Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD800€40,00770€42,00

Als de prijs van een kaartje verandert van €40,00 naar €42,00, verandert de weekafzet van 800 naar 770. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.

P1 = €40,00P2 = €42,00Q1 = 800Q2 = 770
E =
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPDQP = ?

De vraag naar een product is Q = 2500 − 50P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?

Q = 2500 − 50P
P = €
3.Economische begrippenGemiddeld

Een waardedaling (depreciatie) van de munt zorgt er meestal voor dat:

  1. ADe handel niet verandert
  2. BExport in het buitenland goedkoper en import duurder wordt
  3. CImport goedkoper wordt
  4. DAlle binnenlandse goederen goedkoper en importgoederen ook goedkoper worden
4.Economische begrippenMoeilijk

Het "Taylorprincipe" zegt dat een centrale bank, om de inflatie te stabiliseren, op een stijging van de inflatie met 1 procentpunt moet reageren door:

  1. ADe nominale rente te verlagen
  2. BDe nominale rente ongewijzigd te laten
  3. CDe nominale rente met meer dan 1 procentpunt te verhogen
  4. DDe nominale rente te verhogen, maar met minder dan 1 procentpunt

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −0,7834

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Relatieve verandering hoeveelheid

(770 − 800)/((800 + 770)/2) = −30/785 = −0,03822

Relatieve verandering prijs

(42 − 40)/((40 + 42)/2) = 2/41 = 0,04878

Elasticiteit

E = −0,03822/0,04878 = −0,7834

Antwoord

E = −0,7834
2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: P = 25 €

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Omzet als functie van de prijs

R = P·(2500 − 50P) = 2500P − 50P²

Afgeleide gelijk aan nul stellen

dR/dP = 2500 − 100P = 0
P = 2500/100 = €25,00

Antwoord

P = €25,00

Bij deze prijs is E = −1: de vraag is eenheidselastisch.

3.Economische begrippen

Antwoord: B · Export in het buitenland goedkoper en import duurder wordt

Waarom dit het antwoord is

Een zwakkere munt verbetert de concurrentiepositie van de export en maakt import duurder, wat de inflatie kan verhogen.

Antwoord

B · Export in het buitenland goedkoper en import duurder wordt
4.Economische begrippen

Antwoord: C · De nominale rente met meer dan 1 procentpunt te verhogen

Waarom dit het antwoord is

Alleen door de nominale rente meer dan één-op-één te verhogen stijgt de reële rente, wat de vraag afkoelt en de inflatie weer omlaag brengt.

Antwoord

C · De nominale rente met meer dan 1 procentpunt te verhogen

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics