elke y vanaf de onderrand.

flens: Af = 280·15 = 4200 mm², yf = 160 + 15/2 = 167,5 mm
lijf: Aw = 12·160 = 1920 mm², yw = 160/2 = 80 mm

Zwaartepunt

ȳ = (Afyf + Awyw)/(Af + Aw) = (4200·167,5 + 1920·80)/6120 = 140 mm

Stelling van Steiner

flens: 280·15³/12 + 4200·(167,5 − 140)² = 3,244 × 10⁶ mm⁴
lijf: 12·160³/12 + 1920·(80 − 140)² = 1,102 × 10⁷ mm⁴
Ix = 3,244 × 10⁶ + 1,102 × 10⁷ = 1,426 × 10⁷ mm⁴

Buigspanning

De bovenrand ligt h − ȳ van de as.

y = 175 − 140 = 34,95 mm
σ = M·y/I = 1 × 10⁷·34,95/1,426 × 10⁷ = 24,5 MPa

Antwoord

σboven = 24,5 MPa
9.Cirkel van Mohr en spanningstransformatie

Antwoord: τabs = 107,7 MPa

Transformatie van een vlakke spanningstoestand: op een vlak dat over θ gedraaid is, geldt σ = (σₓ + σᵧ)/2 + (σₓ − σᵧ)/2·cos 2θ + τₓᵧ·sin 2θ. De cirkel van Mohr toont alle vlakken tegelijk: het middelpunt ligt bij C = (σₓ + σᵧ)/2 en de straal is R = √(((σₓ − σᵧ)/2)² + τₓᵧ²). De hoofdspanningen zijn C ± R, en de grootste schuifspanning in het vlak is R. In drie dimensies is de absoluut maximale schuifspanning (σmax − σmin)/2 over alle drie hoofdspanningen; in een vlakke spanningstoestand is de derde nul.

στxyCσ1​σ2​

Hoofdspanningen in het vlak

C = 60 MPa, R = √(100² + 40²) = 107,7 MPa
σ1 = 167,7 MPa, σ2 = −47,7 MPa, σz = 0

Grootste van de drie cirkels

τ = max(|σ1 − σ2|, |σ1|, |σ2|)/2 = max(215,4, 167,7, 47,7)/2 = 107,7 MPa

Antwoord

τabs = 107,7 MPa

Hier hebben σ₁ en σ₂ tegengestelde tekens, dus het maximum in het vlak R is ook het absolute maximum.

10.Cirkel van Mohr en spanningstransformatie

Antwoord: σθ = −15,57 MPa

Transformatie van een vlakke spanningstoestand: op een vlak dat over θ gedraaid is, geldt σ = (σₓ + σᵧ)/2 + (σₓ − σᵧ)/2·cos 2θ + τₓᵧ·sin 2θ. De cirkel van Mohr toont alle vlakken tegelijk: het middelpunt ligt bij C = (σₓ + σᵧ)/2 en de straal is R = √(((σₓ − σᵧ)/2)² + τₓᵧ²). De hoofdspanningen zijn C ± R, en de grootste schuifspanning in het vlak is R.

Transformatieformule

σθ = 20 + −80·0,766 + 40·0,6428 = −15,57 MPa

Antwoord

σθ = −15,57 MPa
11.Doorbuiging van de balk

Antwoord: δP = 36,89 mm

Doorbuiging van balken: doorbuigingen volgen uit het twee keer integreren van de kromming M/(EI). Standaardgevallen staan in tabellen, bijvoorbeeld PL³/(3EI) voor een uitkragende ligger met een eindlast en 5wL⁴/(384EI) voor een vrij opgelegde balk onder een volledige gelijkmatige belasting. Doorbuigingen door afzonderlijke belastingen tellen op (superpositie).

Consistente eenheden

Werk in N en mm: P in N, w in N/mm (kN/m = N/mm), L in mm, E in N/mm² (GPa × 1000), I in mm⁴.

P = 21000 N, a = 2000 mm, b = 1000 mm, L = 3000 mm
EI = 2,53 × 10¹¹ N·mm²

Doorbuiging onder de last

δP = Pa²b²/(3EIL) = 21000·2000²·1000²/(3·2,53 × 10¹¹·3000) = 36,89 mm

Antwoord

δP = 36,89 mm
12.Doorbuiging van de balk

Antwoord: Ireq = 115,1 × 10⁶ mm⁴

Doorbuiging van balken: doorbuigingen volgen uit het twee keer integreren van de kromming M/(EI). Standaardgevallen staan in tabellen, bijvoorbeeld PL³/(3EI) voor een uitkragende ligger met een eindlast en 5wL⁴/(384EI) voor een vrij opgelegde balk onder een volledige gelijkmatige belasting. Doorbuigingen door afzonderlijke belastingen tellen op (superpositie).

Doorbuigingseis

δallow = L/360 = 3000/360 = 8,333 mm

Benodigd traagheidsmoment

I = 5wL⁴/(384·E·δallow) = 5·10·3000⁴/(384·11000·8,333) = 1,151 × 10⁸ mm⁴
Ireq = 115,1 × 10⁶ mm⁴

Antwoord

Ireq = 115,1 × 10⁶ mm⁴
13.Knik van kolommen

Antwoord: Pcr = 5,757 kN

Knik volgens Euler: een slanke kolom wordt instabiel bij Pcr = π²EI/(KL)², waarbij KL de kniklengte is: K = 1 voor scharnier–scharnier, 2 voor ingeklemd–vrij, 0,7 voor ingeklemd–scharnier en 0,5 voor ingeklemd–ingeklemd. De kolom knikt om de as met de kleinste I. De formule geldt voor slanke kolommen, waarvan de kritieke spanning onder de vloeigrens blijft.

Kleinste traagheidsmoment

Een rechthoek knikt om zijn zwakke as, met de kleinste afmeting tot de derde macht.

Imin = h·b³/12 = 80·50³/12 = 833333 mm⁴

Kniklengte

KL = 2·5000 = 10000 mm

Kritieke belasting

Pcr = π²EI/(KL)² = π²·70000·833333/10000² = 5757 N = 5,757 kN

Antwoord

Pcr = 5,757 kN
14.Knik van kolommen

Antwoord: σcr = 7,676 MPa

Knik volgens Euler: een slanke kolom wordt instabiel bij Pcr = π²EI/(KL)², waarbij KL de kniklengte is: K = 1 voor scharnier–scharnier, 2 voor ingeklemd–vrij, 0,7 voor ingeklemd–scharnier en 0,5 voor ingeklemd–ingeklemd. De kolom knikt om de as met de kleinste I. De formule geldt voor slanke kolommen, waarvan de kritieke spanning onder de vloeigrens blijft.

Kleinste traagheidsmoment

Een ronde doorsnede heeft om elke as dezelfde I.

I = πd⁴/64 = π·40⁴/64 = 125664 mm⁴

Traagheidsstraal en slankheid

A = 1257 mm²
r = √(I/A) = √(125664/1257) = 10 mm
KL = 2·1500 = 3000 mm
KL/r = 3000/10 = 300

Kritieke spanning

σcr = π²E/(KL/r)² = π²·70000/300² = 7,676 MPa

Antwoord

σcr = 7,676 MPa

ExamProblems · examproblems.com/courses/mechanics-of-materials