Micro-economie: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 4 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Prijselasticiteit van de vraag

Prijselasticiteit (middelpuntmethode)
E = (ΔQ/Q̄)/(ΔP/P̄)
Elastisch / inelastisch
|E| > 1 elastisch, |E| < 1 inelastisch
Omzet
TR = P·Q

2Oefenopgaven

1.Prijselasticiteit van de vraagGemiddeld
QPD200€5,00220€4,50

Als de prijs van een kaartje verandert van €5,00 naar €4,50, verandert de weekafzet van 200 naar 220. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.

P1 = €5,00P2 = €4,50Q1 = 200Q2 = 220
E =
2.Prijselasticiteit van de vraagMoeilijk
QPDQ€56

De vraag naar een product is Q = 160 − 2P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €56.

Q = 160 − 2PP = €56
E =
3.Economische begrippenGemiddeld

Een sterke stijging van de olieprijs op de wereldmarkt die tot hogere inflatie leidt, is een voorbeeld van:

  1. ABestedingsinflatie (demand-pull)
  2. BDeflatie
  3. CDesinflatie
  4. DKosteninflatie (cost-push)
4.Economische begrippenMoeilijk

In het groeimodel van Solow komt blijvende langetermijngroei van de productie per werknemer voort uit:

  1. ABevolkingsgroei
  2. BBegrotingstekorten van de overheid
  3. CAlleen een hogere spaarquote
  4. DTechnologische vooruitgang

3Oplossingen

1.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −0,9048

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Relatieve verandering hoeveelheid

(220 − 200)/((200 + 220)/2) = 20/210 = 0,09524

Relatieve verandering prijs

(4,5 − 5)/((5 + 4,5)/2) = −0,5/4,75 = −0,1053

Elasticiteit

E = 0,09524/−0,1053 = −0,9048

Antwoord

E = −0,9048
2.Prijselasticiteit van de vraag

Antwoord: E = −2,333

Prijselasticiteit van de vraag meet hoe sterk de gevraagde hoeveelheid op de prijs reageert: E = (% verandering hoeveelheid)/(% verandering prijs). Voor normale goederen is die negatief. |E| > 1 is elastisch (de omzet daalt als de prijs stijgt), |E| < 1 is inelastisch.

Hoeveelheid bij deze prijs

Q = 160 − 2·56 = 48

Puntelasticiteit

dQ/dP = −2
E = (dQ/dP)·P/Q = −2·56/48 = −2,333

Antwoord

E = −2,333

|E| > 1: de vraag is elastisch.

3.Economische begrippen

Antwoord: D · Kosteninflatie (cost-push)

Waarom dit het antwoord is

Hogere inputkosten verschuiven het geaggregeerde aanbod naar links, wat prijzen verhoogt en mogelijk de productie verlaagt; bestedingsinflatie komt voort uit een overmaat aan geaggregeerde vraag.

Antwoord

D · Kosteninflatie (cost-push)
4.Economische begrippen

Antwoord: D · Technologische vooruitgang

Waarom dit het antwoord is

Een hogere spaarquote verhoogt het steady-state-niveau van de productie per werknemer, maar niet de groeivoet op lange termijn; alleen technologische vooruitgang zorgt voor voortdurende groei.

Antwoord

D · Technologische vooruitgang

ExamProblems · examproblems.com/courses/microeconomics