Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Als de prijs van een kaartje verandert van €4,00 naar €3,50, verandert de weekafzet van 100 naar 130. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De (inverse) vraag naar een product is P = 30 − 0,5Q, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E als er 24 stuks worden verkocht.
De marginalekostencurve snijdt de curve van de gemiddelde totale kosten:
Een monopolist heeft vraag P = 100 − Q en constante marginale kosten van 20. Wat zijn de winstmaximaliserende productie en prijs?
Antwoord: E = −1,957
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Antwoord: E = −1,5
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
|E| > 1: de vraag is elastisch.
Antwoord: C · In het minimum van de gemiddelde totale kosten
Als MK onder GTK ligt, trekt ze het gemiddelde omlaag, en als ze erboven ligt, duwt ze het gemiddelde omhoog, dus MK snijdt GTK in het minimum.
Antwoord: A · Q = 40, P = 60
MO = MK geeft 100 − 2Q = 20, dus Q = 40; de prijs volgens de vraaglijn is 100 − 40 = 60.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics