Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD400€2,00200€4,50

Als de prijs van een kaartje verandert van €2,00 naar €4,50, verandert de weekafzet van 400 naar 200. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.

P1 = €2,00P2 = €4,50Q1 = 400Q2 = 200
E =
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPDQ€12

De vraag naar een product is Q = 300 − 10P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €12.

Q = 300 − 10PP = €12
E =
3.Economische begrippenGemiddeld

Het beginsel van het afnemend grensnut stelt dat:

  1. ADe extra bevrediging van elke extra geconsumeerde eenheid meestal afneemt
  2. BConsumenten altijd duurdere goederen verkiezen
  3. CDe bevrediging stijgt als het inkomen daalt
  4. DDe totale bevrediging daalt met elke extra geconsumeerde eenheid van het goed
4.Economische begrippenMoeilijk

Een monopolist heeft vraag P = 100 − Q en constante marginale kosten van 20. Wat zijn de winstmaximaliserende productie en prijs?

  1. AQ = 80, P = 20
  2. BQ = 40, P = 20
  3. CQ = 50, P = 50
  4. DQ = 40, P = 60

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −0,8667

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Relatieve verandering hoeveelheid

(200 − 400)/((400 + 200)/2) = −200/300 = −0,6667

Relatieve verandering prijs

(4,5 − 2)/((2 + 4,5)/2) = 2,5/3,25 = 0,7692

Elasticiteit

E = −0,6667/0,7692 = −0,8667

Antwoord

E = −0,8667
2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −0,6667

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Hoeveelheid bij deze prijs

Q = 300 − 10·12 = 180

Puntelasticiteit

dQ/dP = −10
E = (dQ/dP)·P/Q = −10·12/180 = −0,6667

Antwoord

E = −0,6667

|E| < 1: de vraag is inelastisch.

3.Economische begrippen

Antwoord: A · De extra bevrediging van elke extra geconsumeerde eenheid meestal afneemt

Waarom dit het antwoord is

Naarmate de consumptie van een goed toeneemt, daalt het grensnut van elke extra eenheid meestal, wat helpt de dalende vraaglijn te verklaren.

Antwoord

A · De extra bevrediging van elke extra geconsumeerde eenheid meestal afneemt
4.Economische begrippen

Antwoord: D · Q = 40, P = 60

Waarom dit het antwoord is

MO = MK geeft 100 − 2Q = 20, dus Q = 40; de prijs volgens de vraaglijn is 100 − 40 = 60.

Antwoord

D · Q = 40, P = 60

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics