Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD100€40,00110€38,00

Als de prijs van een kaartje verandert van €40,00 naar €38,00, verandert de weekafzet van 100 naar 110. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.

P1 = €40,00P2 = €38,00Q1 = 100Q2 = 110
E =
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPD5€20,00

De (inverse) vraag naar een product is P = 30 − 2Q, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E als er 5 stuks worden verkocht.

P = 30 − 2QQ = 5
E =
3.Economische begrippenGemiddeld

Er wordt een accijns per eenheid geheven op een goed met een zeer inelastische vraag en een elastisch aanbod. Wie draagt het grootste deel van de belastingdruk?

  1. AZe wordt altijd gelijk verdeeld
  2. BConsumenten
  3. CDe overheid
  4. DProducenten
4.Economische begrippenMoeilijk

Het principaal-agentprobleem ontstaat als:

  1. AEen agent die voor een principaal handelt andere doelen heeft en de principaal hem niet volledig kan controleren
  2. BDe overheid eigenaar is van een bedrijf
  3. CEen koper en verkoper identieke informatie hebben
  4. DTwee bedrijven afspreken prijzen vast te stellen

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −1,857

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Relatieve verandering hoeveelheid

(110 − 100)/((100 + 110)/2) = 10/105 = 0,09524

Relatieve verandering prijs

(38 − 40)/((40 + 38)/2) = −2/39 = −0,05128

Elasticiteit

E = 0,09524/−0,05128 = −1,857

Antwoord

E = −1,857
2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −2

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Prijs bij deze hoeveelheid

P = 30 − 2·5 = €20,00

Puntelasticiteit

dQ/dP = −1/2 = −0,5
E = −0,5·20/5 = −2

Antwoord

E = −2

|E| > 1: de vraag is elastisch.

3.Economische begrippen

Antwoord: B · Consumenten

Waarom dit het antwoord is

De belastingdruk valt vooral op de kant van de markt die het minst elastisch is; hier kunnen kopers niet minderen, dus de prijs die ze betalen stijgt met het grootste deel van de belasting.

Antwoord

B · Consumenten
4.Economische begrippen

Antwoord: A · Een agent die voor een principaal handelt andere doelen heeft en de principaal hem niet volledig kan controleren

Waarom dit het antwoord is

Verborgen handelen en tegenstrijdige belangen laten de agent zijn eigen doelen nastreven; prikkelcontracten zoals prestatiebeloning proberen de belangen op één lijn te brengen.

Antwoord

A · Een agent die voor een principaal handelt andere doelen heeft en de principaal hem niet volledig kan controleren

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics