Sterkteleer: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 14 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Axiale spanning en rek

Normaalspanning
σ = F/A
Rek
ε = ΔL/L
Wet van Hooke
σ = E·ε
Verlenging
ΔL = FL/(EA)
Thermische rek
εT = α·ΔT

Torsie van assen

Schuifspanning
τ = T·r/J
Massieve as
J = πd⁴/32
Holle as
J = π(D⁴ − d⁴)/32
Wringhoek
φ = TL/(GJ)
Vermogen
P = T·ω = 2πnT/60

Methode

  1. Bereken het polair traagheidsmoment: J = πd⁴/32 voor een massieve as.
  2. Schuifspanning aan het oppervlak: τ = T·r/J, met r de buitenstraal.
  3. Wringhoek: φ = TL/(GJ) in radialen.
  4. Als het vermogen gegeven is, bereken dan eerst het koppel met P = T·ω, ω = 2πn/60.

Dwarskracht en buigend moment

Dwarskracht en moment
V = ΣF aan één kant, M = ΣF·d aan één kant
Buigspanning
σ = M·y/I
Rechthoek
I = bh³/12
Weerstandsmoment
W = I/ymax
Ligger op twee steunpunten, gelijkmatige belasting
Mmax = wL²/8

Methode

  1. Bepaal de oplegreacties uit het evenwicht van de hele balk.
  2. Snijd de balk door in de doorsnede die je nodig hebt en houd één kant over.
  3. Dwarskracht: de som van de verticale krachten op die kant. Buigend moment: de som van hun momenten om de snede.
  4. Zoek voor het maximale moment de plek waar de dwarskracht nul is.

Zwaartepunt en traagheidsmoment

Zwaartepunt
ȳ = ΣAiyi/ΣAi
Rechthoek
I = bh³/12
Stelling van Steiner
I = Ic + A·d²
Samengestelde doorsnede
I = Σ(Ic,i + Aidi²)

Cirkel van Mohr en spanningstransformatie

Middelpunt
C = (σx + σy)/2
Straal
R = √(((σx − σy)/2)² + τxy²)
Hoofdspanningen
σ1,2 = C ± R
Hoofdrichting
tan 2θp = 2τxy/(σx − σy)
Schuin vlak
σθ = C + (σx − σy)/2·cos 2θ + τxy·sin 2θ

Methode

  1. Bereken het middelpunt van de cirkel van Mohr: C = (σx + σy)/2.
  2. Bereken de straal: R = √(((σx − σy)/2)² + τxy²).
  3. De hoofdspanningen zijn C ± R en de grootste schuifspanning in het vlak is R.
  4. Hoeken op de cirkel zijn het dubbele van de hoeken op het element: tan 2θp = 2τxy/(σx − σy).

Doorbuiging van de balk

Puntlast in het midden
δ = PL³/(48EI)
Gelijkmatige belasting, ligger op twee steunpunten
δ = 5wL⁴/(384EI)
Uitkraging, eindlast
δ = PL³/(3EI)
Uitkraging, gelijkmatige belasting
δ = wL⁴/(8EI)
Superpositie
δ = δ1 + δ2

Knik van kolommen

Eulerse kniklast
Pcr = π²EI/(KL)²
Kniklengtefactor
K = 1 scharnierend–scharnierend, 0,5 ingeklemd–ingeklemd, 0,7 ingeklemd–scharnierend, 2 ingeklemd–vrij
Kritieke spanning
σcr = Pcr/A
Slankheid
λ = KL/r, r = √(I/A)

2Oefenopgaven

1.Axiale spanning en rekGemiddeld
200 kNØ30100 GPaØ100/70400 mmδ = ?

Een staaf van staal (diameter 30 mm, E = 200 GPa) zit in een buis van messing (buitendiameter 100 mm, binnendiameter 70 mm, E = 100 GPa). Beide zijn 400 mm lang en worden samen tussen stijve platen met 200 kN op druk belast. Bepaal de verkorting δ.

P = 200 kNstaaf: Ø30 mm, E = 200 GPabuis: Ø100/Ø70 mm, E = 100 GPaL = 400 mm
δ = mm
2.Axiale spanning en rekMoeilijk
P = ?Ø25100 GPaØ80/60300 mm

Een staaf van staal (diameter 25 mm, E = 200 GPa, toelaatbare spanning 120 MPa) zit in een buis van messing (buitendiameter 80 mm, binnendiameter 60 mm, E = 100 GPa, toelaatbare spanning 50 MPa). Ze worden samen tussen stijve platen op druk belast. Bepaal de grootste belasting Pmax.

staaf: Ø25 mm, E = 200 GPa, σallow = 120 MPabuis: Ø80/Ø60 mm, E = 100 GPa, σallow = 50 MPa
Pmax = kN
3.Torsie van assenGemiddeld
d = ?T = 200 N·mL = 3 m

Een massieve as van aluminium met een lengte van 3 m draagt een wringend moment van 200 N·m. De wringhoek tussen de uiteinden mag niet groter zijn dan 2°. Vind de kleinste diameter d die hieraan voldoet.

T = 200 N·mL = 3 mG = 26 GPaφallow = 2°
d = mm
4.Torsie van assenMoeilijk
Td = ?

Een massieve as moet 30 kW overbrengen bij 500 omw/min zonder dat de schuifspanning boven 60 MPa komt. Vind de kleinste diameter d die voldoet.

P = 30 kWN = 500 rpmτallow = 60 MPa
d = mm
5.Dwarskracht en buigend momentGemiddeld
w = 12 kN/mABdoorsnede1,5 m2,5 m

Vind het buigend moment Mx in de doorsnede x = 1,5 m vanaf oplegging A. Neem doorbuigende (sagging) momenten positief en een opwaartse dwarskracht op het linkervlak positief.

L = 4 mw = 12 kN/m van 0 tot 4 mx = 1,5 m
Mx = kN·m
6.Dwarskracht en buigend momentMoeilijk
w = 6 kN/mP = 25 kNABdoorsnede1,5 m1 m3,5 m

Vind het buigend moment Mx in de doorsnede x = 2,5 m vanaf oplegging A. Neem doorbuigende (sagging) momenten positief en een opwaartse dwarskracht op het linkervlak positief.

L = 6 mP = 25 kN op 1,5 mw = 6 kN/m van 0 tot 6 mx = 2,5 m
Mx = kN·m
7.Zwaartepunt en traagheidsmomentGemiddeld
2001018016xafmetingen in mm

Vind het traagheidsmoment Ix van het T-profiel om de horizontale as x door het zwaartepunt.

bf = 200 mmtf = 10 mmtw = 16 mmhw = 180 mm
Ix = × 10⁶ mm⁴
8.Zwaartepunt en traagheidsmomentMoeilijk
1601530014xM = 10 kN·mafmetingen in mm

Het T-profiel wordt gebruikt als balk met de flens boven en draagt een doorbuigend (sagging) moment van 10 kN·m. Vind de buigspanning σonder aan de onderrand.

bf = 160 mmtf = 15 mmtw = 14 mmhw = 300 mmM = 10 kN·m
σonder = MPa
9.Cirkel van Mohr en spanningstransformatieGemiddeld
σx​ = 90σy​ = 120τxy​ = 60MPa

In een punt is σₓ = 90 MPa, σᵧ = 120 MPa en τₓᵧ = 60 MPa (trek positief). Het element wordt 35° linksom gedraaid. Vind de normaalspanning σy′ op de vlakken van het gedraaide element die loodrecht staan op de gedraaide y′-as.

σx = 90 MPaσy = 120 MPaτxy = 60 MPaθ = 35°
σy′ = MPa
10.Cirkel van Mohr en spanningstransformatieMoeilijk
σx​ = 30σy​ = 70τxy​ = 20MPa

Een punt in een belast onderdeel heeft σₓ = 30 MPa, σᵧ = 70 MPa en τₓᵧ = 20 MPa (trek positief). Bereken de schuifspanning τθ op een vlak waarvan de normaal 50° tegen de klok in gedraaid is ten opzichte van de x-as (positief in dezelfde zin als τₓᵧ).

σx = 30 MPaσy = 70 MPaτxy = 20 MPaθ = 50°
τθ = MPa
11.Doorbuiging van de balkGemiddeld
w = 2 kN/mABθ6 m

Een vrij opgelegde balk draagt een gelijkmatig verdeelde belasting w over de hele overspanning. Vind de hoekverdraaiing θA van de balk bij oplegging A, in radialen.

w = 2 kN/mL = 6 mE = 11 GPa (constructiehout)I = 120 × 10⁶ mm⁴
θA = rad
12.Doorbuiging van de balkMoeilijk
w = 12 kN/mP = 29 kNδL = 3 m

Een vrij opgelegde balk draagt een gelijkmatig verdeelde belasting w en een puntlast P in het midden. Vind met superpositie de doorbuiging in het midden δmax.

P = 29 kNw = 12 kN/mL = 3 mE = 11 GPa (constructiehout)I = 160 × 10⁶ mm⁴
δmax = mm
13.Knik van kolommenGemiddeld
PL = 6 m30 × 60 mmdoorsnede

Een kolom met lengte L van aluminium is onderaan ingeklemd en bovenaan scharnierend. Vind met de formule van Euler de kritieke knikbelasting Pcr.

L = 6 mE = 70 GPa (aluminium)b × h = 30 × 60 mm
Pcr = kN
14.Knik van kolommenMoeilijk
PL = 2 md = 25 mmdoorsnede

Een kolom met lengte L van staal is aan beide uiteinden scharnierend. Vind de slankheid en de kritieke knikspanning σcr met de formule van Euler.

L = 2 mE = 200 GPa (staal)d = 25 mm
σcr = MPa

3Oplossingen

1.Axiale spanning en rek

Antwoord: δ = 0,1476 mm

Twee materialen: bij serie (na elkaar) draagt elk segment dezelfde kracht en de verlengingen tellen op: δ = P·Σ L/(E·A). Bij parallel (naast elkaar tussen stijve platen) worden beide delen evenveel korter, dus hun rekken zijn gelijk: het stijvere deel neemt het grotere aandeel op, Pi = P·EiAi/ΣEA, en σi = Ei·ε. Een staaf die tussen twee stijve wanden is ingeklemd met een belasting op de overgang is statisch onbepaald: de twee segmenten delen de belasting naar verhouding van hun stijfheid k = EA/L.

Oppervlakken

Ar = π·30²/4 = 706,9 mm²
At = π(100² − 70²)/4 = 4006 mm²

Gecombineerde axiale stijfheid

ΣEA = 200·10³·706,9 + 100·10³·4006 = 5,419 × 10⁸ N

Verkorting

δ = 200000·400/5,419 × 10⁸ = 0,1476 mm

Antwoord

δ = 0,1476 mm
2.Axiale spanning en rek

Antwoord: Pmax = 159 kN

Twee materialen: bij serie (na elkaar) draagt elk segment dezelfde kracht en de verlengingen tellen op: δ = P·Σ L/(E·A). Bij parallel (naast elkaar tussen stijve platen) worden beide delen evenveel korter, dus hun rekken zijn gelijk: het stijvere deel neemt het grotere aandeel op, Pi = P·EiAi/ΣEA, en σi = Ei·ε. Een staaf die tussen twee stijve wanden is ingeklemd met een belasting op de overgang is statisch onbepaald: de twee segmenten delen de belasting naar verhouding van hun stijfheid k = EA/L.

Oppervlakken

Ar = π·25²/4 = 490,9 mm²
At = π(80² − 60²)/4 = 2199 mm²

Gecombineerde axiale stijfheid

ΣEA = 200·10³·490,9 + 100·10³·2199 = 3,181 × 10⁸ N

Bepalende rek

ε = min(0,0006, 0,0005) = 0,0005 (messing)

Grootste belasting

Pmax = 0,0005·3,181 × 10⁸ = 159043 N = 159 kN

Antwoord

Pmax = 159 kN
3.Torsie van assen

Antwoord: d = 50,94 mm

Torsie van ronde assen: de schuifspanning neemt lineair toe van nul in het midden tot τmax = T·r/J aan het oppervlak, met J = πd⁴/32 voor een massieve as en J = π(do⁴ − di⁴)/32 voor een holle. De wringhoek is φ = TL/(GJ) in radialen. Vermogen en koppel hangen samen via P = T·ω.

Benodigd polair traagheidsmoment

T = 200 N·m = 200000 N·mm
L = 3 m = 3000 mm
G = 26 GPa = 26000 MPa
φ = 2·π/180 = 0,03491 rad
J = TL/(Gφ) = 200000·3000/(26000·0,03491) = 661105 mm⁴

Diameter

d = (32J/π)1/4 = 50,94 mm

Antwoord

d = 50,94 mm

In de praktijk rond je af naar de volgende standaardmaat.

4.Torsie van assen

Antwoord: d = 36,5 mm

Torsie van ronde assen: de schuifspanning neemt lineair toe van nul in het midden tot τmax = T·r/J aan het oppervlak, met J = πd⁴/32 voor een massieve as en J = π(do⁴ − di⁴)/32 voor een holle. De wringhoek is φ = TL/(GJ) in radialen. Vermogen en koppel hangen samen via P = T·ω.

Koppel

ω = 2πN/60 = 2π·500/60 = 52,36 rad/s
T = P/ω = 30000/52,36 = 573 N·m

Diameter uit de toelaatbare spanning

d = ∛(16T/(π·τallow)) = ∛(16·572958/(π·60)) = 36,5 mm

Antwoord

d = 36,5 mm

In de praktijk rond je af naar de volgende standaardmaat.

5.Dwarskracht en buigend moment

Antwoord: Mx = 22,5 kN·m

Snedemethode: snijd de balk door waar je de inwendige krachten wilt weten en houd één kant over. De dwarskracht V houdt de verticale krachten op die kant in evenwicht, en het buigend moment M hun momenten om de snede.

Oplegreacties

Evenwicht van de hele balk.

Resultante van de verdeelde belasting: W = w·ℓ = 12·4 = 48 kN, aangrijpend op x̄ = 2 m
ΣMA = 0: RB·4 = 12·4·2
RB = 96/4 = 24 kN
ΣFy = 0: RA = 48 − 24 = 24 kN
w = 12 kN/mABRA​ = 24RB​ = 24doorsnede1,5 m2,5 m

Snijd bij x = 1,5 m en houd het linkerdeel over

Alleen krachten links van de snede tellen mee. Een stuk verdeelde belasting werkt als één kracht in het midden van dat stuk.

M = RA·x − (elke belasting links van de snede × de afstand tot de snede)
Mx = 24·1,5 − 12·1,5·0,75 = 22,5 kN·m

Antwoord

Mx = 22,5 kN·m
6.Dwarskracht en buigend moment

Antwoord: Mx = 48,13 kN·m

Snedemethode: snijd de balk door waar je de inwendige krachten wilt weten en houd één kant over. De dwarskracht V houdt de verticale krachten op die kant in evenwicht, en het buigend moment M hun momenten om de snede.

Oplegreacties

Evenwicht van de hele balk.

Resultante van de verdeelde belasting: W = w·ℓ = 6·6 = 36 kN, aangrijpend op x̄ = 3 m
ΣMA = 0: RB·6 = 25·1,5 + 6·6·3
RB = 145,5/6 = 24,25 kN
ΣFy = 0: RA = 61 − 24,25 = 36,75 kN
w = 6 kN/mP = 25 kNABRA​ = 36,75RB​ = 24,25doorsnede1,5 m1 m3,5 m

Snijd bij x = 2,5 m en houd het linkerdeel over

Alleen krachten links van de snede tellen mee. Een stuk verdeelde belasting werkt als één kracht in het midden van dat stuk.

M = RA·x − (elke belasting links van de snede × de afstand tot de snede)
Mx = 36,75·2,5 − 25·(2,5 − 1,5) − 6·2,5·1,25 = 48,13 kN·m

Antwoord

Mx = 48,13 kN·m
7.Zwaartepunt en traagheidsmoment

Antwoord: Ix = 18,45 × 10⁶ mm⁴

Samengestelde doorsneden: verdeel de doorsnede in rechthoeken. Het zwaartepunt is het oppervlaktegewogen gemiddelde ȳ = ΣAᵢyᵢ/ΣAᵢ. Het traagheidsmoment om de zwaartepuntsas telt voor elk deel de eigen bh³/12 en de Steinerterm A·d² op, waarbij d de afstand is van het zwaartepunt van het deel tot het totale zwaartepunt. De buigspanning is σ = M·y/I.

Verdeel in twee rechthoeken

Meet elke y vanaf de onderrand.

flens: Af = 200·10 = 2000 mm², yf = 180 + 10/2 = 185 mm
lijf: Aw = 16·180 = 2880 mm², yw = 180/2 = 90 mm

Zwaartepunt

ȳ = (Afyf + Awyw)/(Af + Aw) = (2000·185 + 2880·90)/4880 = 128,9 mm

Stelling van Steiner

flens: 200·10³/12 + 2000·(185 − 128,9)² = 6,303 × 10⁶ mm⁴
lijf: 16·180³/12 + 2880·(90 − 128,9)² = 1,214 × 10⁷ mm⁴
Ix = 6,303 × 10⁶ + 1,214 × 10⁷ = 1,845 × 10⁷ mm⁴ = 18,45 × 10⁶ mm⁴

Antwoord

Ix = 18,45 × 10⁶ mm⁴
8.Zwaartepunt en traagheidsmoment

Antwoord: σonder = 29,85 MPa

Samengestelde doorsneden: verdeel de doorsnede in rechthoeken. Het zwaartepunt is het oppervlaktegewogen gemiddelde ȳ = ΣAᵢyᵢ/ΣAᵢ. Het traagheidsmoment om de zwaartepuntsas telt voor elk deel de eigen bh³/12 en de Steinerterm A·d² op, waarbij d de afstand is van het zwaartepunt van het deel tot het totale zwaartepunt. De buigspanning is σ = M·y/I.

Verdeel in twee rechthoeken

Meet elke y vanaf de onderrand.

flens: Af = 160·15 = 2400 mm², yf = 300 + 15/2 = 307,5 mm
lijf: Aw = 14·300 = 4200 mm², yw = 300/2 = 150 mm

Zwaartepunt

ȳ = (Afyf + Awyw)/(Af + Aw) = (2400·307,5 + 4200·150)/6600 = 207,3 mm

Stelling van Steiner

flens: 160·15³/12 + 2400·(307,5 − 207,3)² = 2,415 × 10⁷ mm⁴
lijf: 14·300³/12 + 4200·(150 − 207,3)² = 4,528 × 10⁷ mm⁴
Ix = 2,415 × 10⁷ + 4,528 × 10⁷ = 6,943 × 10⁷ mm⁴

Buigspanning

De onderrand ligt ȳ van de as.

y = 207,3 mm
σ = M·y/I = 1 × 10⁷·207,3/6,943 × 10⁷ = 29,85 MPa

Antwoord

σonder = 29,85 MPa
9.Cirkel van Mohr en spanningstransformatie

Antwoord: σy′ = 53,75 MPa

Transformatie van een vlakke spanningstoestand: op een vlak dat over θ gedraaid is, geldt σ = (σₓ + σᵧ)/2 + (σₓ − σᵧ)/2·cos 2θ + τₓᵧ·sin 2θ. De cirkel van Mohr toont alle vlakken tegelijk: het middelpunt ligt bij C = (σₓ + σᵧ)/2 en de straal is R = √(((σₓ − σᵧ)/2)² + τₓᵧ²). De hoofdspanningen zijn C ± R, en de grootste schuifspanning in het vlak is R.

Transformatievergelijking voor het y′-vlak

σy′ = 105 − (−15)·0,342 − 60·0,9397 = 53,75 MPa

Controle

De som van de normaalspanningen verandert niet bij rotatie.

σx′ = 156,3 MPa, σx′ + σy′ = 210 = σx + σy

Antwoord

σy′ = 53,75 MPa
10.Cirkel van Mohr en spanningstransformatie

Antwoord: τθ = 16,22 MPa

Transformatie van een vlakke spanningstoestand: op een vlak dat over θ gedraaid is, geldt σ = (σₓ + σᵧ)/2 + (σₓ − σᵧ)/2·cos 2θ + τₓᵧ·sin 2θ. De cirkel van Mohr toont alle vlakken tegelijk: het middelpunt ligt bij C = (σₓ + σᵧ)/2 en de straal is R = √(((σₓ − σᵧ)/2)² + τₓᵧ²). De hoofdspanningen zijn C ± R, en de grootste schuifspanning in het vlak is R.

Transformatieformule

τθ = −−20·0,9848 + 20·−0,1736 = 16,22 MPa

Antwoord

τθ = 16,22 MPa
11.Doorbuiging van de balk

Antwoord: θA = 0,01364 rad

Doorbuiging van balken: doorbuigingen volgen uit het twee keer integreren van de kromming M/(EI). Standaardgevallen staan in tabellen, bijvoorbeeld PL³/(3EI) voor een uitkragende ligger met een eindlast en 5wL⁴/(384EI) voor een vrij opgelegde balk onder een volledige gelijkmatige belasting. Doorbuigingen door afzonderlijke belastingen tellen op (superpositie). De hoekverdraaiing θ = dv/dx is de eerste integraal van M/(EI); in consistente eenheden komt die uit in radialen.

Consistente eenheden

Werk in N en mm: P in N, w in N/mm (kN/m = N/mm), L in mm, E in N/mm² (GPa × 1000), I in mm⁴.

w = 2 N/mm, L = 6000 mm
EI = 1,32 × 10¹² N·mm²

Eindhoekverdraaiing

θA = wL³/(24EI) = 2·6000³/(24·1,32 × 10¹²) = 0,01364 rad

Antwoord

θA = 0,01364 rad

Dat is 0,7813°.

12.Doorbuiging van de balk

Antwoord: δmax = 16,46 mm

Doorbuiging van balken: doorbuigingen volgen uit het twee keer integreren van de kromming M/(EI). Standaardgevallen staan in tabellen, bijvoorbeeld PL³/(3EI) voor een uitkragende ligger met een eindlast en 5wL⁴/(384EI) voor een vrij opgelegde balk onder een volledige gelijkmatige belasting. Doorbuigingen door afzonderlijke belastingen tellen op (superpositie).

Consistente eenheden

Werk in N en mm: P in N, w in N/mm (kN/m = N/mm), L in mm, E in N/mm² (GPa × 1000), I in mm⁴.

P = 29000 N, w = 12 N/mm, L = 3000 mm, EI = 1,76 × 10¹² N·mm²

Elke belasting afzonderlijk

δP = PL³/(48EI) = 29000·3000³/(48·1,76 × 10¹²) = 9,268 mm
δw = 5wL⁴/(384EI) = 5·12·3000⁴/(384·1,76 × 10¹²) = 7,191 mm

Tel ze op

δmax = 9,268 + 7,191 = 16,46 mm

Antwoord

δmax = 16,46 mm
13.Knik van kolommen

Antwoord: Pcr = 5,287 kN

Knik volgens Euler: een slanke kolom wordt instabiel bij Pcr = π²EI/(KL)², waarbij KL de kniklengte is: K = 1 voor scharnier–scharnier, 2 voor ingeklemd–vrij, 0,7 voor ingeklemd–scharnier en 0,5 voor ingeklemd–ingeklemd. De kolom knikt om de as met de kleinste I. De formule geldt voor slanke kolommen, waarvan de kritieke spanning onder de vloeigrens blijft.

Kleinste traagheidsmoment

Een rechthoek knikt om zijn zwakke as, met de kleinste afmeting tot de derde macht.

Imin = h·b³/12 = 60·30³/12 = 135000 mm⁴

Kniklengte

KL = 0,7·6000 = 4200 mm

Kritieke belasting

Pcr = π²EI/(KL)² = π²·70000·135000/4200² = 5287 N = 5,287 kN

Antwoord

Pcr = 5,287 kN
14.Knik van kolommen

Antwoord: σcr = 19,28 MPa

Knik volgens Euler: een slanke kolom wordt instabiel bij Pcr = π²EI/(KL)², waarbij KL de kniklengte is: K = 1 voor scharnier–scharnier, 2 voor ingeklemd–vrij, 0,7 voor ingeklemd–scharnier en 0,5 voor ingeklemd–ingeklemd. De kolom knikt om de as met de kleinste I. De formule geldt voor slanke kolommen, waarvan de kritieke spanning onder de vloeigrens blijft.

Kleinste traagheidsmoment

Een ronde doorsnede heeft om elke as dezelfde I.

I = πd⁴/64 = π·25⁴/64 = 19175 mm⁴

Traagheidsstraal en slankheid

A = 490,9 mm²
r = √(I/A) = √(19175/490,9) = 6,25 mm
KL = 1·2000 = 2000 mm
KL/r = 2000/6,25 = 320

Kritieke spanning

σcr = π²E/(KL/r)² = π²·200000/320² = 19,28 MPa

Antwoord

σcr = 19,28 MPa

ExamProblems · examproblems.com/courses/mechanics-of-materials