Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD100€4,00130€3,50

Als de prijs van een kaartje verandert van €4,00 naar €3,50, verandert de weekafzet van 100 naar 130. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.

P1 = €4,00P2 = €3,50Q1 = 100Q2 = 130
E =
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPD24€18,00

De (inverse) vraag naar een product is P = 30 − 0,5Q, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E als er 24 stuks worden verkocht.

P = 30 − 0,5QQ = 24
E =
3.Economische begrippenGemiddeld

De marginalekostencurve snijdt de curve van de gemiddelde totale kosten:

  1. ANooit, want de twee curves lopen parallel
  2. BWaar de gemiddelde totale kosten nul zijn
  3. CIn het minimum van de gemiddelde totale kosten
  4. DIn het maximum van de gemiddelde totale kosten
4.Economische begrippenMoeilijk

Een monopolist heeft vraag P = 100 − Q en constante marginale kosten van 20. Wat zijn de winstmaximaliserende productie en prijs?

  1. AQ = 40, P = 60
  2. BQ = 40, P = 20
  3. CQ = 50, P = 50
  4. DQ = 80, P = 20

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −1,957

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Relatieve verandering hoeveelheid

(130 − 100)/((100 + 130)/2) = 30/115 = 0,2609

Relatieve verandering prijs

(3,5 − 4)/((4 + 3,5)/2) = −0,5/3,75 = −0,1333

Elasticiteit

E = 0,2609/−0,1333 = −1,957

Antwoord

E = −1,957
2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −1,5

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Prijs bij deze hoeveelheid

P = 30 − 0,5·24 = €18,00

Puntelasticiteit

dQ/dP = −1/0,5 = −2
E = −2·18/24 = −1,5

Antwoord

E = −1,5

|E| > 1: de vraag is elastisch.

3.Economische begrippen

Antwoord: C · In het minimum van de gemiddelde totale kosten

Waarom dit het antwoord is

Als MK onder GTK ligt, trekt ze het gemiddelde omlaag, en als ze erboven ligt, duwt ze het gemiddelde omhoog, dus MK snijdt GTK in het minimum.

Antwoord

C · In het minimum van de gemiddelde totale kosten
4.Economische begrippen

Antwoord: A · Q = 40, P = 60

Waarom dit het antwoord is

MO = MK geeft 100 − 2Q = 20, dus Q = 40; de prijs volgens de vraaglijn is 100 − 40 = 60.

Antwoord

A · Q = 40, P = 60

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics