Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD800€4,00600€6,50

Als de prijs van een kaartje verandert van €4,00 naar €6,50, verandert de weekafzet van 800 naar 600. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.

P1 = €4,00P2 = €6,50Q1 = 800Q2 = 600
E =
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPDQ€38

De vraag naar een product is Q = 100 − 2P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €38.

Q = 100 − 2PP = €38
E =
3.Economische begrippenGemiddeld

In een eenvoudige gesloten economie zonder belastingen is de marginale consumptiequote 0,8. De keynesiaanse bestedingsmultiplier is:

  1. A5
  2. B8
  3. C1,25
  4. D0,8
4.Economische begrippenMoeilijk

Het probleem van tijdsinconsistentie in het monetair beleid (Kydland en Prescott) is een belangrijk argument voor:

  1. AHet vastzetten van de geldhoeveelheid op nulgroei
  2. BOverheden die de rente rechtstreeks vaststellen, vooral vóór verkiezingen
  3. COnafhankelijke centrale banken met een geloofwaardige verplichting tot lage inflatie
  4. DHet volledig afschaffen van centrale banken

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −0,6

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Relatieve verandering hoeveelheid

(600 − 800)/((800 + 600)/2) = −200/700 = −0,2857

Relatieve verandering prijs

(6,5 − 4)/((4 + 6,5)/2) = 2,5/5,25 = 0,4762

Elasticiteit

E = −0,2857/0,4762 = −0,6

Antwoord

E = −0,6
2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −3,167

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Hoeveelheid bij deze prijs

Q = 100 − 2·38 = 24

Puntelasticiteit

dQ/dP = −2
E = (dQ/dP)·P/Q = −2·38/24 = −3,167

Antwoord

E = −3,167

|E| > 1: de vraag is elastisch.

3.Economische begrippen

Antwoord: A · 5

Waarom dit het antwoord is

1 / (1 − 0,8) = 1 / 0,2 = 5, dus €1 extra bestedingen kan het inkomen met maximaal €5 verhogen.

Antwoord

A · 5
4.Economische begrippen

Antwoord: C · Onafhankelijke centrale banken met een geloofwaardige verplichting tot lage inflatie

Waarom dit het antwoord is

Als het publiek verwacht dat beleidsmakers later inflatie zullen veroorzaken, stijgen de verwachtingen en de inflatie; het beleid overdragen aan een onafhankelijke, geloofwaardige centrale bank vermindert deze neiging.

Antwoord

C · Onafhankelijke centrale banken met een geloofwaardige verplichting tot lage inflatie

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics