Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.
1Formules en methoden
Gelijkstroommotoren
Ankerketen
V = E + IaRa
Tegen-EMK en koppel
E = k·ω, T = k·Ia
Snelheid
ω = 2π·n/60, ω = (V − IaRa)/k
Onbelast toerental en blokkeerkoppel
ω0 = V/k, Tstall = k·V/Ra
Vermogens
Pin = V·Ia, Pdev = E·Ia = T·ω, Pout = Pdev − Prot
Starten
Istart = V/(Ra + Rst)
Toerentalregeling
SR = (n0 − nFL)/nFL
Maximaal ontwikkeld vermogen
Pmax = V²/(4Ra)
Chopperaandrijving
Va = D·Vdc
Methode
Teken de ankerketen: voeding V, weerstand Ra en de tegen-EMK E in serie.
Gebruik V = E + Ia·Ra om spanning, stroom en tegen-EMK te verbinden.
Gebruik E = k·ω voor het toerental en T = k·Ia voor het koppel, met ω = 2π·n/60.
Begin voor vermogen en rendement bij V·Ia, trek het koperverlies Ia²·Ra af en daarna de rotatieverliezen.
Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Ingrijpende tandwielen
n1·N1 = n2·N2
Koppel
T2 = T1·(N2/N1)·η
Vermogen
P = T·ω, ω = 2π·n/60
Meertraps overbrenging
totale overbrengingsverhouding = product van de trapverhoudingen
Data-acquisitie en bemonstering
Nyquistcriterium
fs > 2·fmax, fN = fs/2
Aliasfrequentie
fa = |f − k·fs|, k = round(f/fs)
Stapgrootte
1 LSB = VFSR/2ᴺ
Kwantisatiefout (afronding)
±½ LSB
Afkappende ADC-code
D = ⌊Vin/LSB⌋
Bits voor een resolutie r
2ᴺ ≥ span/r
Ideale SQNR, volle-schaal sinus
SQNR = 6,02·N + 1,76 dB
Datasnelheid
kanalen × fs × N bit/s
Gemultiplexte ADC
fs = 1/(n·(tc + tset))
UART
Tb = 1/baud; 8N1 = 10 bits per byte; bytes/s = baud/bits per frame
Baudrate-deler
baud = fclk/(16·D)
Methode
Schrijf op wat gegeven is: bemonsteringsfrequentie, signaalfrequenties, aantal bits, ingangsbereik, baudrate.
Vergelijk bij bemonsteringsvragen elke frequentie met fs/2; een hogere frequentie verschijnt bij fa = |f − k·fs| met het dichtstbijzijnde veelvoud van fs.
Bepaal bij resolutievragen 1 LSB = VFSR/2ᴺ, of de kleinste N met 2ᴺ ≥ bereik/resolutie.
Tel bij datasnelheden en UART-verbindingen alles wat wordt verzonden: kanalen, samples per seconde, bits of hele bytes per sample, en de start-, pariteits- en stopbits van elk frame.
Brug van Wheatstone en rekstrookjes
Deelspanningen
Va = VsR2/(R1 + R2), Vb = VsR4/(R3 + R4)
Output
Vab = Va − Vb
Balans
R1/R2 = R3/R4
Schuifdraadbrug
R/Rx = l/(100 − l)
Thévenin-weerstand
Rth = R1∥R2 + R3∥R4
K-factor
ΔR/R = GF·ε
Uitgang van de brug
kwart Vs·GF·ε/4, half Vs·GF·ε/2, vol Vs·GF·ε
Kleine verandering, één arm
Vab ≈ Vs·ΔR/(4R)
Spanning
σ = E·ε
Methode
Behandel de brug als twee spanningsdelers over dezelfde voeding.
Stel voor evenwicht R₁/R₂ = R₃/R₄ en los op voor de onbekende weerstand.
Bepaal voor een onevenwichtige brug Va en Vb uit de delers en trek ze af; gebruik het Thévenin-equivalent als een meter de uitgang belast.
Reken voor rekstrookjes de rek om naar ΔR/R = GF·ε en gebruik Vs·GF·ε/4, /2 of ×1 voor een kwart-, halve of volle brug.
Stationaire fout en PID-regeling
Systeemtype
aantal polen van G(s) bij s = 0
Foutconstanten
Kp = lim G(s), Kv = lim s·G(s), Ka = lim s²·G(s) (s → 0)
Stap A
ess = A/(1 + Kp)
Helling A·t
ess = A/Kv
Parabool A·t²/2
ess = A/Ka
PID-regelaar
C(s) = Kp + Ki/s + Kd·s
Tweedegraads doel
s² + 2ζωns + ωn²
Overshoot en timing
%OS = 100·e−ζπ/√(1−ζ²), tp = π/ωd, ts ≈ 4/(ζωn)
Methode
Tel de polen van de open lus C(s)·G(s) bij s = 0: dat is het systeemtype.
Bereken de foutconstante die bij de ingang hoort: Kp voor een stap, Kv voor een helling, Ka voor een parabool.
Pas ess = A/(1 + Kp), A/Kv of A/Ka toe, of los het op voor de versterking die je nodig hebt.
Schrijf voor een eis aan demping of snelheid het karakteristieke polynoom van de gesloten lus op en laat het overeenkomen met s² + 2ζω_n·s + ω_n².
2Oefenopgaven
1.GelijkstroommotorenGemiddeld
Een gelijkstroommotor (k = 1,2 V·s/rad, Ra = 2 Ω) draait op 110 V. Bij vollast neemt hij 4 A op. Bepaal zijn toerentalregeling SR = (n₀ − nFL)/nFL in procent, als je de nullaststroom verwaarloost.
V = 110 Vk = 1,2 V·s/radRa = 2 ΩIFL = 4 A
SR = %
2.GelijkstroommotorenMoeilijk
Een separaat bekrachtigde gelijkstroommotor op 110 V (Ra = 0,25 Ω) draait met 1500 rpm bij een ankerstroom van 15 A. De belasting verandert en de stroom wordt 7,5 A, terwijl het veld gelijk blijft. Bepaal het nieuwe toerental n2.
V = 110 VRa = 0,25 Ωn1 = 1500 rpmIa1 = 15 AIa2 = 7,5 A
n2 = rpm
3.Tandwielen en tandwieloverbrengingenGemiddeld
Een motor van 7,5 kW die met 960 rpm draait, drijft een rondsel met 32 tanden aan, dat ingrijpt in een tandwiel met 36 tanden. Het tandwielpaar heeft een rendement van 96%. Bereken het uitgaande koppel T2 op de as van het tandwiel.
P = 7,5 kWn1 = 960 rpmN1 = 32N2 = 36η = 96%
T2 = N·m
4.Tandwielen en tandwieloverbrengingenMoeilijk
In een meertraps tandwieloverbrenging drijft tandwiel A (16 tanden) op de ingaande as, die met 2900 rpm draait, tandwiel B (36 tanden) aan. Tandwiel C (25 tanden) zit vast op dezelfde as als B en drijft tandwiel D (45 tanden) op de uitgaande as aan. Bereken het uitgaande toerental nout.
nin = 2900 rpmA = 16B = 36C = 25D = 45
nout = rpm
5.Data-acquisitie en bemonsteringGemiddeld
Een ADC met een ingangsbereik van 0 tot 3,3 V moet stappen van 5 mV of kleiner kunnen onderscheiden. Bepaal het kleinste aantal bits N.
VFSR = 3,3 Vresolutie = 5 mV
N =
6.Data-acquisitie en bemonsteringMoeilijk
Een 16-bits ADC stuurt elke sample via een UART met 115200 baud, formaat 8N1 (startbit, 8 databits, 1 stopbit). Elke sample wordt als 2 hele byte(s) verzonden en de verbinding is voortdurend bezet. Bepaal de hoogste signaalfrequentie fmax die zonder aliasing kan worden bemonsterd, in Hz.
baud = 115200 BdN = 168N1
fmax = Hz
7.Brug van Wheatstone en rekstrookjesGemiddeld
Een rekstrookje van 1000 Ω is één arm (R₂) van een brug met vier gelijke armen van 1000 Ω en een bekrachtiging van 5 V. Bepaal het vermogen Pg dat in het rekstrookje wordt gedissipeerd, in mW. Zelfopwarming beperkt de bekrachtiging.
Vs = 5 VR = 1000 Ω
Pg = mW
8.Brug van Wheatstone en rekstrookjesMoeilijk
Een brug met armen van 120 Ω wordt bekrachtigd met 2,5 V en heeft twee actieve rekstrookjes in naburige armen, één op trek en één op druk (halve brug). De k-factor is 2 en de rek is 600 µε. Bepaal de uitgang Vo van de brug in mV.
Vs = 2,5 VGF = 2ε = 600 µε
Vo = mV
9.Stationaire fout en PID-regelingGemiddeld
Een lus met eenheidsterugkoppeling met G(s) = K/(s(s + 5)) moet de helling r(t) = 5t volgen met een stationaire fout van 0,2. Bepaal de versterking K.
G(s) = K/(s(s + 5))r(t) = 5tess = 0,2
K =
10.Stationaire fout en PID-regelingMoeilijk
Een PI-regelaar C(s) = Kp + Ki/s stuurt het proces G(s) = 4/(s + 1) aan in een lus met eenheidsterugkoppeling. De gesloten lus moet ωₙ = 6 rad/s en ζ = 1 hebben. Bepaal de integrerende versterking Ki.
G(s) = 4/(s + 1)ωₙ = 6 rad/sζ = 1
Ki =
11.StapresponsieGemiddeld
Een systeem heeft de overdrachtsfunctie G(s) = 85/(s² + 12s + 85) en krijgt een eenheidsstap als ingang. Bepaal de 2%-insteltijd ts van de stapresponsie, met ts ≈ 4/(ζωₙ).
G(s) = 85/(s² + 12s + 85)
ts = s
12.StapresponsieMoeilijk
Een lus met negatieve eenheidsterugkoppeling heeft G(s) = K/(s(s + 20)). Bepaal de versterking K die een stapresponsie met 10 % overshoot geeft.
G(s) = K/(s(s + 20))%OS = 10 %
K =
3Oplossingen
1.Gelijkstroommotoren
Antwoord: SR = 7,843 %
Gelijkstroommotor: het anker is een weerstand Ra in serie met de tegen-EMK E, dus V = E + Ia·Ra. De tegen-EMK groeit met het toerental, E = k·ω, en het koppel met de stroom, T = k·Ia, met dezelfde motorconstante k (V·s/rad = N·m/A) in SI-eenheden. Reken toerentallen om met ω = 2π·n/60. Het ontwikkelde vermogen is E·Ia = T·ω; het ingangsvermogen is V·Ia, en het koperverlies Ia²Ra en het rotatieverlies vormen het verschil. Het toerental daalt lineair met het koppel, ω = V/k − Ra·T/k², van het onbelaste toerental V/k tot nul bij het blokkeerkoppel k·V/Ra. In stilstand is E = 0, dus de aanloopstroom V/Ra is groot, tenzij een weerstand hem beperkt.
Toerental bij nullast en vollast
n₀ = 60·110/(2π·1,2) = 875,4 rpm
nFL = 60·(110 − 4·2)/(2π·1,2) = 811,7 rpm
Toerentalregeling
SR = (875,4 − 811,7)/811,7·100 = 7,843 %
Antwoord
SR = 7,843 %
2.Gelijkstroommotoren
Antwoord: n2 = 1526 rpm
Gelijkstroommotor: het anker is een weerstand Ra in serie met de tegen-EMK E, dus V = E + Ia·Ra. De tegen-EMK groeit met het toerental, E = k·ω, en het koppel met de stroom, T = k·Ia, met dezelfde motorconstante k (V·s/rad = N·m/A) in SI-eenheden. Reken toerentallen om met ω = 2π·n/60. Het ontwikkelde vermogen is E·Ia = T·ω; het ingangsvermogen is V·Ia, en het koperverlies Ia²Ra en het rotatieverlies vormen het verschil. Het toerental daalt lineair met het koppel, ω = V/k − Ra·T/k², van het onbelaste toerental V/k tot nul bij het blokkeerkoppel k·V/Ra. In stilstand is E = 0, dus de aanloopstroom V/Ra is groot, tenzij een weerstand hem beperkt.
Tegen-EMK ervoor en erna
E1 = 110 − 15·0,25 = 106,3 V
E2 = 110 − 7,5·0,25 = 108,1 V
Nieuw toerental
n2 = 1500·108,1/106,3 = 1526 rpm
Antwoord
n2 = 1526 rpm
3.Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Antwoord: T2 = 80,57 N·m
Tandwieloverbrengingen: ingrijpende tandwielen hebben dezelfde snelheid bij de tanden, dus n₁·N₁ = n₂·N₂: het tandwiel met minder tanden draait sneller. Tandwielen op één as draaien met hetzelfde toerental. Het vermogen wordt doorgegeven (min verliezen), dus het koppel stijgt als het toerental daalt: T₂ = T₁·(N₂/N₁)·η, en P = T·ω met ω = 2π·n/60.
Motorkoppel
ω₁ = 2π·960/60 = 100,5 rad/s
T1 = P/ω₁ = 7500/100,5 = 74,6 N·m
Uitgaand koppel
T2 = 74,6·36/32·0,96 = 80,57 N·m
Antwoord
T2 = 80,57 N·m
4.Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Antwoord: nout = 716 rpm
Tandwieloverbrengingen: ingrijpende tandwielen hebben dezelfde snelheid bij de tanden, dus n₁·N₁ = n₂·N₂: het tandwiel met minder tanden draait sneller. Tandwielen op één as draaien met hetzelfde toerental. Het vermogen wordt doorgegeven (min verliezen), dus het koppel stijgt als het toerental daalt: T₂ = T₁·(N₂/N₁)·η, en P = T·ω met ω = 2π·n/60.
Eerste trap
nB = 2900·16/36 = 1289 rpm = nC
Tweede trap
nout = 1289·25/45 = 716 rpm
Antwoord
nout = 716 rpm
totale overbrengingsverhouding = 4,05 : 1
5.Data-acquisitie en bemonstering
Antwoord: N = 10
ADC-resolutie: een N-bits omzetter verdeelt zijn volle-schaalbereik VFSR in 2ᴺ codes, van 0 tot 2ᴺ − 1. Eén stap is 1 LSB = VFSR/2ᴺ: de kleinste verandering die de omzetter kan tonen. Een afkappende ADC geeft de code ⌊Vin/LSB⌋; een afrondende ADC zit nooit meer dan ½ LSB van de ware waarde af, zijn kwantisatiefout. Elke extra bit halveert de LSB en voegt ongeveer 6 dB toe aan de ideale signaal-kwantisatieruisverhouding SQNR = 6,02·N + 1,76 dB voor een sinus met volle uitsturing. Om een resolutie r over een bereik te halen, kies je de kleinste N met 2ᴺ ≥ bereik/r.
Benodigde stappen
3300 mV/5 mV = 660
Bits
log₂(660) = 9,366
29 = 512 < 660 ≤ 210 = 1024
N = 10
Antwoord
N = 10
6.Data-acquisitie en bemonstering
Antwoord: fmax = 2880 Hz
UART: een asynchrone seriële verbinding verstuurt elke byte als een frame: één startbit (laag), de databits, een optionele pariteitsbit en een of twee stopbits (hoog). De baudrate is het aantal bits per seconde, dus één bit duurt Tb = 1/baud en een frame van n bits duurt n/baud. Het gangbare 8N1-formaat heeft 10 bits per byte. De baudgenerator deelt de klok: baud = fclk/(16·D) met een geheel getal D, dus de werkelijke baudrate wijkt iets af van de gewenste; een fout onder ongeveer 2 % is meestal acceptabel.
Bits per sample op de lijn
2·10 = 20 bit
Hoogste bemonsteringsfrequentie
fs,max = 115200/20 = 5760 Hz
Nyquistgrens
fmax = 5760/2 = 2880 Hz
Antwoord
fmax = 2880 Hz
7.Brug van Wheatstone en rekstrookjes
Antwoord: Pg = 6,25 mW
Brug van Wheatstone: twee spanningsdelers delen één voeding Vs. De linker deler R1–R2 geeft Va = Vs·R2/(R1 + R2) en de rechter deler R3–R4 geeft Vb = Vs·R4/(R3 + R4); de uitgang is Vab = Va − Vb. De brug is in evenwicht (Vab = 0, geen stroom in de meter) als R1/R2 = R3/R4, dat wil zeggen R1·R4 = R2·R3. Vanaf de uitgang gezien is de brug een Thévenin-bron met Rth = R1∥R2 + R3∥R4.
Spanning over het rekstrookje
V = 5/2 = 2,5 V
Vermogen
Pg = 2,5²/1000 = 6,25 mW
Antwoord
Pg = 6,25 mW
8.Brug van Wheatstone en rekstrookjes
Antwoord: Vo = 1,5 mV
Rekstrookjes: een rekstrookje verandert zijn weerstand met de rek: ΔR/R = GF·ε, waarbij de k-factor GF ongeveer 2 is voor metaalfolie. In een brug met alle armen gelijk aan R geeft één actief rekstrookje (kwartbrug) Vo ≈ Vs·GF·ε/4. Twee actieve rekstrookjes met tegengestelde rek in naburige armen (halve brug) geven Vs·GF·ε/2, en vier (volle brug) geven Vs·GF·ε. De spanning volgt uit de wet van Hooke, σ = E·ε. Weegcellen geven hun gevoeligheid op in mV/V: de uitgang bij volle belasting per volt bekrachtiging.
Relatieve weerstandsverandering
ΔR/R = 2·600·10⁻⁶ = 0,0012
Uitgang van de brug
Vo = Vs·GF·ε/2 = 2,5·0,0012/2 = 1,5 mV
Antwoord
Vo = 1,5 mV
9.Stationaire fout en PID-regeling
Antwoord: K = 125
Stationaire fout: in een lus met eenheidsterugkoppeling en open-lusoverdrachtsfunctie G(s) is de fout E(s) = R(s)/(1 + G(s)), en volgens de eindwaardestelling is ess = lims→0 s·E(s). Het systeemtype is het aantal polen van G(s) bij s = 0. De foutconstanten zijn Kp = lim G(s), Kv = lim s·G(s) en Ka = lim s²·G(s), allemaal voor s → 0. Een stap van grootte A geeft ess = A/(1 + Kp), een helling A·t geeft A/Kv en een parabool A·t²/2 geeft A/Ka. Een type-0-lus volgt een stap met een eindige fout, een type-1-lus volgt een stap exact en een helling met een eindige fout.
Vereiste snelheidsconstante
Kv = A/ess = 5/0,2 = 25
Versterking
K = 5·Kv = 125
Antwoord
K = 125
Een grote versterking maakt deze lus zeer licht gedempt: ζ = 0,2236. Dat conflict is de reden dat compensatoren worden gebruikt.
10.Stationaire fout en PID-regeling
Antwoord: Ki = 9
P-, PI- en PID-regeling: de regelaar C(s) = Kp + Ki/s + Kd·s werkt op de fout. Een proportionele versterking maakt de lus sneller en verkleint de fout van een type-0-proces, maar neemt die nooit weg. De integrerende term voegt een pool toe bij s = 0: het systeemtype gaat met één omhoog en een stap wordt zonder fout gevolgd. De differentiërende term voegt demping toe. Om de versterkingen te kiezen, schrijf je het karakteristieke polynoom van de gesloten lus op en vergelijk je het met s² + 2ζωns + ωn². Dan geldt %OS = 100·e−ζπ/√(1−ζ²), tp = π/ωd met ωd = ωn√(1 − ζ²), en ts ≈ 4/(ζωn).
Karakteristiek polynoom
1 + C(s)G(s) = 0, vermenigvuldigd met s(s + 1).
s² + (1 + 4Kp)s + 4Ki
Doelpolynoom
s² + 2·1·6s + 6² = s² + 12s + 36
Laat de coëfficiënten overeenkomen
4Ki = 36 → Ki = 9
Antwoord
Ki = 9
De integrerende term maakt de lus type 1, dus een stap wordt zonder stationaire fout gevolgd.
11.Stapresponsie
Antwoord: ts = 0,6667 s
Stapresponsie: een eerste-ordesysteem G(s) = K/(τs + 1) beantwoordt een stap van grootte U met y(t) = K·U·(1 − e−t/τ): het bereikt 63,2 % van de eindwaarde K·U na één tijdconstante τ en 98 % na 4τ. Een tweede-ordesysteem G(s) = K·ωₙ²/(s² + 2ζωₙs + ωₙ²) heeft de polen s = −ζωₙ ± jωd met ωd = ωₙ√(1 − ζ²). Voor 0 < ζ < 1 schiet de stapresponsie door: procentuele overshoot %OS = 100·e−ζπ/√(1−ζ²), piektijd tp = π/ωd, en de 2%-insteltijd ts ≈ 4/(ζωₙ). Vergelijk de noemer met s² + 2ζωₙs + ωₙ² om ωₙ en ζ af te lezen. Voor een massa-veer-demper is ωₙ = √(k/m) en ζ = c/(2√(km)); voor een serie-RLC-schakeling is ωₙ = 1/√(LC) en ζ = (R/2)·√(C/L).
Vergelijk met de standaardvorm
De noemer moet overeenkomen met s² + 2ζωₙs + ωₙ².
ωₙ² = 85 → ωₙ = 9,22 rad/s
2ζωₙ = 12 → ζ = 12/(2·9,22) = 0,6508
Resultaat
ζωₙ = 6 → ts ≈ 4/6 = 0,6667 s
Antwoord
ts = 0,6667 s
12.Stapresponsie
Antwoord: K = 286,2
Stapresponsie: een eerste-ordesysteem G(s) = K/(τs + 1) beantwoordt een stap van grootte U met y(t) = K·U·(1 − e−t/τ): het bereikt 63,2 % van de eindwaarde K·U na één tijdconstante τ en 98 % na 4τ. Een tweede-ordesysteem G(s) = K·ωₙ²/(s² + 2ζωₙs + ωₙ²) heeft de polen s = −ζωₙ ± jωd met ωd = ωₙ√(1 − ζ²). Voor 0 < ζ < 1 schiet de stapresponsie door: procentuele overshoot %OS = 100·e−ζπ/√(1−ζ²), piektijd tp = π/ωd, en de 2%-insteltijd ts ≈ 4/(ζωₙ). Vergelijk de noemer met s² + 2ζωₙs + ωₙ² om ωₙ en ζ af te lezen. Voor een massa-veer-demper is ωₙ = √(k/m) en ζ = c/(2√(km)); voor een serie-RLC-schakeling is ωₙ = 1/√(LC) en ζ = (R/2)·√(C/L).