Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD1200€40,001560€34,00

Als de prijs van een kaartje verandert van €40,00 naar €34,00, verandert de weekafzet van 1200 naar 1560. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.

P1 = €40,00P2 = €34,00Q1 = 1200Q2 = 1560
E =
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPD10 000€20Q = ?€15,00

De vraag naar een product heeft een constante prijselasticiteit van −1,2, dus Q = A·P^−1,2. Bij een prijs van €20 worden 10 000 stuks verkocht. Hoeveel stuks Q worden er verkocht bij een prijs van €15,00?

E = −1,2P1 = €20Q1 = 10 000P2 = €15,00
Q = stuks
3.Economische begrippenGemiddeld

Een bedrijf heeft €1 miljoen uitgegeven aan onderzoek voor een product dat nu onrendabel lijkt. Bij de beslissing om door te gaan moet die €1 miljoen:

  1. AWorden genegeerd, omdat het verzonken kosten zijn
  2. BWorden opgeteld bij de verwachte toekomstige kosten
  3. CWorden behandeld als de alternatieve kosten van stoppen
  4. DWorden terugverdiend door de prijzen te verhogen
4.Economische begrippenMoeilijk

Een monopolist maximaliseert zijn winst waar:

  1. ADe prijs gelijk is aan de marginale kosten
  2. BDe marginale opbrengst gelijk is aan de marginale kosten
  3. CDe gemiddelde kosten minimaal zijn
  4. DDe totale opbrengst maximaal is

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −1,609

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Relatieve verandering hoeveelheid

(1560 − 1200)/((1200 + 1560)/2) = 360/1380 = 0,2609

Relatieve verandering prijs

(34 − 40)/((40 + 34)/2) = −6/37 = −0,1622

Elasticiteit

E = 0,2609/−0,1622 = −1,609

Antwoord

E = −1,609
2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: Q = 14123 stuks

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Verhouding van de prijzen

P2/P1 = 15/20 = 0,75

Nieuwe hoeveelheid

Q = 10 000·0,75−1,2 = 10 000·1,412 = 14123

Antwoord

Q = 14123
3.Economische begrippen

Antwoord: A · Worden genegeerd, omdat het verzonken kosten zijn

Waarom dit het antwoord is

Verzonken kosten kunnen niet worden teruggewonnen en veranderen niet met de beslissing, dus rationele keuzes vergelijken alleen toekomstige kosten en baten.

Antwoord

A · Worden genegeerd, omdat het verzonken kosten zijn
4.Economische begrippen

Antwoord: B · De marginale opbrengst gelijk is aan de marginale kosten

Waarom dit het antwoord is

De winst is maximaal bij MO = MK. Voor een monopolist ligt de prijs boven de MO, dus P > MK, wat een welvaartsverlies oplevert.

Antwoord

B · De marginale opbrengst gelijk is aan de marginale kosten

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics