Energiesystemen en elektrische machines: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 10 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Draaistroomvermogen

Sterschakeling (Y)
VL = √3·Vph, IL = Iph
Driehoekschakeling (Δ)
VL = Vph, IL = √3·Iph
Totaal werkelijk vermogen
P = √3·VL·IL·cos φ = 3·Iph²·R
Schijnbaar vermogen en blindvermogen
S = √3·VL·IL, Q = P·tan φ
Compensatiecondensatoren
QC = P(tan φ1 − tan φ2), C = QC/(3ωV²)
Spanning over elke condensator
Δ: VL Y: VL/√3
Opgenomen motorvermogen
Pin = Pout/η

Transformatoren

Wikkelverhouding
a = N1/N2 = V1/V2
Stroomverhouding
I1/I2 = N2/N1 = 1/a
Nominale stroom
I = S/V
Overgebrachte impedantie
Z1′ = a²·ZL
Koperverlies bij deellast
Pcu = x²·Pcu,fl
Rendement
η = x·S·pf/(x·S·pf + Pcore + x²·Pcu,fl)
Maximaal rendement
x = √(Pcore/Pcu,fl)

Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor

Werkelijk vermogen
P = V·I·cos φ
Blindvermogen
Q = V·I·sin φ
Schijnbaar vermogen
S = V·I = √(P² + Q²)
Arbeidsfactor
pf = cos φ = P/S
Compensatiecondensator
QC = P(tan φ1 − tan φ2), C = QC/(ωV²)

Wisselstroomimpedantie en fasoren

Impedanties
ZR = R, ZL = jωL, ZC = 1/(jωC)
Hoekfrequentie
ω = 2πf
Modulus en hoek
|Z| = √(R² + X²), φ = atan(X/R)
Wet van Ohm met fasoren
V = I·Z

Methode

  1. Reken de frequentie om: ω = 2πf.
  2. Bereken elke reactantie: XL = ωL en XC = 1/(ωC).
  3. Tel impedanties op zoals weerstanden, met Z = R + jX.
  4. Bereken de grootte |Z| = √(R² + X²) en de hoek φ = atan(X/R), en gebruik daarna de wet van Ohm met fasoren.

Gelijkstroommotoren

Ankerketen
V = E + IaRa
Tegen-EMK en koppel
E = k·ω, T = k·Ia
Snelheid
ω = 2π·n/60, ω = (V − IaRa)/k
Onbelast toerental en blokkeerkoppel
ω0 = V/k, Tstall = k·V/Ra
Vermogens
Pin = V·Ia, Pdev = E·Ia = T·ω, Pout = Pdev − Prot
Starten
Istart = V/(Ra + Rst)
Toerentalregeling
SR = (n0 − nFL)/nFL
Maximaal ontwikkeld vermogen
Pmax = V²/(4Ra)
Chopperaandrijving
Va = D·Vdc

Methode

  1. Teken de ankerketen: voeding V, weerstand Ra en de tegen-EMK E in serie.
  2. Gebruik V = E + Ia·Ra om spanning, stroom en tegen-EMK te verbinden.
  3. Gebruik E = k·ω voor het toerental en T = k·Ia voor het koppel, met ω = 2π·n/60.
  4. Begin voor vermogen en rendement bij V·Ia, trek het koperverlies Ia²·Ra af en daarna de rotatieverliezen.

2Oefenopgaven

1.DraaistroomvermogenGemiddeld
ABCVL​ = 480 VIL​ = ?M7,5 kW, η = 92%cos φ = 0,9

Een driefasige inductiemotor levert bij vollast 7,5 kW mechanisch vermogen. Bij deze belasting is het rendement 92% en de arbeidsfactor 0,9 inductief. Het net heeft een lijnspanning van 480 V. Vind de lijnstroom IL.

Pout = 7,5 kWη = 92%cos φ = 0,9VL = 480 V
IL = A
2.DraaistroomvermogenMoeilijk
P = 80 kWφ1​S1​Q2​QC​

Een symmetrische driefasige belasting neemt 80 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,78 uit een net van 415 V (lijnspanning), 50 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,92 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in ster geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.

P = 80 kWpf1 = 0,78pf2 = 0,92VL = 415 Vf = 50 Hz
Cph = µF
3.TransformatorenGemiddeld
RL​ = 12 Ω41480 VV2​I1​ = ?I2​

Op de primaire wikkeling van een ideale transformator met wikkelverhouding N₁:N₂ = 4:1 staat 480 V. Over de secundaire wikkeling is een weerstand van 12 Ω aangesloten. Vind de primaire stroom I1.

N1:N2 = 4:1V1 = 480 VRL = 12 Ω
I1 = A
4.TransformatorenMoeilijk
pf 0,9150 kVA, η = 98,2%

Een eenfasetransformator van 150 kVA heeft een ijzerverlies van 1200 W. Bij nominale belasting en een inductieve arbeidsfactor van 0,9 is het rendement 98,2%. Vind het koperverlies bij vollast Pcu,fl in watt.

S = 150 kVAPcore = 1200 Wpf = 0,9η = 98,2%
Pcu,fl = W
5.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorGemiddeld
230 V126 kW, 0,724 kW, 1I

Twee belastingen zijn parallel aangesloten op een eenfasige voeding van 230 V: een belasting van 26 kW met een inductieve arbeidsfactor van 0,7 en een verwarmingselement van 4 kW (arbeidsfactor 1). Vind de totale arbeidsfactor cos φ die de voeding ziet.

V = 230 VP1 = 26 kW, pf1 = 0,7 inductiefP2 = 4 kW, pf2 = 1
cos φ =
6.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactorMoeilijk
P = 20 kWQ1​S1​φ1​QC​

Een eenfasige belasting neemt 20 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,6 uit een voeding van 230 V, 50 Hz. Een parallel geschakelde condensator verhoogt de arbeidsfactor tot 0,9. Vind de benodigde capaciteit C.

P = 20 kWpf1 = 0,6pf2 = 0,9V = 230 Vf = 50 Hz
C = µF
7.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
50 V50 HzR = 100 ΩC = 10 µFI

Een weerstand en een condensator zijn parallel aangesloten op een voeding van 50 V (rms), 50 Hz. Vind de grootte van de impedantie |Z|.

V = 50 V (rms)f = 50 HzR = 100 ΩC = 10 µF
|Z| = Ω
8.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
VfR = 1 ΩL = 1 mHC = 10 µF

Een serie-RLC-schakeling heeft R = 1 Ω, L = 1 mH en C = 10 µF. Vind de kwaliteitsfactor Q bij resonantie.

R = 1 ΩL = 1 mHC = 10 µF
Q =
9.GelijkstroommotorenGemiddeld
T (N·m)n (rpm)n0​ = ?

Een gelijkstroommotor met k = 1,5 V·s/rad draait op 240 V. Bepaal zijn onbelaste toerental n0 in rpm, als je alle verliezen bij nullast verwaarloost.

V = 240 Vk = 1,5 V·s/rad
n0 = rpm
10.GelijkstroommotorenMoeilijk
+−110 VRst​ = ?Ra​ = 1 Ω50 AM+−E = 0n = 0T

Een gelijkstroommotor van 110 V heeft een ankerweerstand van 1 Ω. Bepaal de serie-aanloopweerstand Rst die de aanloopstroom beperkt tot 50 A.

V = 110 VRa = 1 ΩImax = 50 A
Rst = Ω

3Oplossingen

1.Draaistroomvermogen

Antwoord: IL = 10,9 A

Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.

Opgenomen elektrisch vermogen

Pin = Pout/η = 7,5/0,92 = 8,152 kW

Lijnstroom

IL = Pin/(√3·VL·cos φ) = 8152/(√3·480·0,9) = 10,9 A

Antwoord

IL = 10,9 A
2.Draaistroomvermogen

Antwoord: Cph = 556,4 µF

Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.

Blindvermogen voor en na

Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.

Q1 = 80·tan(acos 0,78) = 80·0,8023 = 64,18 kvar
Q2 = 80·tan(acos 0,92) = 80·0,426 = 34,08 kvar

Blindvermogen van de condensatoren

QC = Q1 − Q2 = 30,1 kvar

Capaciteit per fase

In een sterbank is elke condensator aangesloten tussen een lijn en het sterpunt.

V = 415/√3 = 239,6 V, ω = 2π·50 = 314,2 rad/s
Cph = (QC/3)/(ω·V²) = 10034/(314,2·239,6²) = 556,4 µF

Antwoord

Cph = 556,4 µF
3.Transformatoren

Antwoord: I1 = 2,5 A

Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.

Secundaire spanning en stroom

V2 = 480/4 = 120 V
I2 = 120/12 = 10 A

Primaire stroom

Een ideale transformator heeft geen verliezen: V₁·I₁ = V₂·I₂.

I1 = I2/4 = 2,5 A

Antwoord

I1 = 2,5 A

Controle: de belasting gezien vanaf de primaire kant is a²·RL = 192 Ω, en 480/192 geeft dezelfde stroom.

4.Transformatoren

Antwoord: Pcu,fl = 1275 W

Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.

Afgegeven en opgenomen vermogen

Pout = 150·0,9 = 135 kW
Pin = 135000/0,982 = 137475 W

Totale verliezen en koperverlies

Ploss = 137475 − 135000 = 2475 W
Pcu,fl = 2475 − 1200 = 1275 W

Antwoord

Pcu,fl = 1275 W
5.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor

Antwoord: cos φ = 0,7492

Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.

Blindvermogen van elke belasting

Een inductieve belasting neemt blindvermogen op (Q > 0); een capacitieve belasting levert het (Q < 0).

Q1 = 26·tan(arccos 0,7) = 26,53 kvar
Q2 = 0 = 0 kvar

Totalen

P = 26 + 4 = 30 kW
Q = 26,53 + 0 = 26,53 kvar
S = √(30² + 26,53²) = 40,04 kVA

Totale arbeidsfactor

cos φ = P/S = 30/40,04 = 0,7492 inductief

Antwoord

cos φ = 0,7492
6.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor

Antwoord: C = 1022 µF

Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.

Blindvermogen voor en na

Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.

Q1 = P·tan φ1 = 20·tan(53,13°) = 26,67 kvar
Q2 = P·tan φ2 = 20·tan(25,84°) = 9,686 kvar
QC = Q1 − Q2 = 16,98 kvar

Capaciteit

Een condensator over de voeding levert Q = V²·ωC.

C = QC/(2πf·V²) = 16980/(2π·50·230²) = 1022 µF

Antwoord

C = 1022 µF
7.Wisselstroomimpedantie en fasoren

Antwoord: |Z| = 95,4 Ω

Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.

Reactantie

XC = 1/(ωC) = 1/(2π·50·10·10⁻⁶) = 318,3 Ω

Takstromen

Beide takken zijn rechtstreeks op de voeding aangesloten, dus elke tak krijgt de volle spanning V.

IR = V/R = 50/100 = 0,5 A
IX = V/XC = 50/318,3 = 0,1571 A

Totale stroom

De stroom door de weerstand is in fase met V en de reactieve stroom is 90° uit fase, dus ze tellen op als de zijden van een rechthoekige driehoek.

I = √(IR² + IX²) = √(0,5² + 0,1571²) = 0,5241 A

Impedantie

|Z| = V/I = 50/0,5241 = 95,4 Ω

Antwoord

|Z| = 95,4 Ω
8.Wisselstroomimpedantie en fasoren

Antwoord: Q = 10

Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.

Resonantiefrequentie

f0 = 1/(2π·√(0,001·10·10⁻⁶)) = 1592 Hz

Kwaliteitsfactor

Q vergelijkt de reactantie bij resonantie met de weerstand: Q = ω₀L/R.

Q = (1/R)·√(L/C) = (1/1)·√(0,001/(10·10⁻⁶)) = 10

Antwoord

Q = 10
9.Gelijkstroommotoren

Antwoord: n0 = 1528 rpm

Gelijkstroommotor: het anker is een weerstand Ra in serie met de tegen-EMK E, dus V = E + Ia·Ra. De tegen-EMK groeit met het toerental, E = k·ω, en het koppel met de stroom, T = k·Ia, met dezelfde motorconstante k (V·s/rad = N·m/A) in SI-eenheden. Reken toerentallen om met ω = 2π·n/60. Het ontwikkelde vermogen is E·Ia = T·ω; het ingangsvermogen is V·Ia, en het koperverlies Ia²Ra en het rotatieverlies vormen het verschil. Het toerental daalt lineair met het koppel, ω = V/k − Ra·T/k², van het onbelaste toerental V/k tot nul bij het blokkeerkoppel k·V/Ra. In stilstand is E = 0, dus de aanloopstroom V/Ra is groot, tenzij een weerstand hem beperkt.

Onbelast toerental

ω₀ = V/k = 240/1,5 = 160 rad/s
n0 = 60·160/(2π) = 1528 rpm

Antwoord

n0 = 1528 rpm
10.Gelijkstroommotoren

Antwoord: Rst = 1,2 Ω

Gelijkstroommotor: het anker is een weerstand Ra in serie met de tegen-EMK E, dus V = E + Ia·Ra. De tegen-EMK groeit met het toerental, E = k·ω, en het koppel met de stroom, T = k·Ia, met dezelfde motorconstante k (V·s/rad = N·m/A) in SI-eenheden. Reken toerentallen om met ω = 2π·n/60. Het ontwikkelde vermogen is E·Ia = T·ω; het ingangsvermogen is V·Ia, en het koperverlies Ia²Ra en het rotatieverlies vormen het verschil. Het toerental daalt lineair met het koppel, ω = V/k − Ra·T/k², van het onbelaste toerental V/k tot nul bij het blokkeerkoppel k·V/Ra. In stilstand is E = 0, dus de aanloopstroom V/Ra is groot, tenzij een weerstand hem beperkt.

Totale weerstand

Ra + Rst = 110/50 = 2,2 Ω

Aanloopweerstand

Rst = 2,2 − 1 = 1,2 Ω

Antwoord

Rst = 1,2 Ω

De weerstand wordt stap voor stap uitgeschakeld naarmate de motor sneller draait en de tegen-EMK groeit.

ExamProblems · examproblems.com/courses/power-systems