Bepaal de omzetter (buck, boost of buck-boost) en de duty cycle D uit de spanningsverhouding.
Gebruik de volt-secondebalans over de spoel: de gemiddelde spoelspanning over een periode is nul.
Bepaal de spoelspanning terwijl de schakelaar aan staat, daarna ΔIL = VL·D/(L·f).
Bepaal voor de uitgangsrimpel de lading die in en uit de condensator stroomt; stel voor de grens van continue geleiding de gemiddelde spoelstroom gelijk aan ΔIL/2.
Gelijkstroommotoren
Ankerketen
V = E + IaRa
Tegen-EMK en koppel
E = k·ω, T = k·Ia
Snelheid
ω = 2π·n/60, ω = (V − IaRa)/k
Onbelast toerental en blokkeerkoppel
ω0 = V/k, Tstall = k·V/Ra
Vermogens
Pin = V·Ia, Pdev = E·Ia = T·ω, Pout = Pdev − Prot
Starten
Istart = V/(Ra + Rst)
Toerentalregeling
SR = (n0 − nFL)/nFL
Maximaal ontwikkeld vermogen
Pmax = V²/(4Ra)
Chopperaandrijving
Va = D·Vdc
Methode
Teken de ankerketen: voeding V, weerstand Ra en de tegen-EMK E in serie.
Gebruik V = E + Ia·Ra om spanning, stroom en tegen-EMK te verbinden.
Gebruik E = k·ω voor het toerental en T = k·Ia voor het koppel, met ω = 2π·n/60.
Begin voor vermogen en rendement bij V·Ia, trek het koperverlies Ia²·Ra af en daarna de rotatieverliezen.
Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Werkelijk vermogen
P = V·I·cos φ
Blindvermogen
Q = V·I·sin φ
Schijnbaar vermogen
S = V·I = √(P² + Q²)
Arbeidsfactor
pf = cos φ = P/S
Compensatiecondensator
QC = P(tan φ1 − tan φ2), C = QC/(ωV²)
Draaistroomvermogen
Sterschakeling (Y)
VL = √3·Vph, IL = Iph
Driehoekschakeling (Δ)
VL = Vph, IL = √3·Iph
Totaal werkelijk vermogen
P = √3·VL·IL·cos φ = 3·Iph²·R
Schijnbaar vermogen en blindvermogen
S = √3·VL·IL, Q = P·tan φ
Compensatiecondensatoren
QC = P(tan φ1 − tan φ2), C = QC/(3ωV²)
Spanning over elke condensator
Δ: VL Y: VL/√3
Opgenomen motorvermogen
Pin = Pout/η
2Oefenopgaven
1.DC-DC-omzettersGemiddeld
Een ideale buck-omzetter zet 12 V om in 8,4 V bij een schakelfrequentie van 250 kHz. Bepaal de zelfinductie L die de piek-piek-rimpelstroom door de spoel op 1,5 A houdt.
Vin = 12 VVo = 8,4 Vf = 250 kHzΔIL = 1,5 A
L = µH
2.DC-DC-omzettersMoeilijk
Een ideale boost-omzetter zet 9 V om in 12 V voor een belasting van 12 Ω bij 200 kHz. De uitgangscondensator is 470 µF. Bepaal de piek-piek-rimpel ΔVo van de uitgangsspanning in mV.
Vin = 9 VVo = 12 Vf = 200 kHzC = 470 µFR = 12 Ω
ΔVo = mV
3.GelijkstroommotorenGemiddeld
Een gelijkstroommotor met k = 1,2 N·m/A en Ra = 0,8 Ω is aangesloten op 120 V. Bepaal zijn blokkeerkoppel Tstall, het koppel bij toerental nul.
V = 120 Vk = 1,2 N·m/ARa = 0,8 Ω
Tstall = N·m
4.GelijkstroommotorenMoeilijk
Een gelijkstroomchopper voedt een motor (k = 0,75 V·s/rad, Ra = 0,5 Ω) uit een gelijkspanningsbus van 220 V. De gemiddelde ankerspanning is D·220 V. Bepaal de duty cycle D waarmee de motor draait op 1200 rpm bij een last van 18,75 N·m.
Twee belastingen zijn parallel aangesloten op een eenfasige voeding van 240 V: een belasting van 8 kW met een inductieve arbeidsfactor van 0,75 en een belasting van 23 kW met een capacitieve arbeidsfactor van 0,7. Vind de totale stroom I die uit de voeding wordt opgenomen.
Een eenfasige belasting neemt 29 kW op met een inductieve arbeidsfactor van 0,7 uit een voeding van 230 V, 50 Hz. Parallel aan de belasting wordt een condensator van 330 µF aangesloten. Vind de nieuwe lijnstroom I.
P = 29 kWpf1 = 0,7V = 230 Vf = 50 HzC = 330 µF
I = A
7.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een symmetrische driefasige belasting neemt een lijnstroom van 100 A op uit een net met een lijnspanning van 400 V. De arbeidsfactor is 0,7 inductief. Vind het totale werkelijk vermogen P dat de belasting opneemt, in kW.
VL = 400 VIL = 100 Acos φ = 0,7
P = kW
8.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 120 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,72 uit een net van 400 V (lijnspanning), 60 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,95 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. Vind het totale blindvermogen QC dat de condensatorbank moet leveren, in kvar.
P = 120 kWpf1 = 0,72pf2 = 0,95VL = 400 Vf = 60 Hz
QC = kvar
3Oplossingen
1.DC-DC-omzetters
Antwoord: L = 6,72 µH
DC-DC-omzetters: een schakelaar S staat gedurende de fractie D van elke periode T = 1/f aan. In de stationaire toestand is de gemiddelde spoelspanning nul (volt-secondebalans), wat de ideale omzettingsverhoudingen geeft bij continue geleiding: buck Vo = D·Vin, boost Vo = Vin/(1 − D), inverterende buck-boost |Vo| = Vin·D/(1 − D). Een ideale omzetter behoudt het vermogen: Vin·Iin = Vo·Io. Zolang S aan staat, stijgt de spoelstroom met ΔIL = VL·D·T/L, met VL = Vin − Vo voor de buck en Vin voor de boost en de buck-boost. De uitgangsrimpel is ΔVo = ΔIL/(8fC) voor de buck en Io·D/(fC) voor de boost en de buck-boost. De spoelstroom raakt net nul (de grens van continue geleiding) als de gemiddelde spoelstroom gelijk is aan ΔIL/2.
Duty cycle
D = 8,4/12 = 0,7
Zelfinductie
L = 3,6·0,7/(1,5·250·10³) = 6,72 µH
Antwoord
L = 6,72 µH
2.DC-DC-omzetters
Antwoord: ΔVo = 2,66 mV
DC-DC-omzetters: een schakelaar S staat gedurende de fractie D van elke periode T = 1/f aan. In de stationaire toestand is de gemiddelde spoelspanning nul (volt-secondebalans), wat de ideale omzettingsverhoudingen geeft bij continue geleiding: buck Vo = D·Vin, boost Vo = Vin/(1 − D), inverterende buck-boost |Vo| = Vin·D/(1 − D). Een ideale omzetter behoudt het vermogen: Vin·Iin = Vo·Io. Zolang S aan staat, stijgt de spoelstroom met ΔIL = VL·D·T/L, met VL = Vin − Vo voor de buck en Vin voor de boost en de buck-boost. De uitgangsrimpel is ΔVo = ΔIL/(8fC) voor de buck en Io·D/(fC) voor de boost en de buck-boost. De spoelstroom raakt net nul (de grens van continue geleiding) als de gemiddelde spoelstroom gelijk is aan ΔIL/2.
Duty cycle
D = 1 − 9/12 = 0,25
Belastingsstroom
Io = 12/12 = 1 A
Uitgangsrimpel
ΔVo = 1·0,25/(200·10³·470·10⁻⁶) = 2,66 mV
Antwoord
ΔVo = 2,66 mV
3.Gelijkstroommotoren
Antwoord: Tstall = 180 N·m
Gelijkstroommotor: het anker is een weerstand Ra in serie met de tegen-EMK E, dus V = E + Ia·Ra. De tegen-EMK groeit met het toerental, E = k·ω, en het koppel met de stroom, T = k·Ia, met dezelfde motorconstante k (V·s/rad = N·m/A) in SI-eenheden. Reken toerentallen om met ω = 2π·n/60. Het ontwikkelde vermogen is E·Ia = T·ω; het ingangsvermogen is V·Ia, en het koperverlies Ia²Ra en het rotatieverlies vormen het verschil. Het toerental daalt lineair met het koppel, ω = V/k − Ra·T/k², van het onbelaste toerental V/k tot nul bij het blokkeerkoppel k·V/Ra. In stilstand is E = 0, dus de aanloopstroom V/Ra is groot, tenzij een weerstand hem beperkt.
Blokkeerstroom
Ia = V/Ra = 120/0,8 = 150 A
Blokkeerkoppel
Tstall = 1,2·150 = 180 N·m
Antwoord
Tstall = 180 N·m
4.Gelijkstroommotoren
Antwoord: D = 48,52 %
Gelijkstroommotor: het anker is een weerstand Ra in serie met de tegen-EMK E, dus V = E + Ia·Ra. De tegen-EMK groeit met het toerental, E = k·ω, en het koppel met de stroom, T = k·Ia, met dezelfde motorconstante k (V·s/rad = N·m/A) in SI-eenheden. Reken toerentallen om met ω = 2π·n/60. Het ontwikkelde vermogen is E·Ia = T·ω; het ingangsvermogen is V·Ia, en het koperverlies Ia²Ra en het rotatieverlies vormen het verschil. Het toerental daalt lineair met het koppel, ω = V/k − Ra·T/k², van het onbelaste toerental V/k tot nul bij het blokkeerkoppel k·V/Ra. In stilstand is E = 0, dus de aanloopstroom V/Ra is groot, tenzij een weerstand hem beperkt.
Vereiste ankerspanning
Va = 0,75·125,7 + 25·0,5 = 106,7 V
Duty cycle
D = 106,7/220 = 48,52 %
Antwoord
D = 48,52 %
5.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: I = 146,1 A
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen van elke belasting
Een inductieve belasting neemt blindvermogen op (Q > 0); een capacitieve belasting levert het (Q < 0).
Q1 = 8·tan(arccos 0,75) = 7,055 kvar
Q2 = −23·tan(arccos 0,7) = −23,46 kvar
Totalen
P = 8 + 23 = 31 kW
Q = 7,055 + (−23,46) = −16,41 kvar
S = √(31² + (−16,41)²) = 35,08 kVA
Totale stroom
I = S/V = 35075/240 = 146,1 A
Antwoord
I = 146,1 A
6.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: I = 163,9 A
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.
Q1 = 29·tan(arccos 0,7) = 29,59 kvar
QC = V²·2πf·C = 230²·2π·50·330·10⁻⁶ = 5484 var = 5,484 kvar
Q2 = 29,59 − 5,484 = 24,1 kvar
Nieuw schijnbaar vermogen
S2 = √(29² + 24,1²) = 37,71 kVA
Nieuwe lijnstroom
I = S2/V = 37708/230 = 163,9 A
Antwoord
I = 163,9 A
7.Draaistroomvermogen
Antwoord: P = 48,5 kW
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Schijnbaar vermogen
S = √3·VL·IL = √3·400·100 = 69,28 kVA
Werkelijk vermogen
P = S·cos φ = 69,28·0,7 = 48,5 kW
Antwoord
P = 48,5 kW
8.Draaistroomvermogen
Antwoord: QC = 76,22 kvar
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.