Prijselasticiteit van de vraag
- Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
- E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
- Elastisch / inelastisch
- |E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
- Omzet
- TR = P·Q
Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.
Van een product worden 2 500 stuks per maand verkocht voor €8. De prijselasticiteit van de vraag is −0,3. Het bedrijf verandert de prijs met −5%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?
De vraag naar een product is Q = 1000 − 50P, met P in euro. Bij welke prijs P is de prijselasticiteit van de vraag gelijk aan −3?
Een maximumprijs onder de evenwichtsprijs veroorzaakt meestal:
Volgens de prospecttheorie (Kahneman en Tversky) zullen mensen doorgaans:
Antwoord: ΔR = −715 €
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
|E| < 1: de vraag is inelastisch.
Antwoord: P = 15 €
Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.
Controle: Q = 250, E = −50·15/250 = −3.
Antwoord: A · Een tekort
Een bindende maximumprijs verhoogt de gevraagde en verlaagt de aangeboden hoeveelheid, zodat er een vraagoverschot ontstaat, zoals bij huurprijsregulering.
Antwoord: C · Verliezen sterker voelen dan even grote winsten
De waardefunctie is steiler voor verliezen dan voor winsten en wordt gemeten ten opzichte van een referentiepunt, wat gedrag verklaart waar de verwachtenutstheorie moeite mee heeft.
ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics