Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.
1Formules en methoden
Draaistroomvermogen
Sterschakeling (Y)
VL = √3·Vph, IL = Iph
Driehoekschakeling (Δ)
VL = Vph, IL = √3·Iph
Totaal werkelijk vermogen
P = √3·VL·IL·cos φ = 3·Iph²·R
Schijnbaar vermogen en blindvermogen
S = √3·VL·IL, Q = P·tan φ
Compensatiecondensatoren
QC = P(tan φ1 − tan φ2), C = QC/(3ωV²)
Spanning over elke condensator
Δ: VL Y: VL/√3
Opgenomen motorvermogen
Pin = Pout/η
Transformatoren
Wikkelverhouding
a = N1/N2 = V1/V2
Stroomverhouding
I1/I2 = N2/N1 = 1/a
Nominale stroom
I = S/V
Overgebrachte impedantie
Z1′ = a²·ZL
Koperverlies bij deellast
Pcu = x²·Pcu,fl
Rendement
η = x·S·pf/(x·S·pf + Pcore + x²·Pcu,fl)
Maximaal rendement
x = √(Pcore/Pcu,fl)
Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Werkelijk vermogen
P = V·I·cos φ
Blindvermogen
Q = V·I·sin φ
Schijnbaar vermogen
S = V·I = √(P² + Q²)
Arbeidsfactor
pf = cos φ = P/S
Compensatiecondensator
QC = P(tan φ1 − tan φ2), C = QC/(ωV²)
Wisselstroomimpedantie en fasoren
Impedanties
ZR = R, ZL = jωL, ZC = 1/(jωC)
Hoekfrequentie
ω = 2πf
Modulus en hoek
|Z| = √(R² + X²), φ = atan(X/R)
Wet van Ohm met fasoren
V = I·Z
Methode
Reken de frequentie om: ω = 2πf.
Bereken elke reactantie: XL = ωL en XC = 1/(ωC).
Tel impedanties op zoals weerstanden, met Z = R + jX.
Bereken de grootte |Z| = √(R² + X²) en de hoek φ = atan(X/R), en gebruik daarna de wet van Ohm met fasoren.
Gelijkstroommotoren
Ankerketen
V = E + IaRa
Tegen-EMK en koppel
E = k·ω, T = k·Ia
Snelheid
ω = 2π·n/60, ω = (V − IaRa)/k
Onbelast toerental en blokkeerkoppel
ω0 = V/k, Tstall = k·V/Ra
Vermogens
Pin = V·Ia, Pdev = E·Ia = T·ω, Pout = Pdev − Prot
Starten
Istart = V/(Ra + Rst)
Toerentalregeling
SR = (n0 − nFL)/nFL
Maximaal ontwikkeld vermogen
Pmax = V²/(4Ra)
Chopperaandrijving
Va = D·Vdc
Methode
Teken de ankerketen: voeding V, weerstand Ra en de tegen-EMK E in serie.
Gebruik V = E + Ia·Ra om spanning, stroom en tegen-EMK te verbinden.
Gebruik E = k·ω voor het toerental en T = k·Ia voor het koppel, met ω = 2π·n/60.
Begin voor vermogen en rendement bij V·Ia, trek het koperverlies Ia²·Ra af en daarna de rotatieverliezen.
2Oefenopgaven
1.DraaistroomvermogenGemiddeld
Een driefasige inductiemotor levert bij vollast 22 kW mechanisch vermogen. Bij deze belasting is het rendement 94% en de arbeidsfactor 0,85 inductief. Het net heeft een lijnspanning van 480 V. Vind de lijnstroom IL.
Pout = 22 kWη = 94%cos φ = 0,85VL = 480 V
IL = A
2.DraaistroomvermogenMoeilijk
Een symmetrische driefasige belasting neemt 200 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,78 uit een net van 690 V (lijnspanning), 60 Hz. Een driefasige condensatorbank parallel aan de belasting moet de totale arbeidsfactor verhogen tot 0,98 inductief. Het werkelijk vermogen blijft gelijk. De condensatoren zijn in ster geschakeld. Vind de capaciteit Cph van elke condensator in µF.
P = 200 kWpf1 = 0,78pf2 = 0,98VL = 690 Vf = 60 Hz
Cph = µF
3.TransformatorenGemiddeld
Een eenfasetransformator van 150 kVA, 7200/240 V werkt bij nominale belasting. Beschouw hem als ideaal. Vind de stroom ILV in de laagspanningswikkeling.
S = 150 kVAV1 = 7200 VV2 = 240 V
ILV = A
4.TransformatorenMoeilijk
Een eenfasetransformator van 250 kVA heeft een ijzerverlies van 750 W en een koperverlies van 2250 W bij nominale belasting. Hij levert 75% van zijn nominale kVA bij een inductieve arbeidsfactor van 0,9. Vind de totale verliezen Ploss in watt bij deze belasting.
Twee belastingen zijn parallel aangesloten op een eenfasige voeding van 240 V: een belasting van 24 kW met een inductieve arbeidsfactor van 0,85 en een verwarmingselement van 13 kW (arbeidsfactor 1). Vind de totale stroom I die uit de voeding wordt opgenomen.
Een eenfasige belasting neemt 20 kW op bij een inductieve arbeidsfactor van 0,8 uit een voeding van 240 V, 60 Hz. Een parallel geschakelde condensator verhoogt de arbeidsfactor tot 0,98. Vind de benodigde capaciteit C.
P = 20 kWpf1 = 0,8pf2 = 0,98V = 240 Vf = 60 Hz
C = µF
7.Wisselstroomimpedantie en fasorenGemiddeld
Een serie-RLC-schakeling is aangesloten op een voeding van 120 V (rms), 200 Hz. Vind het werkelijk vermogen P dat uit de voeding wordt opgenomen.
V = 120 V (rms)f = 200 HzR = 25 ΩL = 150 mHC = 10 µF
P = W
8.Wisselstroomimpedantie en fasorenMoeilijk
Een serie-RLC-schakeling wordt gevoed door een bron van 24 V (rms) waarvan de frequentie is ingesteld op de resonantiefrequentie van de schakeling. Vind de effectieve spanning VL over de spoel.
V = 24 V (rms)R = 15 ΩL = 10 mHC = 0,47 µF
VL = V
9.GelijkstroommotorenGemiddeld
Een gelijkstroommotor met k = 0,8 N·m/A en Ra = 1,5 Ω is aangesloten op 240 V. Bepaal zijn blokkeerkoppel Tstall, het koppel bij toerental nul.
V = 240 Vk = 0,8 N·m/ARa = 1,5 Ω
Tstall = N·m
10.GelijkstroommotorenMoeilijk
Een separaat bekrachtigde gelijkstroommotor op 24 V (Ra = 0,4 Ω) draait met 1800 rpm bij een ankerstroom van 6 A. De belasting verandert en de stroom wordt 9 A, terwijl het veld gelijk blijft. Bepaal het nieuwe toerental n2.
V = 24 VRa = 0,4 Ωn1 = 1800 rpmIa1 = 6 AIa2 = 9 A
n2 = rpm
3Oplossingen
1.Draaistroomvermogen
Antwoord: IL = 33,12 A
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ.
Opgenomen elektrisch vermogen
Pin = Pout/η = 22/0,94 = 23,4 kW
Lijnstroom
IL = Pin/(√3·VL·cos φ) = 23404/(√3·480·0,85) = 33,12 A
Antwoord
IL = 33,12 A
2.Draaistroomvermogen
Antwoord: Cph = 667,7 µF
Symmetrische draaistroomsystemen: in een Y-schakeling (ster) is de lijnspanning √3 keer de fasespanning, VL = √3·Vph, en is de lijnstroom gelijk aan de fasestroom. In een Δ-schakeling (driehoek) is de lijnspanning gelijk aan de fasespanning en is de lijnstroom √3 keer de fasestroom, IL = √3·Iph. Het totale vermogen is drie keer het vermogen van één fase: P = 3·Vph·Iph·cos φ = √3·VL·IL·cos φ. Arbeidsfactorcompensatie: condensatoren leveren blindvermogen ter plaatse, QC = P·(tan φ1 − tan φ2). Elk van de drie condensatoren levert QC/3 = V²·ω·C, waarbij V de spanning over die condensator is: VL in een driehoeksbank, VL/√3 in een sterbank.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen verandert niet, dus elke arbeidsfactor legt het blindvermogen vast: Q = P·tan φ.
Q1 = 200·tan(acos 0,78) = 200·0,8023 = 160,5 kvar
Q2 = 200·tan(acos 0,98) = 200·0,2031 = 40,61 kvar
Blindvermogen van de condensatoren
QC = Q1 − Q2 = 119,8 kvar
Capaciteit per fase
In een sterbank is elke condensator aangesloten tussen een lijn en het sterpunt.
Ideale transformator: de spanningen verhouden zich als de windingaantallen en de stromen omgekeerd: V₁/V₂ = N₁/N₂ = a en I₁/I₂ = N₂/N₁ = 1/a, dus het opgenomen vermogen is gelijk aan het afgegeven vermogen, V₁·I₁ = V₂·I₂. Een belastingsimpedantie Z aan de secundaire kant lijkt vanaf de primaire kant a²·Z.
Nominale stroom
Beide wikkelingen voeren hetzelfde schijnbaar vermogen.
ILV = S/V = 150000/240 = 625 A
Antwoord
ILV = 625 A
4.Transformatoren
Antwoord: Ploss = 2016 W
Transformatorverliezen: het ijzerverlies (hysterese en wervelstromen) hangt af van de spanning en is bij elke belasting gelijk. Het koperverlies in de wikkelingen gaat met het kwadraat van de stroom, dus bij een fractie x van de nominale belasting is het x²·Pcu,fl. Rendement η = Pout/(Pout + Pcore + Pcu), met Pout = x·S·pf. Het rendement is het hoogst bij de belasting waarbij het koperverlies gelijk is aan het ijzerverlies.
Koperverlies bij deze belasting
Pcu = x²·Pcu,fl = 0,5625·2250 = 1266 W
Totale verliezen
Het ijzerverlies is bij elke belasting gelijk.
Ploss = 750 + 1266 = 2016 W
Antwoord
Ploss = 2016 W
Het rendement bij deze belasting is η = 98,82%.
5.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: I = 166,2 A
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen van elke belasting
Een inductieve belasting neemt blindvermogen op (Q > 0); een capacitieve belasting levert het (Q < 0).
Q1 = 24·tan(arccos 0,85) = 14,87 kvar
Q2 = 0 = 0 kvar
Totalen
P = 24 + 13 = 37 kW
Q = 14,87 + 0 = 14,87 kvar
S = √(37² + 14,87²) = 39,88 kVA
Totale stroom
I = S/V = 39878/240 = 166,2 A
Antwoord
I = 166,2 A
6.Wisselstroomvermogen en arbeidsfactor
Antwoord: C = 503,8 µF
Wisselstroomvermogen: het schijnbaar vermogen S = V·I (VA) splitst zich in werkelijk vermogen P = S·cos φ (W), dat nuttig werk doet, en blindvermogen Q = S·sin φ (var), dat heen en weer gaat tussen bron en belasting. De arbeidsfactor is cos φ. Een condensator parallel levert blindvermogen ter plaatse, dus de lijnstroom daalt bij hetzelfde werkelijk vermogen.
Blindvermogen voor en na
Het werkelijk vermogen P verandert niet; alleen het blindvermogen uit het net verandert.
Q1 = P·tan φ1 = 20·tan(36,87°) = 15 kvar
Q2 = P·tan φ2 = 20·tan(11,48°) = 4,061 kvar
QC = Q1 − Q2 = 10,94 kvar
Capaciteit
Een condensator over de voeding levert Q = V²·ωC.
C = QC/(2πf·V²) = 10939/(2π·60·240²) = 503,8 µF
Antwoord
C = 503,8 µF
7.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: P = 28,83 W
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Reactanties
XL = 188,5 Ω, XC = 79,58 Ω
Impedantie
|Z| = √(25² + (108,9)²) = 111,8 Ω
Werkelijk vermogen
Spoelen en condensatoren slaan alleen energie op en geven die terug; de weerstand neemt al het werkelijk vermogen op.
I = 120/111,8 = 1,074 A
P = I²·R = 1,074²·25 = 28,83 W
Antwoord
P = 28,83 W
8.Wisselstroomimpedantie en fasoren
Antwoord: VL = 233,4 V
Wisselstroom met fasoren: weerstanden, spoelen en condensatoren hebben impedanties R, jωL en 1/(jωC), met ω = 2πf. In serie tellen impedanties op zoals weerstanden, maar dan als complexe getallen. Effectieve stroom en spanning volgen de wet van Ohm met |Z|.
Resonantie
Bij resonantie heffen de reactanties elkaar op, dus de impedantie is gewoon R.
ω₀ = 1/√(LC) = 1/√(0,01·0,47·10⁻⁶) = 14586 rad/s
I = V/R = 24/15 = 1,6 A
Spanning over de spoel
XL = ω₀L = 14586·0,01 = 145,9 Ω
VL = I·XL = 1,6·145,9 = 233,4 V
Antwoord
VL = 233,4 V
Dit is Q = 9,724 keer de voedingsspanning.
9.Gelijkstroommotoren
Antwoord: Tstall = 128 N·m
Gelijkstroommotor: het anker is een weerstand Ra in serie met de tegen-EMK E, dus V = E + Ia·Ra. De tegen-EMK groeit met het toerental, E = k·ω, en het koppel met de stroom, T = k·Ia, met dezelfde motorconstante k (V·s/rad = N·m/A) in SI-eenheden. Reken toerentallen om met ω = 2π·n/60. Het ontwikkelde vermogen is E·Ia = T·ω; het ingangsvermogen is V·Ia, en het koperverlies Ia²Ra en het rotatieverlies vormen het verschil. Het toerental daalt lineair met het koppel, ω = V/k − Ra·T/k², van het onbelaste toerental V/k tot nul bij het blokkeerkoppel k·V/Ra. In stilstand is E = 0, dus de aanloopstroom V/Ra is groot, tenzij een weerstand hem beperkt.
Blokkeerstroom
Ia = V/Ra = 240/1,5 = 160 A
Blokkeerkoppel
Tstall = 0,8·160 = 128 N·m
Antwoord
Tstall = 128 N·m
10.Gelijkstroommotoren
Antwoord: n2 = 1700 rpm
Gelijkstroommotor: het anker is een weerstand Ra in serie met de tegen-EMK E, dus V = E + Ia·Ra. De tegen-EMK groeit met het toerental, E = k·ω, en het koppel met de stroom, T = k·Ia, met dezelfde motorconstante k (V·s/rad = N·m/A) in SI-eenheden. Reken toerentallen om met ω = 2π·n/60. Het ontwikkelde vermogen is E·Ia = T·ω; het ingangsvermogen is V·Ia, en het koperverlies Ia²Ra en het rotatieverlies vormen het verschil. Het toerental daalt lineair met het koppel, ω = V/k − Ra·T/k², van het onbelaste toerental V/k tot nul bij het blokkeerkoppel k·V/Ra. In stilstand is E = 0, dus de aanloopstroom V/Ra is groot, tenzij een weerstand hem beperkt.