Natuurkunde voor ingenieurs: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 20 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Kinematica

Snelheid
v = v0 + a·t
Verplaatsing
s = v0·t + ½·a·t²
Zonder tijd
v² = v0² + 2·a·s
Eenheden
1 m/s = 3,6 km/h

Methode

  1. Noteer wat je weet: v₀, v, a, t en s, met eenheden.
  2. Kies de vergelijking met je drie bekenden en de onbekende.
  3. Kies één positieve richting en geef tegengestelde grootheden een minteken.
  4. Los op en controleer of het antwoord fysisch zinvol is.

Wetten van Newton

Tweede wet
ΣF = m·a
Gewicht
W = m·g
Kinetische wrijving
Ff = μ·N
Op een helling
langs: m·g·sin θ, loodrecht: m·g·cos θ

Methode

  1. Teken een vrijlichaamsschema met elke kracht op het lichaam.
  2. Kies een positieve richting langs de beweging.
  3. Ontbind krachten in componenten langs en loodrecht op de beweging (op een helling: m·g·sin θ langs, m·g·cos θ de helling in).
  4. Pas ΣF = m·a toe langs de beweging; wrijving is μ·N tegen de beweging in.

Kogelbaan

Componenten
vx = v0cos θ, vy = v0sin θ
Positie
x = vxt, y = h + vyt − ½gt²
Maximale hoogte
H = h + vy²/(2g)
Worpafstand (vlakke grond)
R = v0²·sin 2θ/g

Methode

  1. Ontbind de beginsnelheid in componenten: vx = v₀·cos θ en vy = v₀·sin θ.
  2. De horizontale beweging heeft een constante snelheid; de verticale beweging heeft versnelling −g.
  3. Bepaal de vluchttijd uit de verticale beweging.
  4. Gebruik die tijd in de horizontale beweging om de dracht te vinden.

Arbeid en energie

Kinetische energie
Ek = ½mv²
Potentiële energie
Ep = mgh
Energiebalans
Ek1 + Ep1 + W = Ek2 + Ep2 + losses
Wrijvingsarbeid
W = μ·N·d
Vermogen
P = W/t

Impuls en botsingen

Impuls
p = m·v
Behoud
Σm·v (before) = Σm·v (after)
Volkomen inelastisch
v′ = (m1v1 + m2v2)/(m1 + m2)
Stoot
J = F·Δt = m·Δv

Methode

  1. Kies een positieve richting en geef elke snelheid haar teken.
  2. Schrijf de totale impuls vooraf op: Σm·v.
  3. Bij een volkomen inelastische botsing bewegen de lichamen daarna samen; bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden.
  4. Stel de impuls vooraf gelijk aan de impuls achteraf en los op.

Hydrostatische kracht

Druk op diepte
p = ρgh
Kracht op een verticale wand
F = ρg·hc·A
Drukpunt
yp = yc + Ic/(ycA)
Rechthoek
Ic = bH³/12

Continuïteit en Bernoulli

Continuïteit
A1v1 = A2v2
Bernoulli
p1 + ½ρv1² + ρgz1 = p2 + ½ρv2² + ρgz2
Debiet
Q = A·v
Oppervlakte van een cirkel
A = πd²/4

Ideale gaswet

Ideale gaswet
pV = nRT
Gasconstante
R = 8,314 J/(mol·K)
Algemene gaswet
p1V1/T1 = p2V2/T2
Mol
n = m/M
Temperatuur
T[K] = T[°C] + 273,15

Warmtemotoren en koelmachines

Rendement
η = W/QH = 1 − QC/QH
Carnotrendement
ηC = 1 − TC/TH (kelvin)
COP van de koelmachine
COPR = QC/W
COP van de warmtepomp
COPHP = QH/W = COPR + 1
Energiebalans
QH = W + QC

Golven, geluid & optica

Golfsnelheid
v = fλ, T = 1/f
Snaar
v = √(T/μ), μ = m/L
Geluidsniveau
β = 10·log10(I/I0), I0 = 10⁻¹² W/m²
Puntbron
I = P/(4πr²)
Staande golven
snaar of aan beide kanten open buis fn = n·v/(2L); aan één kant gesloten buis fn = n·v/(4L), n oneven
Dopplereffect
f′ = f·(v ± vo)/(v ∓ vs)
Brekingsindex
n = c/v, λ = λ0/n
Wet van Snellius
n1sin θ1 = n2sin θ2
Kritieke hoek
sin θc = n2/n1
Glasvezel
NA = sin θa = √(n1² − n2²)
Lenzen en spiegels
1/f = 1/do + 1/di, m = −di/do, mirror f = R/2
Dubbele spleet
d·sin θ = mλ, ym = mλL/d
Tralie
d = 1/N, d·sin θ = mλ, mmax ≤ d/λ
Enkele spleet
a·sin θ = mλ (dark), w = 2λL/a

Methode

  1. Bepaal het soort opgave: golfsnelheid, geluidsniveau, staande golf, Doppler, breking, lens of spiegel, of interferentie.
  2. Schrijf eerst de formule op: v = fλ, β = 10·log(I/I₀), fₙ = n·v/(2L) of n·v/(4L), f′ = f(v ± vo)/(v ∓ vs), n₁sin θ₁ = n₂sin θ₂, 1/f = 1/d₀ + 1/dᵢ, d·sin θ = mλ.
  3. Reken eenheden om: nm, mm en cm naar m, en controleer of hoeken vanaf de normaal worden gemeten.
  4. Controleer tekens en aannemelijkheid: een virtueel beeld heeft dᵢ < 0, een naderende bron klinkt hoger, een aan één kant gesloten buis heeft alleen oneven harmonischen.

2Oefenopgaven

1.KinematicaGemiddeld
t (s)v (m/s)3,125 s12,5

Een auto die met 45 km/h rijdt, remt met een constante vertraging van 4 m/s² tot hij stilstaat. Bereken de remweg s.

v₀ = 45 km/ha = −4 m/s²v = 0
s = m
2.KinematicaMoeilijk
v₀ = 12 m/s35 m

Een bal wordt met 12 m/s recht omhoog gegooid vanaf de rand van een dak 35 m boven de grond. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Hoelang na de worp raakt de bal de grond? Bereken t.

v₀ = 12 m/sh₀ = 35 mg = 9,81 m/s²
t = s
3.Wetten van NewtonGemiddeld
θ = 25°a = ?m = 17 kg

Een blok van 17 kg glijdt een helling af die 25° met de horizontaal maakt. De kinetische wrijvingscoëfficiënt is 0,1. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de versnelling a van het blok langs de helling.

m = 17 kgθ = 25°μ = 0,1g = 9,81 m/s²
a = m/s²
4.Wetten van NewtonMoeilijk
θ = 15°blokv₀ = 9,5 m/s

Een blok krijgt een duw, zodat het met een snelheid van 9,5 m/s een helling onder 15° op begint te glijden. De kinetische wrijvingscoëfficiënt is 0,15. Gebruik g = 9,81 m/s². Hoe ver d glijdt het langs de helling voordat het stopt?

v₀ = 9,5 m/sθ = 15°μ = 0,15g = 9,81 m/s²
d = m
5.KogelbaanGemiddeld
v0​ = 28 m/sθ = ?R = 50 m

Een bal wordt vanaf vlakke grond gelanceerd met 28 m/s en moet 50 m verderop landen. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Vind de kleinste van de twee mogelijke elevatiehoeken θ.

v₀ = 28 m/sR = 50 mg = 9,81 m/s²
θ = °
6.KogelbaanMoeilijk
h = 30 mv0​ = 27 m/s30°worpafstand

Een bal wordt onder 30° boven de horizontaal vanaf de top van een 30 m hoge klif weggeschoten. Verwaarloos luchtweerstand. Vind de vliegtijd t tot de bal de grond raakt.

v0 = 27 m/sθ = 30°h = 30 mg = 9,81 m/s²
t = s
7.Arbeid en energieGemiddeld
25°d = 17 mμ = 0,2

Een blok glijdt vanuit rust een helling af onder 25° met de horizontaal. De kinetische wrijvingscoëfficiënt is 0,2. Vind de snelheid v nadat het 17 m langs de helling is gegleden.

θ = 25°μ = 0,2d = 17 mg = 9,81 m/s²
v = m/s
8.Arbeid en energieMoeilijk
h = 4 mL = 2,5 mμ = 0,3k = 5000 N/m

Een blok van 5 kg wordt vanuit rust losgelaten op hoogte 4 m op een gladde helling. Onderaan steekt het een ruwe horizontale strook van 2,5 m over (μ = 0,3) en loopt daarna tegen een veer (k = 5000 N/m) op een glad oppervlak. Vind de snelheid v van het blok als het de veer bereikt.

m = 5 kgh = 4 mL = 2,5 mμ = 0,3k = 5000 N/mg = 9,81 m/s²
v = m/s
9.Impuls en botsingenGemiddeld
900 kg22 m/s500 kg

Een auto van 900 kg die met 22 m/s rijdt, botst op een stilstaande auto van 500 kg en de twee haken in elkaar. Hoeveel kinetische energie ΔK gaat er bij de botsing verloren?

m1 = 900 kgv1 = 22 m/sm2 = 500 kgv2 = 0
ΔK = J
10.Impuls en botsingenMoeilijk
26 m/s7 m/s

Een bal van 0,4 kg raakt een muur met 26 m/s en kaatst recht terug met 7 m/s. Het contact duurt 50 ms. Bereken de grootte van de stoot J die de muur aan de bal geeft.

m = 0,4 kgvin = 26 m/svout = 7 m/sΔt = 50 ms
J = N·s
11.Hydrostatische krachtGemiddeld
schuifd = 1,5 mH = 3 m

Een verticale rechthoekige schuif van 1,5 m breed zit in de wand van een tank met water, met de bovenrand 1,5 m onder het oppervlak. Vind de resulterende hydrostatische kracht F op de schuif.

d = 1,5 mH = 3 mb = 1,5 mρ = 1000 kg/m³g = 9,81 m/s²
F = kN
12.Hydrostatische krachtMoeilijk
schuifd = 2,5 mH = 1,5 m

Een verticale rechthoekige schuif van 2 m breed zit in de wand van een tank met water, met de bovenrand 2,5 m onder het oppervlak. Vind de diepte ycp van het drukpunt onder het oppervlak.

d = 2,5 mH = 1,5 mb = 2 mρ = 1000 kg/m³g = 9,81 m/s²
ycp = m
13.Continuïteit en BernoulliGemiddeld
12d1​ = 100 mm, p1​ = 370 kPad2​ = 40 mm, p2​ = ?

Water stroomt door een horizontale leiding die versmalt van 100 mm naar 40 mm. In het brede deel is de druk 370 kPa en de snelheid 1,25 m/s. Verwaarloos verliezen en vind de druk p2 in het smalle deel.

d1 = 100 mmd2 = 40 mmp1 = 370 kPav1 = 1,25 m/sρ = 1000 kg/m³
p2 = kPa
14.Continuïteit en BernoulliMoeilijk
12d1​ = 150 mm, p1​ = 300 kPad2​ = 100 mm, p2​ = ?Δz = 4 m

Water stroomt omhoog door een leiding die versmalt van 150 mm naar 100 mm en daarbij 4 m stijgt. In doorsnede 1 is de druk 300 kPa en de snelheid 0,75 m/s. Verwaarloos verliezen en vind de druk p2 in doorsnede 2.

d1 = 150 mmd2 = 100 mmp1 = 300 kPav1 = 0,75 m/sΔz = 4 mρ = 1000 kg/m³
p2 = kPa
15.Ideale gaswetGemiddeld
200 g N₂V = 20 LT = 50 °CP = ?

Een tank van 20 L bevat 200 g N₂ bij 50 °C. Behandel het als een ideaal gas en vind de druk P.

m = 200 gM = 28,01 g/molV = 20 LT = 50 °CR = 8,314 J/(mol·K)
P = kPa
16.Ideale gaswetMoeilijk
Toestand 1Toestand 2

Een vaste hoeveelheid CO₂ gaat van 400 kPa, 2 L, 40 °C naar 100 kPa en 140 °C. Vind het nieuwe volume V2.

P1 = 400 kPaV1 = 2 LT1 = 40 °CP2 = 100 kPaT2 = 140 °C
V2 = L
17.Warmtemotoren en koelmachinesGemiddeld
TH​ = 650 °CTL​ = 35 °CEQH​QL​W

Een warmtemotor werkt tussen een warm reservoir van 650 °C en een koud reservoir van 35 °C. Vind het hoogst mogelijke thermisch rendement ηmax.

TH = 650 °CTL = 35 °C
ηmax = %
18.Warmtemotoren en koelmachinesMoeilijk
TH​ = 20 °CTL​ = -10 °CHPQ̇H​ = 7 kWQ̇L​Ẇ = ?

Een warmtepomp houdt een huis op 20 °C terwijl het buiten -10 °C is, en levert 7 kW warmte aan het huis. Vind het minimaal benodigde vermogen Ẇmin.

TH = 20 °CTL = -10 °CQ̇H = 7 kW
Ẇmin = kW
19.Golven, geluid & opticaGemiddeld
P8 × 65 dB

Eén machine geeft op een bepaald punt een geluidsniveau van 65 dB. Bepaal het niveau β op dat punt als 8 identieke machines tegelijk draaien (incoherente bronnen).

β1 = 65 dBn = 8
β = dB
20.Golven, geluid & opticaMoeilijk
λ = 600 nmθ1​ = ?

Licht met golflengte 600 nm valt loodrecht op een tralie met 800 lijnen per millimeter. Bepaal de hoek θ1 van het maximum van orde 1.

N = 800 mm⁻¹λ = 600 nmm = 1
θ1 = °

3Oplossingen

1.Kinematica

Antwoord: s = 19,53 m

Beweging met constante versnelling: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² en v² = v₀² + 2·a·s. Kies de formule die de drie bekende grootheden en de gezochte grootheid bevat, en houd de tekens consequent bij één positieve richting.

Eenheden

v₀ = 45/3,6 = 12,5 m/s

Remweg

0 = v₀² − 2·a·s → s = v₀²/(2a) = 12,5²/(2·4) = 19,53 m

Antwoord

s = 19,53 m
2.Kinematica

Antwoord: t = 4,161 s

Beweging met constante versnelling: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² en v² = v₀² + 2·a·s. Kies de formule die de drie bekende grootheden en de gezochte grootheid bevat, en houd de tekens consequent bij één positieve richting.

Bewegingsvergelijking

Omhoog is positief en de grond ligt h₀ onder het beginpunt.

−35 = 12·t − ½·9,81·t²
4,905·t² − 12·t − 35 = 0

Los de vierkantsvergelijking op

Alleen de positieve wortel is fysisch zinvol.

t = (12 + √(12² + 2·9,81·35))/9,81 = 4,161 s

Antwoord

t = 4,161 s
3.Wetten van Newton

Antwoord: a = 3,257 m/s²

Tweede wet van Newton: de resulterende kracht op een lichaam is gelijk aan de massa maal de versnelling, ΣF = m·a. Teken een vrijlichaamsschema, kies een positieve richting langs de beweging en tel alle krachten in die richting op: uitgeoefende krachten, de wrijving μ·N tegen de beweging in, en de componenten van de zwaartekracht.

Krachten langs de helling

Langs de helling omlaag is positief.

m·a = m·g·sin θ − μ·m·g·cos θ

Versnelling

a = 9,81·(sin 25° − 0,1·cos 25°) = 9,81·(0,4226 − 0,09063) = 3,257 m/s²

Antwoord

a = 3,257 m/s²
4.Wetten van Newton

Antwoord: d = 11,39 m

Newton’s second law: the net force on a body equals its mass times its acceleration, ΣF = m·a. Draw a free-body diagram, choose a positive direction along the motion, and add every force in that direction: applied forces, friction μ·N against the motion, and the components of gravity.

Vertraging

Beide krachten wijzen de helling af; de massa valt weg.

a = 9,81·(sin 15° + 0,15·cos 15°) = 3,96 m/s²

Afstand

d = v₀²/(2a) = 9,5²/(2·3,96) = 11,39 m

Antwoord

d = 11,39 m
5.Kogelbaan

Antwoord: θ = 19,36 °

Projectile motion: with no air resistance, x = vxt and y = h + vyt − ½gt². The two directions are independent except that they share the same time.

Formule voor de worpafstand

R = v₀²·sin 2θ/g → sin 2θ = 9,81·50/28² = 0,6256

Hoek

2θ = 38,73° → θ = 19,36°

Antwoord

θ = 19,36°

De andere oplossing is 90° − θ = 70,64°.

6.Kogelbaan

Antwoord: t = 4,206 s

Kogelbaan: zonder luchtweerstand geldt x = vxt en y = h + vyt − ½gt². De twee richtingen zijn onafhankelijk, behalve dat ze dezelfde tijd delen.

Ontbind de beginsnelheid

De horizontale snelheid blijft constant; de verticale beweging heeft een constante versnelling g = 9,81 m/s² omlaag.

vx = v0·cos θ = 27·cos 30° = 23,38 m/s
vy = v0·sin θ = 27·sin 30° = 13,5 m/s

Vliegtijd

Los y(t) = h + vy·t − ½gt² = 0 op voor de positieve wortel.

0 = 30 + 13,5·t − 4,905·t²
t = (vy + √(vy² + 2gh))/g = (13,5 + √(182,2 + 588,6))/9,81 = 4,206 s

Antwoord

t = 4,206 s
7.Arbeid en energie

Antwoord: v = 8,972 m/s

Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d).

Energiebalans langs de helling

Het blok zakt een hoogte d·sin θ terwijl de wrijving μmg·cos θ·d wegneemt. De massa valt weg.

½v² = g·d·(sin θ − μ·cos θ)
v = √(2·9,81·17·(0,4226 − 0,2·0,9063)) = 8,972 m/s

Antwoord

v = 8,972 m/s
8.Arbeid en energie

Antwoord: v = 7,985 m/s

Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d).

Overgebleven energie na de ruwe strook

De helling is glad, dus alleen de strook neemt energie weg.

mgh − μmgL = 49,05·(4 − 0,3·2,5) = 159,4 J

Snelheid bij de veer

½mv² = mg(h − μL) → v = √(2g(h − μL)) = √(2·9,81·3,25) = 7,985 m/s

Antwoord

v = 7,985 m/s
9.Impuls en botsingen

Antwoord: ΔK = 77786 J

Conservation of momentum: when no external force acts during a collision, the total momentum Σm·v before equals the total after. Velocities have a direction, so pick a positive direction and give velocities the other way a minus sign. In an elastic collision kinetic energy is conserved too; in a perfectly inelastic one the bodies stick together.

Gemeenschappelijke snelheid

v′ = m1·v1/(m1 + m2) = 900·22/1400 = 14,14 m/s

Kinetische energie vóór en na

Kbefore = ½·900·22² = 217800 J
Kafter = ½·1400·14,14² = 140014 J

Verloren energie

ΔK = 217800 − 140014 = 77786 J

Antwoord

ΔK = 77786 J

De verloren energie gaat naar vervorming, warmte en geluid.

10.Impuls en botsingen

Antwoord: J = 13,2 N·s

Behoud van impuls: als er tijdens een botsing geen externe kracht werkt, is de totale impuls Σm·v vóór de botsing gelijk aan die erna. Snelheden hebben een richting, dus kies een positieve richting en geef snelheden in de andere richting een minteken. Bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden; bij een volkomen inelastische botsing blijven de lichamen aan elkaar vast zitten.

Verandering van de impuls

J = m·Δv = 0,4·(7 + 26) = 13,2 N·s

Antwoord

J = 13,2 N·s
11.Hydrostatische kracht

Antwoord: F = 132,4 kN

Hydrostatische kracht op een vlak oppervlak: F = ρ·g·yc·A. De kracht grijpt aan in het drukpunt, ycp = yc + Ic/(ycA), dat altijd onder het zwaartepunt ligt.

Diepte van het zwaartepunt en oppervlakte

yc = d + H/2 = 1,5 + 3/2 = 3 m
A = H·b = 3·1,5 = 4,5 m²
schuifd = 1,5 mH = 3 mF

Resulterende kracht

F = ρ·g·yc·A = 1000·9,81·3·4,5 = 132,4 kN

Antwoord

F = 132,4 kN
12.Hydrostatische kracht

Antwoord: ycp = 3,308 m

Hydrostatische kracht op een vlak oppervlak: F = ρ·g·yc·A. De kracht grijpt aan in het drukpunt, ycp = yc + Ic/(ycA), dat altijd onder het zwaartepunt ligt.

Diepte van het zwaartepunt en oppervlakte

yc = d + H/2 = 2,5 + 1,5/2 = 3,25 m
A = H·b = 1,5·2 = 3 m²
schuifd = 2,5 mH = 1,5 mF

Resulterende kracht

F = ρ·g·yc·A = 1000·9,81·3,25·3 = 95,65 kN

Drukpunt

De druk neemt toe met de diepte, dus de resultante grijpt aan onder het zwaartepunt.

Ic = b·H³/12 = 2·1,5³/12 = 0,5625 m⁴
ycp = yc + Ic/(yc·A) = 3,25 + 0,5625/(3,25·3) = 3,308 m

Antwoord

ycp = 3,308 m
13.Continuïteit en Bernoulli

Antwoord: p2 = 340,3 kPa

Continuïteit en Bernoulli: voor een onsamendrukbare vloeistof is het debiet in elke doorsnede gelijk, Q = A₁v₁ = A₂v₂. Langs een stroomlijn zonder verliezen is p + ½ρv² + ρgz constant, dus waar de vloeistof sneller stroomt of hoger ligt, is de druk lager.

Continuïteit en Bernoulli

Werk in Pa, en deel dan door 1000 om kPa te krijgen.

v2 = v1·(d1/d2)² = 1,25·(100/40)² = 7,813 m/s
½ρ(v1² − v2²) = ½·1000·(1,25² − 7,813²)/1000 = −29,74 kPa
p2 = p1 + ½ρ(v1² − v2²) = 370 + (−29,74) = 340,3 kPa

Antwoord

p2 = 340,3 kPa
14.Continuïteit en Bernoulli

Antwoord: p2 = 259,6 kPa

Continuïteit en Bernoulli: voor een onsamendrukbare vloeistof is het debiet in elke doorsnede gelijk, Q = A₁v₁ = A₂v₂. Langs een stroomlijn zonder verliezen is p + ½ρv² + ρgz constant, dus waar de vloeistof sneller stroomt of hoger ligt, is de druk lager.

Continuïteit en Bernoulli

Werk in Pa, en deel dan door 1000 om kPa te krijgen.

v2 = v1·(d1/d2)² = 0,75·(150/100)² = 1,688 m/s
½ρ(v1² − v2²) = ½·1000·(0,75² − 1,688²)/1000 = −1,143 kPa
ρgΔz = 1000·9,81·4/1000 = 39,24 kPa
p2 = p1 + ½ρ(v1² − v2²) − ρgΔz = 300 + (−1,143) − 39,24 = 259,6 kPa

Antwoord

p2 = 259,6 kPa
15.Ideale gaswet

Antwoord: P = 959,2 kPa

Ideale gaswet: PV = nRT, met n = m/M.

Mol

n = m/M = 200/28,01 = 7,14 mol
T = 50 + 273,15 = 323,1 K

Druk

P = nRT/V = 7,14·8,314·323,1/0,02 = 959,2 kPa

Antwoord

P = 959,2 kPa
16.Ideale gaswet

Antwoord: V2 = 10,55 L

Algemene gaswet: voor een vaste hoeveelheid ideaal gas geldt P1V1/T1 = P2V2/T2.

Absolute temperaturen

T1 = 313,1 K, T2 = 413,1 K

Algemene gaswet

V2 = V1·(P1/P2)·(T2/T1) = 2·(400/100)·(413,1/313,1) = 10,55 L

Antwoord

V2 = 10,55 L
17.Warmtemotoren en koelmachines

Antwoord: ηmax = 66,62 %

Grenzen van de tweede hoofdwet: geen kringproces tussen reservoirs op absolute temperaturen TH en TL kan beter zijn dan het omkeerbare (Carnot)proces: ηmax = 1 − TL/TH, COPR,max = TL/(TH − TL) en COPHP,max = TH/(TH − TL). Energie blijft altijd behouden: QH = W + QL.

Absolute temperaturen

TH = 650 + 273,15 = 923,1 K
TL = 35 + 273,15 = 308,1 K

Carnotrendement

ηmax = 1 − TL/TH = 1 − 308,1/923,1 = 66,62 %

Antwoord

ηmax = 66,62 %
18.Warmtemotoren en koelmachines

Antwoord: Ẇmin = 0,7164 kW

Grenzen van de tweede hoofdwet: geen kringproces tussen reservoirs op absolute temperaturen TH en TL kan beter zijn dan het omkeerbare (Carnot)proces: ηmax = 1 − TL/TH, COPR,max = TL/(TH − TL) en COPHP,max = TH/(TH − TL). Energie blijft altijd behouden: QH = W + QL.

Absolute temperaturen

TH = 20 + 273,15 = 293,1 K
TL = -10 + 273,15 = 263,1 K

Best mogelijke COP

COPHP,max = TH/(TH − TL) = 293,1/(293,1 − 263,1) = 9,772

Minimaal vermogen

Een omkeerbare machine, met de hoogste COP, heeft de minste arbeid nodig.

Ẇmin = Q̇H/COP = 7/9,772 = 0,7164 kW

Antwoord

Ẇmin = 0,7164 kW
19.Golven, geluid & optica

Antwoord: β = 74,03 dB

Golven: een periodieke golf verplaatst zich in één periode één golflengte, dus v = fλ met T = 1/f. Op een gespannen snaar is v = √(T/μ), met T de spankracht en μ = m/L de massa per meter. Geluid in lucht beweegt zich bij 20 °C voort met ongeveer 343 m/s, licht in vacuüm met c = 3,00 × 10⁸ m/s. Luidheid wordt gemeten op een logaritmische schaal: β = 10·log₁₀(I/I₀) dB met I₀ = 10⁻¹² W/m², dus 10 keer de intensiteit voegt 10 dB toe. Een puntbron verspreidt zijn vermogen P over een bol: I = P/(4πr²).

Totale intensiteit

I = 8·I₁

Niveau

β = 65 + 10·log₁₀(8) = 74,03 dB

Antwoord

β = 74,03 dB
20.Golven, geluid & optica

Antwoord: θ1 = 28,69 °

Interferentie en diffractie: licht van twee spleten op afstand d van elkaar bereikt een punt op het scherm met een gangverschil d·sin θ. Heldere franjes verschijnen waar d·sin θ = mλ (m = 0, ±1, ±2, …). Voor een scherm op afstand L ≫ d ligt de m-de heldere franje op y = mλL/d en is de franjeafstand Δy = λL/d. Een tralie met N lijnen per millimeter heeft d = 1/N en scherpe maxima bij d·sin θ = mλ; omdat sin θ ≤ 1, is de hoogste orde het grootste gehele getal m ≤ d/λ. Een enkele spleet met breedte a heeft donkere franjes bij a·sin θ = mλ, m = ±1, ±2, …

Lijnafstand

d = 1/800 mm = 1,25 × 10⁻⁶ m

Tralievergelijking

sin θ = mλ/d = 1·600 × 10⁻⁹/(1,25 × 10⁻⁶) = 0,48
θ = 28,69°

Antwoord

θ1 = 28,69°

ExamProblems · examproblems.com/courses/physics-for-engineers