Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Als de prijs van een kaartje verandert van €2,00 naar €4,50, verandert de weekafzet van 400 naar 200. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 300 − 10P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €12.
Het beginsel van het afnemend grensnut stelt dat:
Een monopolist heeft vraag P = 100 − Q en constante marginale kosten van 20. Wat zijn de winstmaximaliserende productie en prijs?
Antwoord: E = −0,8667
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Antwoord: E = −0,6667
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
|E| < 1: de vraag is inelastisch.
Antwoord: A · De extra bevrediging van elke extra geconsumeerde eenheid meestal afneemt
Naarmate de consumptie van een goed toeneemt, daalt het grensnut van elke extra eenheid meestal, wat helpt de dalende vraaglijn te verklaren.
Antwoord: D · Q = 40, P = 60
MO = MK geeft 100 − 2Q = 20, dus Q = 40; de prijs volgens de vraaglijn is 100 − 40 = 60.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics