Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Van een product worden 4 000 stuks per maand verkocht voor €4. De prijselasticiteit van de vraag is −0,4. Het bedrijf verandert de prijs met +10%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?
De vraag naar een product is Q = 600 − 20P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
Een spaarrekening geeft een nominale rente van 6% en de inflatie is 4%. De reële rente is ongeveer:
De wet van Okun beschrijft:
Antwoord: ΔR = 896 €
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
|E| < 1: de vraag is inelastisch.
Antwoord: P = 15 €
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Bij deze prijs is E = −1: de vraag is eenheidselastisch.
Antwoord: A · 2%
De reële rente is ongeveer de nominale rente min de inflatie: 6% − 4% = 2%.
Antwoord: B · Een negatief verband tussen productiegroei en veranderingen in de werkloosheid
Okun stelde vast dat de werkloosheid daalt als het reële bbp sneller groeit dan zijn trendmatige groei, en stijgt als de groei onder de trend ligt.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics