Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD800€2,00640€2,50

Als de prijs van een kaartje verandert van €2,00 naar €2,50, verandert de weekafzet van 800 naar 640. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.

P1 = €2,00P2 = €2,50Q1 = 800Q2 = 640
E =
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPDQ€16

De vraag naar een product is Q = 1000 − 50P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €16.

Q = 1000 − 50PP = €16
E =
3.Economische begrippenGemiddeld

Een land heeft 950 werkenden en 50 werklozen die werk zoeken. Het werkloosheidspercentage is:

  1. A95%
  2. B5%
  3. C5,3%
  4. D50%
4.Economische begrippenMoeilijk

In het groeimodel van Solow komt blijvende langetermijngroei van de productie per werknemer voort uit:

  1. ABevolkingsgroei
  2. BBegrotingstekorten van de overheid
  3. CTechnologische vooruitgang
  4. DAlleen een hogere spaarquote

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −1

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Relatieve verandering hoeveelheid

(640 − 800)/((800 + 640)/2) = −160/720 = −0,2222

Relatieve verandering prijs

(2,5 − 2)/((2 + 2,5)/2) = 0,5/2,25 = 0,2222

Elasticiteit

E = −0,2222/0,2222 = −1

Antwoord

E = −1
2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −4

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Hoeveelheid bij deze prijs

Q = 1000 − 50·16 = 200

Puntelasticiteit

dQ/dP = −50
E = (dQ/dP)·P/Q = −50·16/200 = −4

Antwoord

E = −4

|E| > 1: de vraag is elastisch.

3.Economische begrippen

Antwoord: B · 5%

Waarom dit het antwoord is

De beroepsbevolking is 950 + 50 = 1,000, dus het percentage is 50 / 1,000 = 5%.

Antwoord

B · 5%
4.Economische begrippen

Antwoord: C · Technologische vooruitgang

Waarom dit het antwoord is

Een hogere spaarquote verhoogt het steady-state-niveau van de productie per werknemer, maar niet de groeivoet op lange termijn; alleen technologische vooruitgang zorgt voor voortdurende groei.

Antwoord

C · Technologische vooruitgang

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics