Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Als de prijs van een kaartje verandert van €15,00 naar €21,00, verandert de weekafzet van 800 naar 670. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 800 − 20P, met P in euro. Bij welke prijs P is de prijselasticiteit van de vraag gelijk aan −1,5?
Een negatief extern effect ontstaat als:
Waarom is de multiplier van overheidsuitgaven in de praktijk meestal kleiner dan de eenvoudige 1/(1 − MPC)?
Antwoord: E = −0,5306
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Antwoord: P = 24 €
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Controle: Q = 320, E = −20·24/320 = −1,5.
Antwoord: C · Een derde kosten draagt die producent noch consument betaalt
Negatieve externe effecten leiden tot overproductie ten opzichte van het maatschappelijk optimum; een pigoubelasting of verhandelbare rechten kunnen dat corrigeren.
Antwoord: D · Belastingen, import en verdringing (crowding out) laten een deel van elke bestedingsronde weglekken
Inkomstenbelasting, uitgaven aan import, hogere rente (verdringing) en sparen verkleinen de extra bestedingen in elke ronde, zodat de multiplier kleiner wordt.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics