Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Als de prijs van een kaartje verandert van €12,00 naar €10,00, verandert de weekafzet van 500 naar 530. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 1000 − 20P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
De benzineprijs stijgt sterk. Wat gebeurt er met de vraaglijn naar grote auto's?
Het Coasetheorema stelt dat, als eigendomsrechten duidelijk zijn vastgelegd en de transactiekosten laag zijn:
Antwoord: E = −0,3204
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Antwoord: P = 25 €
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Bij deze prijs is E = −1: de vraag is eenheidselastisch.
Antwoord: D · Ze verschuift naar links
Benzine en auto's zijn complementair, dus een hogere benzineprijs verlaagt de vraag naar auto's bij elke autoprijs, waardoor de vraaglijn naar links verschuift.
Antwoord: C · Particulier onderhandelen tot een efficiënte uitkomst kan leiden, ongeacht wie de rechten heeft
Bij kosteloos onderhandelen komen partijen uit op het efficiënte niveau van het externe effect; wie de rechten heeft, bepaalt alleen wie wie betaalt.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics