Oefenvragen in NCLEX-stijl (RN): samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 40 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Infectiepreventie en patiëntveiligheid

Methode

  1. Begin bij elke patiënt met standaardmaatregelen: handhygiëne, persoonlijke beschermingsmiddelen voor de te verwachten blootstelling en veilig omgaan met scherpe voorwerpen.
  2. Voeg maatregelen toe op basis van de overdrachtsroute: contact (schort, handschoenen), druppel (chirurgisch mondmasker), lucht (N95, kamer met onderdruk).
  3. Houd steriele items steriel: bij twijfel is het niet steriel; vervang, nooit afvegen.
  4. Voorkom schade in de omgeving: valpreventie, fixatie alleen als laatste redmiddel, RACE en PASS bij brand.
  5. Controleer de juiste punten bij medicatietoediening, twee identificatiekenmerken en extra waarborgen voor hoogrisicomedicatie; meld fouten en bijna-incidenten.

Prioriteren en delegeren

Methode

  1. Vraag je af wat de patiënt het snelst schaadt als er niets wordt gedaan.
  2. Pas ABC toe (C-A-B bij een hartstilstand) en daarna Maslow: fysiologische behoeften vóór veiligheid, veiligheid vóór psychologische behoeften.
  3. Vergelijk de opties: acuut vóór chronisch, instabiel vóór stabiel, onverwacht vóór verwacht, systemisch vóór lokaal, en toets elke bevinding aan de uitgangswaarde van de patiënt.
  4. Beoordeel voordat je handelt, tenzij het een noodgeval is; kies dan de stap waarvan de andere afhangen.
  5. Controleer bij delegeren de vijf juiste punten: taak, omstandigheid, persoon, aanwijzingen en toezicht. Beoordeling, voorlichting en evaluatie blijven bij de verpleegkundige (RN).

Laboratoriumwaarden en elektrolyten

Methode

  1. Vergelijk de waarde met het eigen referentiebereik van het laboratorium en daarna met de uitgangswaarde en het verloop van de patiënt.
  2. Controleer het monster: hemolyse, vertraging of bloed afgenomen vlak bij een infuus kan valse uitslagen geven.
  3. Koppel de waarde aan de typische verschijnselen en aan de geneesmiddelen en aandoeningen die haar veroorzaken.
  4. Zoek naar interacties: laag kalium of magnesium vergroot de kans op digoxinevergiftiging; uitdroging verhoogt lithium.
  5. Handel voor de patiënt: beoordeel, houd een geneesmiddel achter als de spiegel onveilig is, herhaal kritieke waarden terug en informeer de voorschrijver.

Medisch-chirurgisch: cardiovasculair en respiratoir

Methode

  1. Benoem het probleem: pompfalen, afgesloten slagader, ritme, stolsel, vernauwing van de luchtweg, infectie of een probleem met een hulpmiddel.
  2. Controleer eerst de alarmsignalen: hypoxie, hypotensie, pijn op de borst, nieuwe verwardheid, een koud ledemaat zonder pols.
  3. Stem de zuurstof af op de patiënt: 94–98% voor de meeste, 88–92% voor patiënten met risico op CO₂-retentie.
  4. Koppel elk geneesmiddel aan de test en het risico: warfarine en INR, heparine en aPTT en bloedplaatjes, diuretica en kalium.
  5. Kies de veilige eerste handeling, schaal daarna op en herbeoordeel.

Medisch-chirurgisch: neurologie, endocrinologie en nieren

Methode

  1. Controleer de glucose bij elke patiënt met nieuwe verwardheid, zwakte of een epileptische aanval.
  2. Gebruik het bewustzijnsniveau als vroegste waarschuwing voor hersenproblemen; pupillen en de triade van Cushing komen laat.
  3. Onderscheid bij diabetesnoodgevallen DKA (ketonen, acidose) van HHS (zeer hoge osmolaliteit, uitdroging); geef eerst vocht.
  4. Bepaal voor natrium en water of ADH in overmaat (SIADH) of ontbreekt (DI) en corrigeer chronische veranderingen langzaam.
  5. Deel bij nierproblemen de oorzaak in als pre-renaal, intrinsiek of post-renaal en let op kalium en vocht.

Medisch-chirurgisch: maag-darmstelsel, perioperatief en oncologie

Methode

  1. Vraag je af wat verborgen kan zijn: inwendige bloeding, infectie zonder koorts, hypoventilatie achter een normale SpO₂.
  2. Gebruik het tijdstip na de operatie om de complicaties te beperken: bloeding in uren, longproblemen in dagen, wond- en lekkageproblemen later.
  3. Beoordeel pijn, behandel met multimodale analgesie, herbeoordeel en bewaak de sedatie bij elk opioïd.
  4. Behandel bij kankerpatiënten elke ziekte tijdens het nadir als neutropene sepsis en ken de oncologische noodgevallen.
  5. Tel bij brandwonden alleen gebieden van gedeeltelijke en volledige dikte, start de Parklandklok op het tijdstip van de verbranding en titreer op de urineproductie.

Verloskundige verpleegkunde

Methode

  1. Plaats de vrouw in de tijd: weken zwangerschap, fase van de bevalling of dag na de bevalling, en bepaal wat dan normaal is.
  2. Zoek de patiënt die in gevaar is: de moeder, de foetus of de pasgeborene, of meer dan één van hen.
  3. Koppel de bevinding aan de oorzaak: VEAL CHOP voor deceleraties, de vier T’s voor bloedingen, BUBBLE-HE na de bevalling.
  4. Kies eerst de handeling die de doorbloeding en zuurstofvoorziening verbetert (zijligging, oxytocine stoppen, fundusmassage) en schaal daarna op.

Kinderverpleegkunde

Methode

  1. Let eerst op de leeftijd van het kind: die bepaalt de normale vitale functies, de mijlpalen en de juiste pijnschaal.
  2. Beoordeel luchtweg, ademhaling en circulatie en bedenk dat kinderen compenseren en daarna snel verslechteren.
  3. Stem de handeling af op het ontwikkelingsniveau en betrek het gezin.
  4. Controleer of het antwoord veilig is voor een kind: gewichtsafhankelijk, geen aspirine bij virale infecties, geen codeïne onder de 12 jaar.

Psychiatrische verpleegkunde

Methode

  1. Bepaal of er een direct risico is: suïcide, geweld, een medicatienoodgeval of een lichamelijke ziekte.
  2. Handel eerst voor de veiligheid: observeer, verwijder middelen, de-escaleer, stop een schadelijk middel en haal hulp.
  3. Kies de therapeutische reactie: erken gevoelens, benoem de werkelijkheid, vermijd valse geruststelling en “waarom”-vragen.
  4. Respecteer rechten: de minst beperkende optie, toestemming en vertrouwelijkheid met haar grenzen.

Verpleegkundig rekenen en eenhedenomrekeningen

Metrische stappen
1 kg = 1000 g, 1 g = 1000 mg, 1 mg = 1000 mcg, 1 L = 1000 mL
Gewicht en lengte
1 kg = 2,2 lb, 1 lb = 16 oz, 1 in = 2,54 cm, 1 ft = 12 in
Huishoudelijke maten
1 tsp = 5 mL, 1 tbsp = 15 mL, 1 fl oz = 30 mL, 1 cup = 8 fl oz = 240 mL
Temperatuur
°C = (°F − 32)·5/9, °F = °C·9/5 + 32
24-uursklok
PM-uren 1–11: tel er 12 bij op; 12 AM = 00:xx; 12 PM = 12:xx
Dosissnelheid
mcg/min × 60/1000 = mg/h
Laboratoriumfactoren
glucose 1 mmol/L = 18 mg/dL; creatinine 1 mg/dL = 88,4 µmol/L; Hb 1 g/dL = 10 g/L

Methode

  1. Schrijf de gegeven hoeveelheid op met de eenheid en de eenheid die je wilt.
  2. Kies het equivalent: 1000 tussen kg, g, mg en mcg of L en mL; 1 kg = 2,2 lb; 1 tl = 5 mL, 1 el = 15 mL, 1 fl oz = 30 mL, 1 cup = 240 mL.
  3. Schrijf het als een breuk zodat de ongewenste eenheid wegvalt; gebruik bij een snelheid één breuk per eenheid die verandert.
  4. Controleer de richting: een kleinere eenheid geeft een groter getal.
  5. Rond alleen het eindantwoord af, op de precisie die de vraag noemt.

Dosisberekeningen

Dosis uit de concentratie
volume = dosis / concentratie
Dosis per kilogram lichaamsgewicht
dosis = mg/kg × lichaamsgewicht
Tabletten
aantal = dosis / sterkte van een tablet
Eenheden
1 g = 1000 mg, 1 mg = 1000 mcg

Methode

  1. Reken de voorgeschreven dosis en de sterkte van de voorraad om naar dezelfde eenheid.
  2. Gebruik gevraagd gedeeld door aanwezig maal hoeveelheid: (D/H) × Q.
  3. Vermenigvuldig bij doses per kilogram eerst met het gewicht in kg en deel daarna de dagdosis door het aantal giften.
  4. Maak eerst een schatting en controleer of het antwoord redelijk is.

Infuussnelheden

Pompsnelheid
mL/h = volume (mL)/time (h)
Druppelsnelheid
drops/min = volume (mL) × drop factor / time (min)
Inlooptijd
time (h) = volume (mL)/rate (mL/h)

Methode

  1. Pompsnelheid in mL/h: volume gedeeld door de tijd in uren.
  2. Druppelsnelheid in druppels/min: volume × druppelfactor gedeeld door de tijd in minuten.
  3. Voor de resterende tijd: resterend volume gedeeld door de snelheid.
  4. Rond af zoals de vraag of de apparatuur vereist.

Dosering bij kinderen en op de IC

Dagdosis
mg/dag = mg/kg/dag × gewicht (kg)
Giften per dag
aantal = 24 h / doseerinterval (h)
Pond naar kilogram
kg = lb / 2,2
Concentratie van het infuus
eenheden/mL = eenheden in de zak / volume van de zak
Pompsnelheid
mL/h = dosis per uur / concentratie
Getitreerd infuus
mL/h = mcg/kg/min × kg × 60 / (mcg/mL)
Dosis uit de pompsnelheid
mcg/kg/min = mL/h × (mcg/mL) / (60 × kg)
Eenheden
1 mg = 1000 mcg

Infuusvloeistoffen en vochtbalans

Holliday–Segar per uur
4 mL/kg (eerste 10 kg) + 2 mL/kg (volgende 10 kg) + 1 mL/kg (elke kg boven 20)
Holliday–Segar per dag
100 / 50 / 20 mL/kg voor dezelfde gewichtsklassen
Vochtbalans
intake − output
IJsschilfers
tellen voor de helft van hun volume
Urineproductie
mL/kg/h = mL / (kg × h)
Inlooptijd
tijd (h) = resterend volume (mL) / snelheid (mL/h)
Toegediend volume
mL = snelheid × tijd

Klinische beoordelingsscores

Glasgow Coma Scale
GCS = E (1–4) + V (1–5) + M (1–6) = 3–15
Apgar
5 tekens × 0–2 = 0–10; 7–10 stelt gerust, 4–6 matig afwijkend, 0–3 laag
Bradenschaal
5 × (1–4) + 1 × (1–3) = 6–23; ≤ 18 risico
Morse Fall Scale
vallen 25, diagnose 15, hulpmiddel 15/30, IV 20, looppatroon 10/20, mentale toestand 15
NEWS2-risico
0–4 laag; enkele 3 laag-matig; 5–6 matig; ≥ 7 hoog
Gemiddelde arteriële druk
MAP = (SBP + 2·DBP)/3 = DBP + PP/3
Polsdruk en shockindex
PP = SBP − DBP, SI = HR/SBP
Body mass index
BMI = kg/m² = 703·lb/in²

Methode

  1. Zoek het scoreformulier dat de vraag gebruikt en het bereik ervan (GCS 3–15, Apgar 0–10, Braden 6–23, Morse 0–125).
  2. Scoor elk item afzonderlijk en koppel de beschrijving aan het niveau.
  3. Tel de itemscores op en controleer of het totaal binnen het bereik ligt.
  4. Pas de afkappunten toe: kijk bij NEWS2 ook of één enkele parameter 3 scoort.
  5. Gebruik voor afgeleide waarden MAP = (SBP + 2·DBP)/3, PP = SBP − DBP, SI = HR/SBP en BMI = kg/m².

Interpretatie van arteriële bloedgassen

Normaalwaarden
pH 7,35–7,45, PaCO₂ 35–45 mmHg (4,7–6,0 kPa), HCO₃⁻ 22–26 mmol/L
ROME
Respiratoir: PaCO₂ tegengesteld aan pH; Metabool: HCO₃⁻ gelijk aan pH
Formule van Winter
PaCO₂ = 1,5·HCO₃⁻ + 8 ± 2
Metabole alkalose
PaCO₂ ≈ 0,7·HCO₃⁻ + 21
Anion gap
AG = Na⁺ − (Cl⁻ + HCO₃⁻) ≈ 8–12
Voor albumine gecorrigeerde gap
AG + 2,5·(4,0 − alb g/dL) = AG + 0,25·(40 − alb g/L)
Deltaratio
(AG − 12)/(24 − HCO₃⁻)
P/F-ratio
PaO₂/FiO₂
Alveolaire gasvergelijking
PAO₂ = FiO₂·(760 − 47) − PaCO₂/0,8
Serumosmolaliteit
2·Na⁺ + glucose + urea (2·Na⁺ + glucose/18 + BUN/2,8)

Methode

  1. Lees de pH af: onder 7,35 is acidose, boven 7,45 alkalose.
  2. Zoek de waarde die dit verklaart: PaCO₂ die tegengesteld aan de pH beweegt is respiratoir, HCO₃⁻ die met de pH meebeweegt is metabool.
  3. Kijk naar de andere waarde: normaal betekent ongecompenseerd, afwijkend in de compenserende richting betekent gedeeltelijke compensatie, en een normale pH met beide waarden afwijkend betekent volledige compensatie.
  4. Vergelijk bij een metabole acidose de PaCO₂ met de formule van Winter, 1,5·HCO₃⁻ + 8 ± 2, en bereken de anion gap Na⁺ − (Cl⁻ + HCO₃⁻).
  5. Controleer een hoge anion gap met de deltaratio en, bij laag albumine, met de gecorrigeerde gap.

Interpretatie van ECG-ritmestrips

Papier (25 mm/s, 10 mm/mV)
1 klein hokje = 0,04 s, 1 groot hokje = 0,20 s, 10 mm = 1 mV
Hartfrequentie, regelmatig ritme
300 ÷ grote hokjes = 1500 ÷ kleine hokjes = 60 ÷ RR (s)
Hartfrequentie, onregelmatig ritme
QRS-complexen in 6 s × 10
Normaal PR-interval
0,12–0,20 s
Normale QRS-duur
< 0.12 s
QTc (Bazett)
QT/√RR
QTc (Fridericia)
QT/∛RR
QTc (Framingham)
QT + 154·(1 − RR)
Sinusfrequenties
bradycardie < 60, normaal 60–100, tachycardie > 100 /min
Ontsnappingsfrequenties
junctioneel 40–60, ventriculair 20–40 /min
Snelle ritmes
SVT 150–250 /min (smal), VT > 100 /min (breed)

Methode

  1. Frequentie: deel bij een regelmatig ritme 300 door de grote hokjes of 1500 door de kleine hokjes tussen twee R-toppen; tel bij een onregelmatig ritme de QRS-complexen in 6 seconden en vermenigvuldig met 10.
  2. Ritme: vergelijk de R–R-intervallen. Gelijk is regelmatig; een zich herhalend patroon is regelmatig onregelmatig; helemaal geen patroon is volledig onregelmatig.
  3. P-toppen: is er in afleiding II vóór elk QRS een positieve P-top, allemaal gelijk? Zoek naar fibrillatie- of zaagtandgolven, negatieve P-toppen en P-toppen zonder QRS.
  4. PR-interval: van het begin van de P tot het begin van het QRS, normaal 0,12–0,20 s en constant. Let erop of het langer wordt, vast blijft vóór een weggevallen slag of willekeurig wisselt.
  5. QRS-duur: onder 0,12 s is smal; 0,12 s of meer is breed. Benoem daarna het ritme en gebruik voor de QT QTc = QT/√RR (Bazett) met tijden in seconden.

2Oefenopgaven

1.BasisverpleegkundeGemiddeld

Why does long-term immobility increase the risk of kidney stones?

  1. ALying flat makes the kidneys produce extra uric acid
  2. BThe kidneys stop producing urine during bed rest
  3. CPatients on bed rest drink too much fluid
  4. DCalcium released from bone raises the calcium in the urine
2.BasisverpleegkundeMoeilijk

A postoperative wound drain that had drained little suddenly fills with bright red blood. What should the nurse do?

  1. AClamp the drain and tell no one
  2. BCheck the patient's vital signs and report it urgently
  3. CRemove the drain because it is not working
  4. DEmpty the drain and record it at the next routine round
3.Infectiepreventie en patiëntveiligheidGemiddeld

A parent says, “I tell my son his medicine is candy so he takes it.” What should the nurse teach?

  1. AThis is a good idea and makes giving medicine easier
  2. BIt only matters for medicines that taste bitter or are hard to swallow
  3. CIt is fine as long as the medicine is kept in the fridge
  4. DDo not call medicine candy, because the child may take it when no one is watching
4.Infectiepreventie en patiëntveiligheidMoeilijk

Een handgeschreven voorschrift luidt “10U gewone insuline subcutaan nu”. Wat is de beste handelwijze van de verpleegkundige?

  1. AEen zorgassistent vragen het handschrift te interpreteren
  2. BHet voorschrift verduidelijken, omdat “U” verkeerd gelezen kan worden
  3. C10 eenheden geven zonder vragen, zoals geschreven
  4. D100 eenheden geven, zoals het voorschrift lijkt te zeggen
5.Prioriteren en delegerenGemiddeld

An older patient who has been constipated for days now has small amounts of liquid stool leaking. What should the nurse suspect?

  1. AA new bowel infection that has caused the diarrhea
  2. BFecal impaction with liquid stool passing around it
  3. CThe constipation has fully resolved
  4. DA side effect of drinking too much water
6.Prioriteren en delegerenMoeilijk

After the RN taught a patient to inject insulin, an LPN/LVN reports that the patient still cannot draw up the dose correctly. What should happen next?

  1. AThe LPN/LVN writes a new teaching plan and evaluates it at the end of the shift
  2. BThe patient is discharged with a leaflet to read at home
  3. CThe nursing assistant shows the patient again at lunch
  4. DThe RN reassesses the patient’s learning needs and adjusts the teaching
7.Klinische verpleegkundeGemiddeld

A patient with dysphagia after a stroke has been cleared for a modified diet. How should they be positioned for meals?

  1. ASitting fully upright, and staying upright for a time after eating
  2. BLying flat on their back with the head turned to one side
  3. CSemi-reclined at about 20 degrees, with the head supported on pillows
  4. DLying on their side with the knees bent
8.Klinische verpleegkundeMoeilijk

A day after surgery, a patient's haemoglobin has fallen from 125 g/L to 85 g/L (12,5 to 8,5 g/dL) and their heart rate has risen to 118/min. What is the priority?

  1. ADocument the result and take no further action
  2. BRecheck the haemoglobin next week
  3. CEncourage the patient to eat iron-rich foods
  4. DEscalate urgently, as the patient may be bleeding
9.Laboratoriumwaarden en elektrolytenGemiddeld

A patient takes low-dose methotrexate weekly for rheumatoid arthritis. Which laboratory tests are monitored regularly?

  1. AComplete blood count, liver tests and kidney function
  2. BSerum amylase, lipase and blood ketones
  3. CTroponin, creatine kinase and myoglobin
  4. DSerum lithium, sodium and urine specific gravity
10.Laboratoriumwaarden en elektrolytenMoeilijk

A patient's bedside glucose meter shows "HI" (above its measuring range). The patient is drowsy. What should the nurse do?

  1. AAssume the meter is broken and give the usual insulin dose
  2. BGive oral glucose in case the reading is wrong and the patient is low
  3. CSend a venous sample to the lab and inform the provider at once
  4. DRecord "HI" and repeat the meter test at the next scheduled time
11.FarmacologieGemiddeld

In which patient is bupropion contraindicated?

  1. AA patient who wants to stop smoking
  2. BA patient with high blood cholesterol and a family history of it
  3. CA patient with seasonal allergies
  4. DA patient with a seizure disorder or an eating disorder
12.FarmacologieMoeilijk

A patient on adalimumab for rheumatoid arthritis has a fever and cough on the day of her next injection. What should the nurse advise?

  1. AStop the drug permanently without telling the prescriber
  2. BGive the injection, as it will help the fever
  3. CDouble the next dose to make up for the infection
  4. DWithhold the injection and get the infection assessed first
13.Medisch-chirurgisch: cardiovasculair en respiratoirGemiddeld

A patient taking isosorbide mononitrate asks about sildenafil for erectile dysfunction. What is the main danger?

  1. ABleeding from the gums
  2. BSevere hypotension
  3. CA very high potassium level
  4. DSevere hypertension
14.Medisch-chirurgisch: cardiovasculair en respiratoirMoeilijk

A nurse reviews inhaler use with a patient who has asthma and uses a separate steroid preventer inhaler and a salbutamol reliever. Which statement shows a need for further teaching?

  1. A"I use my steroid inhaler every day, even when I feel well."
  2. B"I carry my blue reliever inhaler with me."
  3. C"I use my steroid inhaler when I start to wheeze."
  4. D"I rinse my mouth after the steroid inhaler."
15.Medisch-chirurgisch: neurologie, endocrinologie en nierenGemiddeld

Which nursing care is most important for a patient with diabetes insipidus?

  1. AStrict fluid balance, daily weight and free access to water
  2. BGiving a loop diuretic to clear extra fluid
  3. CWeighing the patient once a month
  4. DA strict fluid restriction to reduce the amount of urine passed
16.Medisch-chirurgisch: neurologie, endocrinologie en nierenMoeilijk

Een patiënt met een acuut herseninfarct komt niet in aanmerking voor trombolyse. Op dag 1 is de bloeddruk 190/100 mmHg zonder ander spoedgeval. Wat is in het algemeen passend?

  1. ASnel verlagen tot 110/70 mmHg met intraveneuze middelen
  2. BDe patiënt plat leggen en een grote vochtbolus geven
  3. CElke 5 minuten nitraatspray geven tot onder 120 mmHg
  4. DAgressief verlagen vermijden en de streefwaarden van het stroketeam volgen
17.Medisch-chirurgisch: maag-darmstelsel, perioperatief en oncologieGemiddeld

Why is blood lactate measured when sepsis is suspected?

  1. AIt measures the effect of antibiotics on the kidney
  2. BIt replaces the need for blood cultures
  3. CA raised level suggests poor tissue perfusion
  4. DIt shows which bacteria are causing the infection
18.Medisch-chirurgisch: maag-darmstelsel, perioperatief en oncologieMoeilijk

Six hours after surgery, a patient has not passed urine, has lower abdominal discomfort and a bladder scan shows 750 mL. What should the nurse do?

  1. AWait another twelve hours before acting
  2. BRestrict fluids until the urge returns
  3. CCatheterise as per protocol or prescription
  4. DGive a diuretic to increase urine flow
19.Verloskundige verpleegkundeGemiddeld

Why do newborns become cold so easily?

  1. AThey sweat more than adults
  2. BThey have a large surface area and little fat
  3. CTheir blood is thicker than adult blood
  4. DThey cannot produce heat at all
20.Verloskundige verpleegkundeMoeilijk

A pregnant woman with chronic hypertension takes lisinopril. Why should the nurse alert the prescriber?

  1. ALisinopril will cause her blood pressure to rise in pregnancy
  2. BLisinopril is the first-choice antihypertensive in pregnancy
  3. CACE inhibitors cause neural tube defects only in the third trimester
  4. DACE inhibitors can harm fetal kidney development and are avoided in pregnancy
21.KinderverpleegkundeGemiddeld

How should a 4-month-old be protected from the sun?

  1. AKeep the baby out of direct sun, in the shade, with light clothing and a hat
  2. BUse a sunbed for a few minutes to build a protective tan
  3. CExpose the baby to midday sun for vitamin D, then cover up
  4. DApply a thick layer of high-factor sunscreen and allow full sun
22.KinderverpleegkundeMoeilijk

A child with a new forearm cast has severe pain not relieved by analgesia and screams when the nurse gently moves the fingers. What should the nurse suspect?

  1. ANormal pain after a fracture; give more time
  2. BItching under the cast; give an antihistamine
  3. CCompartment syndrome; report it at once
  4. DAnxiety; distract the child with play
23.Psychiatrische verpleegkundeGemiddeld

A patient who has just been admitted says, "I don't want to talk to anyone." What is the best initial nursing approach?

  1. ALeave the patient alone until he asks to talk
  2. BSpend short, regular periods with the patient without forcing conversation
  3. CTell the patient that talking is required to be discharged
  4. DAsk a series of direct questions until he answers
24.Psychiatrische verpleegkundeMoeilijk

Een patiënte die wilsbekwaam is heeft toestemming getekend voor een ECT-kuur. Na twee sessies zegt ze te willen stoppen. Wat is juist?

  1. AZe kan haar toestemming op elk moment intrekken, en haar beslissing moet worden gerespecteerd en aan het team gemeld
  2. BZe mag alleen stoppen als haar familie ermee instemt
  3. CZe moet de kuur afmaken zodra ze getekend heeft
  4. DHaar getekende toestemming wordt na de eerste sessie bindend, dus de afgesproken kuur moet nu worden afgemaakt
25.Verpleegkundig rekenen en eenhedenomrekeningenGemiddeld
94969810010210410635363738394041°F°C? °F35,7 °C

Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). De temperatuur van een patiënt is 35,7 °C. Reken die om naar graden Fahrenheit T met °F = °C × 9/5 + 32. Rond af op één decimaal.

35,7 °C
T = °F
26.Verpleegkundig rekenen en eenhedenomrekeningenMoeilijk
2 tsp · 3/dag · 14 d? mL1 tsp = 5 mL

Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). Een recept luidt 2 tsp van een orale suspensie drie keer per dag gedurende 14 dagen. Hoeveel mL V is er nodig voor de hele kuur, met 1 tsp = 5 mL?

2 tspdrie keer per dag14 dagen1 tsp = 5 mL
V = mL
27.DosisberekeningenGemiddeld
024681010 mL

Een kind van 39 kg krijgt 5 mg/kg van een geneesmiddel voorgeschreven. De voorraadoplossing bevat 25 mg/mL. Trek de dosis op: welk volume V geef je?

39 kg5 mg/kg25 mg/mL
V = mL
28.DosisberekeningenMoeilijk
40k stuks250 mL? mL/h1500 stuks/h

Een infuus bevat 40000 eenheden van een geneesmiddel in 250 mL. Het voorschrift is 1500 eenheden per uur. Op welke snelheid R zet je de pomp, in mL/h?

40000 stuks/250 mL1500 stuks/h
R = mL/h
29.InfuussnelhedenGemiddeld
1000 mL20 gtt/mL12 h? gtt/min

Dien 1000 mL toe in 12 uur met een infuussysteem van 20 gtt/mL. Bereken de druppelsnelheid R in druppels per minuut. Rond af op het dichtstbijzijnde gehele getal.

1000 mL12 h20 gtt/mL
R = gtt/min
30.InfuussnelhedenMoeilijk
200 mL60 gtt/mL20 gtt/mint = ? h

Een infuus loopt met 20 gtt/min via een systeem van 60 gtt/mL. Er zit nog 200 mL in de zak. Over hoeveel uur t is die leeg?

20 gtt/min60 gtt/mL200 mL
t = h
31.Dosering bij kinderen en op de ICGemiddeld
100 stuks100 mLkortwerkende insuline? mL/h74 kg0,05 stuks/kg/h

Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). Een infuus bevat 100 eenheden kortwerkende insuline in 100 mL. Het voorschrift is 0,05 eenheden/kg/h voor een patiënt van 74 kg. Bereken de pompsnelheid R in mL/h. Rond af op één decimaal.

100 stuks/100 mL0,05 stuks/kg/h74 kg
R = mL/h
32.Dosering bij kinderen en op de ICMoeilijk
400 mg250 mLdopamine? mL/h77 kg15 mcg/kg/min

Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). Een zak bevat dopamine 400 mg in 250 mL. Het voorschrift is 15 mcg/kg/min voor een patiënt van 77 kg. Op welke snelheid R zet je de pomp, in mL/h? Rond af op één decimaal.

400 mg/250 mL15 mcg/kg/min77 kg
R = mL/h
33.Infuusvloeistoffen en vochtbalansGemiddeld
IntakeOutputdienst van 8 uurmelk240 mLsap100 mLijsschilfers120 mLInfuus125 mL/h × 8 hintraveneus antibioticum1 × 100 mLurine350 mLurine175 mLurine325 mLurine325 mLbraaksel100 mL

Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). De lijst toont de intake en output van een patiënt tijdens één dienst van 8 uur. Het infuus liep de hele dienst met de aangegeven snelheid. Bereken de totale intake I in mL. Tel ijsschilfers voor de helft van hun volume.

melk: 240 mLsap: 100 mLijsschilfers: 120 mLInfuus: 125 mL/h × 8 hintraveneus antibioticum: 1 × 100 mL
I = mL
34.Infuusvloeistoffen en vochtbalansMoeilijk
500 mL300 mL ingelopen125 mL/h19:30t = ? h

Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). Een zak van 500 mL loopt via een pomp met 125 mL/h. Om 19:30 is er al 300 mL ingelopen. Over hoeveel uur t is de zak leeg? Rond af op één decimaal.

500 mL300 mL ingelopen125 mL/h
t = h
35.Klinische beoordelingsscoresGemiddeld
3210123RR≤89–1112–2021–24≥25SpO₂≤9192–9394–95≥96lucht / O₂O₂luchtSBP≤9091–100101–110111–219≥220HR≤4041–5051–9091–110111–130≥131ACVPUAC, V, P, UT °C≤35,035,1–36,036,1–38,038,1–39,0≥39,1

Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). Gebruik de NEWS2-kaart (SpO₂-schaal 1) voor deze waarnemingen: ademfrequentie 23/min, SpO₂ 95% met extra zuurstof, bloeddruk 84/50 mmHg, hartslag 120/min, alert, temperatuur 36,0 °C. Wat is de totale NEWS2-score?

RR 23SpO₂ 95%O₂SBP 84HR 120AT 36,0 °C
NEWS2 =
36.Klinische beoordelingsscoresMoeilijk
3210123RR≤89–1112–2021–24≥25SpO₂≤9192–9394–95≥96lucht / O₂O₂luchtSBP≤9091–100101–110111–219≥220HR≤4041–5051–9091–110111–130≥131ACVPUAC, V, P, UT °C≤35,035,1–36,036,1–38,038,1–39,0≥39,1laaglaag-matigmiddelhoog

Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). Gebruik de NEWS2-kaart (SpO₂-schaal 1) voor deze waarnemingen: ademfrequentie 16/min, SpO₂ 91% op kamerlucht, bloeddruk 136/82 mmHg, hartslag 70/min, alert, temperatuur 35,8 °C. In welke klinische risicogroep valt de patiënt? Klik erop.

RR 16SpO₂ 91%luchtSBP 136HR 70AT 35,8 °C
  1. 1laag
  2. 2laag-matig
  3. 3middel
  4. 4hoog
37.Interpretatie van arteriële bloedgassenGemiddeld

Een oefengas toont een metabole acidose met HCO₃⁻ 18 mmol/L. Gebruik de formule van Winter om de verwachte PaCO₂ (het midden van het gebied) in mmHg te vinden.

HCO₃⁻ 18 mmol/L
PaCO₂ = mmHg
38.Interpretatie van arteriële bloedgassenMoeilijk

Oefenwaarden: Na⁺ 140, Cl⁻ 114, HCO₃⁻ 15 mmol/L en albumine 33 g/L. Bepaal de voor albumine gecorrigeerde anion gap AGc = AG + 0,25·(40 − albumine).

Na⁺ 140 mmol/LCl⁻ 114 mmol/LHCO₃⁻ 15 mmol/Lalbumine 33 g/L
AGc = mmol/L
39.Interpretatie van ECG-ritmestripsGemiddeld
II25 mm/s · 10 mm/mV

Meet op deze strip in afleiding II de gevraagde waarde (QT-interval) in seconden.

afleiding II, 25 mm/s, 10 mm/mV1 klein hokje = 0,04 s, 1 groot hokje = 0,20 sstriplengte 6 s
QT = s
40.Interpretatie van ECG-ritmestripsMoeilijk
II25 mm/s · 10 mm/mVtweedegraads AV-blok type IItweedegraads AV-blok type I (Wenckebach)boezemfibrillerenderdegraads (compleet) AV-blok

Deze strip in afleiding II toont een geleidingsprobleem tussen de boezems en de kamers. Welk ritme is het? Klik op je antwoord.

afleiding II, 25 mm/s, 10 mm/mV1 klein hokje = 0,04 s, 1 groot hokje = 0,20 sstriplengte 6 s
  1. 1tweedegraads AV-blok type II
  2. 2tweedegraads AV-blok type I (Wenckebach)
  3. 3boezemfibrilleren
  4. 4derdegraads (compleet) AV-blok

3Oplossingen

1.Basisverpleegkunde

Antwoord: D · Calcium released from bone raises the calcium in the urine

Waarom dit het antwoord is

Without weight-bearing, bone releases calcium, and urine also drains less well when lying flat. Mobilisation and adequate fluids reduce the risk.

Antwoord

D · Calcium released from bone raises the calcium in the urine
2.Basisverpleegkunde

Antwoord: B · Check the patient's vital signs and report it urgently

Waarom dit het antwoord is

A sudden increase in fresh blood may mean active bleeding. The nurse assesses for signs of shock, such as a rising pulse and falling blood pressure, and escalates immediately.

Antwoord

B · Check the patient's vital signs and report it urgently
3.Infectiepreventie en patiëntveiligheid

Antwoord: D · Do not call medicine candy, because the child may take it when no one is watching

Waarom dit het antwoord is

Calling medicine candy encourages children to look for it and swallow it, which can lead to poisoning. Parents are taught to call medicine medicine and keep it locked away.

Antwoord

D · Do not call medicine candy, because the child may take it when no one is watching
4.Infectiepreventie en patiëntveiligheid

Antwoord: B · Het voorschrift verduidelijken, omdat “U” verkeerd gelezen kan worden

Waarom dit het antwoord is

“10U” kan gelezen worden als 100 of 104 eenheden, een potentieel dodelijke overdosering. De verpleegkundige verduidelijkt het voorschrift en vraagt om “eenheden” voluit te schrijven. Raden is nooit aanvaardbaar bij insuline.

Antwoord

B · Het voorschrift verduidelijken, omdat “U” verkeerd gelezen kan worden
5.Prioriteren en delegeren

Antwoord: B · Fecal impaction with liquid stool passing around it

Waarom dit het antwoord is

In fecal impaction, liquid stool from higher in the bowel leaks around the hard mass. Giving an antidiarrheal would make things worse; the nurse assesses and reports.

Antwoord

B · Fecal impaction with liquid stool passing around it
6.Prioriteren en delegeren

Antwoord: D · The RN reassesses the patient’s learning needs and adjusts the teaching

Waarom dit het antwoord is

Evaluating learning and changing the teaching plan belong to the RN. The LPN/LVN can reinforce teaching, but a teaching plan that is not working needs RN reassessment.

Antwoord

D · The RN reassesses the patient’s learning needs and adjusts the teaching
7.Klinische verpleegkunde

Antwoord: A · Sitting fully upright, and staying upright for a time after eating

Waarom dit het antwoord is

Sitting upright during and after meals reduces the risk of aspiration. The patient should also be supervised and given the consistency recommended by the speech and language therapist.

Antwoord

A · Sitting fully upright, and staying upright for a time after eating
8.Klinische verpleegkunde

Antwoord: D · Escalate urgently, as the patient may be bleeding

Waarom dit het antwoord is

A large fall in haemoglobin with tachycardia suggests ongoing blood loss. The nurse assesses the patient with ABCDE, checks wounds and drains and escalates for urgent review.

Antwoord

D · Escalate urgently, as the patient may be bleeding
9.Laboratoriumwaarden en elektrolyten

Antwoord: A · Complete blood count, liver tests and kidney function

Waarom dit het antwoord is

Methotrexate can cause bone marrow suppression, liver toxicity and, as it is cleared by the kidneys, toxicity when kidney function falls. The CBC, liver tests and creatinine are checked regularly, and folic acid is usually given to reduce adverse effects.Gecontroleerd met: Methotrexate · StatPearls (NCBI Bookshelf) (2024)

Antwoord

A · Complete blood count, liver tests and kidney function
10.Laboratoriumwaarden en elektrolyten

Antwoord: C · Send a venous sample to the lab and inform the provider at once

Waarom dit het antwoord is

"HI" means the glucose exceeds the meter's range, so the true value is unknown and may be very high, as in DKA or HHS. A laboratory sample is sent, the provider is informed promptly, and the patient is assessed for dehydration and ketones.Gecontroleerd met: Blood Glucose Test · MedlinePlus (NIH) (2024); Diabetic ketoacidosis - Medical Encyclopedia · MedlinePlus (NIH) (2025)

Antwoord

C · Send a venous sample to the lab and inform the provider at once
11.Farmacologie

Antwoord: D · A patient with a seizure disorder or an eating disorder

Waarom dit het antwoord is

Bupropion increases the risk of seizures, especially with bulimia or anorexia, where electrolyte disturbances are common. It is used for depression and as a smoking cessation aid.

Antwoord

D · A patient with a seizure disorder or an eating disorder
12.Farmacologie

Antwoord: D · Withhold the injection and get the infection assessed first

Waarom dit het antwoord is

TNF inhibitors increase the risk of serious infections and can mask their signs. Doses are usually withheld during an active infection until it has been assessed and treated.

Antwoord

D · Withhold the injection and get the infection assessed first
13.Medisch-chirurgisch: cardiovasculair en respiratoir

Antwoord: B · Severe hypotension

Waarom dit het antwoord is

Phosphodiesterase-5 inhibitors such as sildenafil enhance the vasodilator effect of nitrates and can cause profound, life-threatening hypotension. The combination is contraindicated, and patients should tell emergency staff if they have taken one.

Antwoord

B · Severe hypotension
14.Medisch-chirurgisch: cardiovasculair en respiratoir

Antwoord: C · "I use my steroid inhaler when I start to wheeze."

Waarom dit het antwoord is

Inhaled corticosteroids are preventers that reduce airway inflammation over days to weeks and must be taken regularly. They do not relieve an acute wheeze. Unless the patient has a combined reliever and maintenance regimen, a short-acting bronchodilator is used for symptoms.

Antwoord

C · "I use my steroid inhaler when I start to wheeze."
15.Medisch-chirurgisch: neurologie, endocrinologie en nieren

Antwoord: A · Strict fluid balance, daily weight and free access to water

Waarom dit het antwoord is

Patients with DI can become dehydrated and hypernatraemic quickly. Strict input and output, daily weights, sodium monitoring and access to water are essential. Desmopressin replaces the missing ADH in cranial DI.

Antwoord

A · Strict fluid balance, daily weight and free access to water
16.Medisch-chirurgisch: neurologie, endocrinologie en nieren

Antwoord: D · Agressief verlagen vermijden en de streefwaarden van het stroketeam volgen

Waarom dit het antwoord is

Na een herseninfarct is de penumbra voor de perfusie afhankelijk van de bloeddruk. Tenzij trombolyse is gepland of er een ander spoedgeval is (zoals aortadissectie of acuut hartfalen), accepteren richtlijnen vroeg vaak hogere drukken (bijvoorbeeld alleen behandelen boven 220/120 mmHg in sommige richtlijnen). De streefwaarden worden bepaald door het stroketeam.

Antwoord

D · Agressief verlagen vermijden en de streefwaarden van het stroketeam volgen
17.Medisch-chirurgisch: maag-darmstelsel, perioperatief en oncologie

Antwoord: C · A raised level suggests poor tissue perfusion

Waarom dit het antwoord is

A high lactate signals tissue hypoperfusion and higher risk of death in sepsis. It helps guide fluid resuscitation and escalation, and it is repeated to check the response.

Antwoord

C · A raised level suggests poor tissue perfusion
18.Medisch-chirurgisch: maag-darmstelsel, perioperatief en oncologie

Antwoord: C · Catheterise as per protocol or prescription

Waarom dit het antwoord is

Urinary retention with a large residual volume needs bladder drainage to prevent discomfort, bladder damage and infection. Following local protocol, an in-and-out or indwelling catheter is used and the volume recorded.

Antwoord

C · Catheterise as per protocol or prescription
19.Verloskundige verpleegkunde

Antwoord: B · They have a large surface area and little fat

Waarom dit het antwoord is

Newborns have a large surface area relative to body mass, little subcutaneous fat and thin skin with blood vessels near the surface. They rely on brown fat and cannot shiver effectively.

Antwoord

B · They have a large surface area and little fat
20.Verloskundige verpleegkunde

Antwoord: D · ACE inhibitors can harm fetal kidney development and are avoided in pregnancy

Waarom dit het antwoord is

ACE inhibitors are fetotoxic, especially in the second and third trimesters, causing fetal kidney damage and oligohydramnios. Labetalol, nifedipine or methyldopa are used instead.

Antwoord

D · ACE inhibitors can harm fetal kidney development and are avoided in pregnancy
21.Kinderverpleegkunde

Antwoord: A · Keep the baby out of direct sun, in the shade, with light clothing and a hat

Waarom dit het antwoord is

Babies under about 6 months should be kept out of direct sunlight, protected by shade, clothing and hats. Sunscreen is mainly for older infants and children, on skin that cannot be covered.

Antwoord

A · Keep the baby out of direct sun, in the shade, with light clothing and a hat
22.Kinderverpleegkunde

Antwoord: C · Compartment syndrome; report it at once

Waarom dit het antwoord is

Rising pressure within a muscle compartment cuts off blood supply. Severe pain unrelieved by analgesia and pain on passive movement are early signs; pulselessness is late. The prescriber is told immediately, the limb is not elevated above heart level and the cast may need splitting.

Antwoord

C · Compartment syndrome; report it at once
23.Psychiatrische verpleegkunde

Antwoord: B · Spend short, regular periods with the patient without forcing conversation

Waarom dit het antwoord is

Short, frequent, predictable contacts show acceptance and help build trust. Forcing conversation increases anxiety, while leaving the patient alone can reinforce withdrawal.

Antwoord

B · Spend short, regular periods with the patient without forcing conversation
24.Psychiatrische verpleegkunde

Antwoord: A · Ze kan haar toestemming op elk moment intrekken, en haar beslissing moet worden gerespecteerd en aan het team gemeld

Waarom dit het antwoord is

Een wilsbekwaam persoon kan op elk moment toestemming intrekken. De verpleegkundige informeert het team, dat de beslissing met haar bespreekt. Behandeling zonder toestemming is alleen mogelijk onder specifieke wettelijke voorwaarden.

Antwoord

A · Ze kan haar toestemming op elk moment intrekken, en haar beslissing moet worden gerespecteerd en aan het team gemeld
25.Verpleegkundig rekenen en eenhedenomrekeningen

Antwoord: T = 96,3 °F

Temperatuur: °C = (°F − 32) × 5/9 en °F = °C × 9/5 + 32. Trek bij het omrekenen vanuit °F eerst 32 af voordat je vermenigvuldigt en tel bij het omrekenen vanuit °C 32 op nadat je hebt vermenigvuldigd. Een snelle controle: 37 °C is 98,6 °F en elke 1 °C is 1,8 °F.

Vermenigvuldig met 9/5

35,7·9/5 = 64,26

Tel 32 op

T = 64,26 + 32 = 96,26 ≈ 96,3 °F

Antwoord

T = 96,3 °F
26.Verpleegkundig rekenen en eenhedenomrekeningen

Antwoord: V = 420 mL

Dimensionale analyse: schrijf de gegeven hoeveelheid op en vermenigvuldig dan met omrekenfactoren in breukvorm (bijvoorbeeld 60 min/1 uur of 1 mg/1000 mcg) zodat elke ongewenste eenheid één keer boven en één keer onder de breukstreep staat en wegvalt. Als alleen de gevraagde eenheid overblijft, reken je uit. Gebruik de equivalenten die de vraag geeft en rond alleen het eindantwoord af.

Volume per gift

2 tsp = 2·5 = 10 mL

Hele kuur

V = 10 mL × 3/dag × 14 = 420 mL

Antwoord

V = 420 mL
27.Dosisberekeningen

Antwoord: V = 7,8 mL

Een dosis optrekken: volume = (voorgeschreven dosis/sterkte van de voorraad) × volume van de voorraad. Reken eerst naar dezelfde eenheden om, controleer dan of het volume in de spuit past en op een van de streepjes valt.

Dosis op basis van lichaamsgewicht

D = 5·39 = 195 mg

Volume

V = 195/25 = 7,8 mL

Op de spuit

Op deze spuit van 10 mL is elke kleine streep 0,2 mL.

Antwoord

V = 7,8 mL
28.Dosisberekeningen

Antwoord: R = 9,375 mL/h

Dosisberekening: de toe te dienen hoeveelheid is de voorgeschreven dosis gedeeld door de beschikbare sterkte, maal de hoeveelheid waarin die zit: hoeveelheid = (voorgeschreven dosis/sterkte) × volume. Gebruik altijd dezelfde eenheden (reken eerst g om naar mg, mg naar mcg) en controleer of de uitkomst logisch is.

Concentratie

40000/250 = 160 stuks/mL

Pompsnelheid

R = 1500/160 = 9,375 mL/h

Antwoord

R = 9,375 mL/h
29.Infuussnelheden

Antwoord: R = 28 gtt/min

Inloopsnelheden: een pomp stel je in op mL/h = volume/tijd in uren. Een infuus op zwaartekracht tel je in druppels per minuut: gtt/min = volume (mL) × druppelfactor (gtt/mL)/tijd (min). De druppelfactor staat op de verpakking van het infuussysteem: macrodruppelsystemen geven 10, 15 of 20 gtt/mL (bloedsystemen in de VS vaak 10 gtt/mL, in het VK 15) en microdruppelsystemen 60 gtt/mL. Gebruik altijd de druppelfactor die de vraag of de verpakking geeft.

Tijd in minuten

12·60 = 720 min

Druppelsnelheid

R = 1000·20/720 = 27,78 ≈ 28 gtt/min

Antwoord

R = 28 gtt/min

Aan het bed rond je af op de dichtstbijzijnde hele druppel: 28 gtt/min.

30.Infuussnelheden

Antwoord: t = 10 h

Inloopsnelheden: een pomp stel je in op mL/h = volume/tijd in uren. Een infuus op zwaartekracht tel je in druppels per minuut: gtt/min = volume (mL) × druppelfactor (gtt/mL)/tijd (min). De druppelfactor staat op de verpakking van het infuussysteem: macrodruppelsystemen geven 10, 15 of 20 gtt/mL (bloedsystemen in de VS vaak 10 gtt/mL, in het VK 15) en microdruppelsystemen 60 gtt/mL. Gebruik altijd de druppelfactor die de vraag of de verpakking geeft.

Snelheid in mL/h

20·60/60 = 20 mL/h

Resterende tijd

t = 200/20 = 10 h

Antwoord

t = 10 h
31.Dosering bij kinderen en op de IC

Antwoord: R = 3,7 mL/h

Heparine- en insuline-infusen: concentratie = eenheden in de zak/volume van de zak (eenheden/mL). Pompsnelheid (mL/h) = eenheden per uur/concentratie, en eenheden per uur = mL/h × concentratie. Bij een voorschrift per kilogram bereken je eerst eenheden/h = eenheden/kg/h × gewicht. Een bolusvolume = benodigde eenheden/sterkte van de flacon. De getallen zijn alleen om te oefenen; volg aan het bed altijd de lokale protocollen en laat risicovolle doses dubbel controleren.

Eenheden per uur

0,05·74 = 3,7 stuks/h

Concentratie

100/100 = 1 stuks/mL

Pompsnelheid

R = 3,7/1 = 3,7 mL/h

Antwoord

R = 3,7 mL/h
32.Dosering bij kinderen en op de IC

Antwoord: R = 43,3 mL/h

Getitreerde infusen: bepaal eerst de concentratie in mcg/mL (mg × 1000/mL). Bij een voorschrift per kilogram is mcg/min = mcg/kg/min × gewicht. Dan mL/h = mcg/min × 60/concentratie. Terugrekenend is mcg/kg/min = mL/h × concentratie/(60 × gewicht). De getallen zijn alleen om te oefenen; volg aan het bed altijd de lokale protocollen en laat risicovolle doses dubbel controleren.

Concentratie

400 mg = 400 000 mcg
400 000/250 = 1600 mcg/mL

Dosis per minuut en per uur

15·77 = 1155 mcg/min
1155·60 = 69300 mcg/h

Pompsnelheid

R = 69300/1600 = 43,31 ≈ 43,3 mL/h

Antwoord

R = 43,3 mL/h
33.Infuusvloeistoffen en vochtbalans

Antwoord: I = 1500 mL

Intake en output: intake telt alles wat erin gaat (orale vloeistoffen, infusen, intraveneuze medicatie en spoelingen, sondevoeding); ijsschilfers tellen voor de helft van hun volume. Output telt urine, drains, braaksel en andere verliezen. Balans = totale intake − totale output; een negatieve balans is een netto verlies. De getallen zijn alleen om te oefenen; volg aan het bed altijd de lokale protocollen en laat risicovolle doses dubbel controleren.

Tel de intake op

oraal: 240 + 100 = 340 mL
ijsschilfers: 120/2 = 60 mL
Infuus: 125·8 = 1000 mL
intraveneus antibioticum: 1·100 = 100 mL
I = 1500 mL

Antwoord

I = 1500 mL
34.Infuusvloeistoffen en vochtbalans

Antwoord: t = 1,6 h

Inlooptijd: tijd (h) = in te lopen volume (mL)/snelheid (mL/h); gebruik het volume dat nog in de zak zit, niet de grootte van de zak. Ingelopen volume = snelheid × tijd. Reken decimale uren om naar uren en minuten met de fractie × 60 (0,5 h = 30 min, niet 50 min). De getallen zijn alleen om te oefenen; volg aan het bed altijd de lokale protocollen en laat risicovolle doses dubbel controleren.

Resterend volume

500 − 300 = 200 mL

Tijd

t = 200/125 = 1,6 h

Antwoord

t = 1,6 h

Dat is ongeveer 1 h 36 min, dus de zak is rond 21:06 leeg.

35.Klinische beoordelingsscores

Antwoord: NEWS2 = 11

NEWS2 (National Early Warning Score 2, Royal College of Physicians 2017): scoor elk van de zeven parameters met de kaart (ademfrequentie, SpO₂ op schaal 1, lucht of extra zuurstof, systolische bloeddruk, hartslag, bewustzijn op de ACVPU-schaal en temperatuur) en tel de scores op. Klinisch risico: 0–4 laag; een score van 3 voor één enkele parameter laag-matig; 5–6 matig; 7 of meer hoog. Een totaal van 5 of meer vraagt om een dringende reactie.

Score elke parameter

RR 23/min → 2
SpO₂ 95% → 1
met zuurstof → 2
SBP 84 mmHg → 3
HR 120/min → 2
alert (A) → 0
T 36,0 °C → 1

Optellen

NEWS2 = 2 + 1 + 2 + 3 + 2 + 0 + 1 = 11

Antwoord

NEWS2 = 11
36.Klinische beoordelingsscores

Antwoord: laag-matig

NEWS2 (National Early Warning Score 2, Royal College of Physicians 2017): scoor elk van de zeven parameters met de kaart (ademfrequentie, SpO₂ op schaal 1, lucht of extra zuurstof, systolische bloeddruk, hartslag, bewustzijn op de ACVPU-schaal en temperatuur) en tel de scores op. Klinisch risico: 0–4 laag; een score van 3 voor één enkele parameter laag-matig; 5–6 matig; 7 of meer hoog. Een totaal van 5 of meer vraagt om een dringende reactie.

Score elke parameter

RR 16/min → 0
SpO₂ 91% → 3
op kamerlucht → 0
SBP 136 mmHg → 0
HR 70/min → 0
alert (A) → 0
T 35,8 °C → 1

Totaal en rode scores

NEWS2 = 0 + 3 + 0 + 0 + 0 + 0 + 1 = 4
Ten minste één parameter scoort 3.

Risicogroep

laag-matig

Antwoord

laag-matig

Eén enkele score van 3 vraagt om een dringende beoordeling, ook als het totaal laag is.

37.Interpretatie van arteriële bloedgassen

Antwoord: PaCO₂ = 35 mmHg

Verwachte compensatie: bij een metabole acidose voorspelt de formule van Winter PaCO₂ = 1,5·HCO₃⁻ + 8 ± 2 mmHg; een gemeten waarde boven dat bereik wijst op een bijkomende respiratoire acidose, eronder op een bijkomende respiratoire alkalose. De aniongap AG = Na⁺ − (Cl⁻ + HCO₃⁻), normaal ongeveer 8–12 mmol/L, onderscheidt een metabole acidose met verhoogde gap van een met normale gap; een laag albumine maskeert een verhoogde gap (tel 2,5 op per g/dL dat het albumine onder 4,0 ligt). Een deltaratio (AG − 12)/(24 − HCO₃⁻) tussen ongeveer 0,8 en 2 past bij een zuivere acidose met verhoogde gap (sommige boeken gebruiken 1 in plaats van 0,8), een lagere waarde bij een bijkomende acidose met normale gap, en een waarde boven 2 bij een bijkomende metabole alkalose.

Formule van Winter

PaCO₂ = 1,5·18 + 8 = 35 mmHg
worpafstand: 33–37 mmHg

Antwoord

PaCO₂ = 35 mmHg
38.Interpretatie van arteriële bloedgassen

Antwoord: AGc = 12,75 mmol/L

Verwachte compensatie: bij een metabole acidose voorspelt de formule van Winter PaCO₂ = 1,5·HCO₃⁻ + 8 ± 2 mmHg; een gemeten waarde boven dat bereik wijst op een bijkomende respiratoire acidose, eronder op een bijkomende respiratoire alkalose. De aniongap AG = Na⁺ − (Cl⁻ + HCO₃⁻), normaal ongeveer 8–12 mmol/L, onderscheidt een metabole acidose met verhoogde gap van een met normale gap; een laag albumine maskeert een verhoogde gap (tel 2,5 op per g/dL dat het albumine onder 4,0 ligt). Een deltaratio (AG − 12)/(24 − HCO₃⁻) tussen ongeveer 0,8 en 2 past bij een zuivere acidose met verhoogde gap (sommige boeken gebruiken 1 in plaats van 0,8), een lagere waarde bij een bijkomende acidose met normale gap, en een waarde boven 2 bij een bijkomende metabole alkalose.

Anion gap

AG = 140 − (114 + 15) = 11

Correctie voor albumine

11 + 0,25·(40 − 33) = 12,75 mmol/L

Antwoord

AGc = 12,75 mmol/L

Na correctie boven ongeveer 12: een hoge anion gap.

39.Interpretatie van ECG-ritmestrips

Antwoord: QT = 0,34 s

QT en QTc: het QT-interval loopt van het begin van het QRS-complex tot het einde van de T-top. Het wordt korter naarmate de hartfrequentie stijgt, daarom wordt het gecorrigeerd voor de frequentie met het R–R-interval in seconden: Bazett QTc = QT/√RR en Fridericia QTc = QT/∛RR. Bazett is de formule die de meeste leerboeken gebruiken; hij corrigeert te veel bij hoge frequenties, waar Fridericia de voorkeur heeft. De grenswaarden verschillen per bron: een QTc boven ongeveer 0,45 s bij mannen of 0,46 s bij vrouwen wordt meestal verlengd genoemd en boven 0,50 s duidelijk verlengd.

Meet

8,5 kleine hokjes van het begin van het QRS tot het einde van de T-top

Omrekenen

QT = 8,5 × 0,04 s = 0,34 s

Antwoord

QT = 0,34 s

Een vuistregel: bij normale frequenties moet de QT minder dan de helft van het R–R-interval zijn (hier R–R = 0,84 s).

40.Interpretatie van ECG-ritmestrips

Antwoord: tweedegraads AV-blok type I (Wenckebach)

AV-blokken: zet de P-toppen uit en controleer op welke een QRS volgt. Eerstegraads: elke P wordt geleid, PR constant en boven 0,20 s. Tweedegraads type I (Mobitz I, Wenckebach): het PR wordt van slag tot slag langer totdat één P-top niet wordt geleid, waarna de cyclus opnieuw begint (groepsslagen). Tweedegraads type II (Mobitz II): het PR van de geleide slagen blijft constant en P-toppen worden plotseling niet geleid; het QRS is vaak breed. Derdegraads (compleet) blok: P-toppen en QRS-complexen zijn elk regelmatig maar onafhankelijk, het PR wisselt willekeurig en de atriale frequentie is hoger dan de ontsnappingsfrequentie (junctioneel 40–60/min met een smal QRS, ventriculair 20–40/min met een breed QRS). Een 2:1-blok kan op één strip niet als type I of type II worden benoemd.

Vijf stappen

1. Frequentie: 5 QRS-complexen in 6 s, × 10 = 50 per minuut.
2. Ritme: regelmatig onregelmatig, de QRS-complexen komen in groepen gescheiden door een pauze (groepsslagen).
3. P-toppen: positief en regelmatig (P–P 0,88 s, 68 per minuut); op één P op de 4 volgt geen QRS.
4. PR-interval: wordt 0,16 → 0,30 → 0,38 s langer, daarna wordt een P-top niet geleid.
5. QRS: 0,10 s, smal (onder 0,12 s).

Interpretatie

tweedegraads AV-blok type I (Wenckebach)

Antwoord

tweedegraads AV-blok type I (Wenckebach)

Dit is onafhankelijk oefenmateriaal. ExamProblems is niet verbonden aan of goedgekeurd door de organisatie die dit examen afneemt, en de naam van het examen wordt alleen gebruikt om de inhoud te beschrijven. NCLEX®, NCLEX-RN® and NCLEX-PN® zijn merken van the National Council of State Boards of Nursing, Inc. (NCSBN), dat niet verbonden is aan ExamProblems, het niet onderschrijft en niet instaat voor de juistheid ervan.

ExamProblems · examproblems.com/courses/nclex-rn-practice-questions