Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD200€5,00230€4,50

Als de prijs van een kaartje verandert van €5,00 naar €4,50, verandert de weekafzet van 200 naar 230. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.

P1 = €5,00P2 = €4,50Q1 = 200Q2 = 230
E =
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPD12€36,00

De (inverse) vraag naar een product is P = 60 − 2Q, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E als er 12 stuks worden verkocht.

P = 60 − 2QQ = 12
E =
3.Economische begrippenGemiddeld

Een land heft een invoertarief op geïmporteerd staal. Welk effect is het meest waarschijnlijk?

  1. ADe binnenlandse staalprijs stijgt en de binnenlandse productie neemt toe
  2. BDe wereldprijs van staal stijgt sterk voor alle landen die erin handelen
  3. CBinnenlandse consumenten winnen surplus
  4. DDe binnenlandse staalprijs daalt en de import stijgt
4.Economische begrippenMoeilijk

Het Coasetheorema stelt dat, als eigendomsrechten duidelijk zijn vastgelegd en de transactiekosten laag zijn:

  1. AParticulier onderhandelen tot een efficiënte uitkomst kan leiden, ongeacht wie de rechten heeft
  2. BDe vervuiler het slachtoffer altijd moet compenseren
  3. COverheden externe effecten altijd moeten belasten
  4. DExterne effecten niet zonder directe overheidsregulering of een pigouviaanse belasting kunnen worden gecorrigeerd

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −1,326

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Relatieve verandering hoeveelheid

(230 − 200)/((200 + 230)/2) = 30/215 = 0,1395

Relatieve verandering prijs

(4,5 − 5)/((5 + 4,5)/2) = −0,5/4,75 = −0,1053

Elasticiteit

E = 0,1395/−0,1053 = −1,326

Antwoord

E = −1,326
2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −1,5

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Prijs bij deze hoeveelheid

P = 60 − 2·12 = €36,00

Puntelasticiteit

dQ/dP = −1/2 = −0,5
E = −0,5·36/12 = −1,5

Antwoord

E = −1,5

|E| > 1: de vraag is elastisch.

3.Economische begrippen

Antwoord: A · De binnenlandse staalprijs stijgt en de binnenlandse productie neemt toe

Waarom dit het antwoord is

Het tarief verhoogt de binnenlandse prijs, wat de binnenlandse productie en de overheidsinkomsten vergroot, maar het consumentensurplus verkleint en welvaartsverlies veroorzaakt.

Antwoord

A · De binnenlandse staalprijs stijgt en de binnenlandse productie neemt toe
4.Economische begrippen

Antwoord: A · Particulier onderhandelen tot een efficiënte uitkomst kan leiden, ongeacht wie de rechten heeft

Waarom dit het antwoord is

Bij kosteloos onderhandelen komen partijen uit op het efficiënte niveau van het externe effect; wie de rechten heeft, bepaalt alleen wie wie betaalt.

Antwoord

A · Particulier onderhandelen tot een efficiënte uitkomst kan leiden, ongeacht wie de rechten heeft

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics