Signalen en systemen: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 8 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Convolutie en LTI-systemen

Discrete convolutie
y[n] = Σ x[k]·h[n − k]
Continue convolutie
y(t) = ∫ x(τ)·h(t − τ) dτ
Lengte en som
Ly = Lx + Lh − 1, Σy = Σx·Σh
Begin, einde en oppervlakte
t1 + t3 … t2 + t4, ∫y = ∫x·∫h
Stap in e^(−at)u(t)
y(t) = (A/a)(1 − e−at)
Eerste-ordesysteem
y′ + a·y = b·x → h(t) = b·e−atu(t)
Eerste-orde-recursie
y[n] = a·y[n − 1] + b·x[n] → h[n] = b·aⁿ
Sinusoïde door h(t)
|H(jω)|, ∠H(jω); H(jω) = b/(a + jω)
Amplitudes van de fourierreeks
blokgolf ±A: 4A/(kπ), oneven k; driehoek ±A: 8A/(π²k²), oneven k; pulstrein: A·D en (2A/(kπ))|sin kπD|

Methode

  1. Schets beide signalen en noteer waar elk ervan niet nul is.
  2. Spiegel h en schuif hem: zoek voor elk uitgangstijdstip het bereik waar beide signalen overlappen.
  3. Vermenigvuldig en tel op (discreet) of vermenigvuldig en integreer (continu) over alleen die overlap.
  4. Controleer het resultaat: de uitgang begint bij de som van de starttijden, eindigt bij de som van de eindtijden, en zijn oppervlakte of som is het product van de oppervlakten of sommen van de ingangen.

2Oefenopgaven

1.Convolutie en LTI-systemenGemiddeld
x(t)t25h(t)t−11

Het signaal x(t) is alleen niet nul tussen t = 2 s en t = 5 s, en h(t) alleen tussen t = −1 s en t = 1 s. Bepaal het tijdstip tend waarop y(t) = x(t) ∗ h(t) eindigt.

x: 2 … 5 sh: −1 … 1 s
tend = s
2.Convolutie en LTI-systemenMoeilijk
5cos(1,5t)h(t) = 5e−2t​u(t)y(t)

De ingang x(t) = 5·cos(1,5t) wordt aangelegd op een systeem met h(t) = 5·e−2tu(t). Bepaal de amplitude Ym van de stationaire uitgang.

h(t) = 5e−2tu(t)x(t) = 5cos(1,5t)
Ym =
3.LaplacetransformatiesGemiddeld
t (s)f(t)t = 0,2f(0,2) = ?

Bepaal f(t) voor F(s) = (2s + 21)/(s² + 10s + 25) en bereken f(0,2).

F(s) = (2s + 21)/(s² + 10s + 25)t = 0,2 s
f(0.2) =
4.LaplacetransformatiesMoeilijk
t (s)y(t)t = 0,6y(0,6) = ?

Los y″ + 7y′ + 6y = 0 op met y(0) = 9 en y′(0) = −4 met de Laplacetransformatie, en bepaal y(0,6).

y″ + 7y′ + 6y = 0y(0) = 9y′(0) = −4t = 0,6 s
y(0.6) =
5.StapresponsieGemiddeld
t (s)y(t)2tp​ = ?

Een systeem heeft de overdrachtsfunctie G(s) = 166/(s² + 6s + 83) en krijgt een eenheidsstap als ingang. Bepaal de piektijd tp van de stapresponsie.

G(s) = 166/(s² + 6s + 83)
tp = s
6.StapresponsieMoeilijk
+−12 VR = 39 ΩL = 20 mHC = 4,7 µFvC​

Een serie-RLC-schakeling met R = 39 Ω, L = 20 mH en C = 4,7 µF wordt op t = 0 aangesloten op een stap van 12 V. De condensator is ongeladen en er loopt voor de stap geen stroom. Bepaal de ongedempte eigenfrequentie ωn in rad/s.

R = 39 ΩL = 20 mHC = 4,7 µFV = 12 V
ωn = rad/s
7.Bodediagrammen en margesGemiddeld
|H| (dB)0,11101001000−80−60−40−20020ω (rad/s)ω = 15

Bepaal de exacte grootte |G(jω)| van G(s) = 144/((s + 3)(s + 8)) bij ω = 15 rad/s, in dB.

G(s) = 144/((s + 3)(s + 8))ω = 15 rad/s
|G(jω)| = dB
8.Bodediagrammen en margesMoeilijk
|H| (dB)0,10,1111010100100−40−200204060ω (rad/s)φ (°)ω (rad/s)−180−135−90−450ωc​

Een lus met eenheidsterugkoppeling heeft de open-lus-overdrachtsfunctie L(s) = 116/(s(s + 8)). Bepaal de fasemarge PM in graden.

L(s) = 116/(s(s + 8))
PM = °

3Oplossingen

1.Convolutie en LTI-systemen

Antwoord: tend = 6 s

Continue convolutie: y(t) = ∫ x(τ)·h(t − τ) dτ. Spiegel h, schuif hem naar positie t en integreer het product van de overlappende delen. Voor causale signalen loopt de integraal van 0 tot t. Handige resultaten: de oppervlakte van y is de oppervlakte van x maal die van h; als x duurt van t₁ tot t₂ en h van t₃ tot t₄, dan duurt y van t₁ + t₃ tot t₂ + t₄. Voor h(t) = e−atu(t) en een stap met hoogte A is y(t) = (A/a)(1 − e−at).

Begin en einde

tstart = 2 + (−1) = 1 s
tend = 5 + 1 = 6 s

Antwoord

tend = 6 s

Antwoord

tend = 6 s
2.Convolutie en LTI-systemen

Antwoord: Ym = 10

Impulsresponsie en fourierreeks: de impulsresponsie h(t) beschrijft een LTI-systeem volledig: voor y′ + a·y = b·x is die h(t) = b·e−atu(t), en voor y[n] = a·y[n − 1] + b·x[n] is die h[n] = b·aⁿu[n]. Een sinusoïde cos ωt gaat erdoorheen met versterking |H(jω)| en fase ∠H(jω), waarbij H de fouriertransformatie van h is. Een periodiek signaal is een som van harmonischen bij k/T: een blokgolf van ±A heeft alleen oneven harmonischen met amplitudes 4A/(kπ), een driehoeksgolf met piek A heeft 8A/(π²k²), en een pulstrein met hoogte A en duty cycle D heeft het gemiddelde A·D en de harmonischen (2A/(kπ))·|sin(kπD)|.

Frequentierespons

H(jω) = 5/(2 + jω)

Versterking bij de ingangsfrequentie

|H(j1,5)| = 5/√(2² + 1,5²) = 2
Ym = 5·2 = 10

Antwoord

Ym = 10
3.Laplacetransformaties

Antwoord: f(0.2) = 1,545

Laplacetransformatie: F(s) = ∫₀∞ f(t)·e−st dt maakt van afgeleiden vermenigvuldigingen met s: ℒ{f′} = sF(s) − f(0), ℒ{f″} = s²F(s) − s·f(0) − f′(0). Standaardparen: 1 ↔ 1/s, e−at ↔ 1/(s + a), t·e−at ↔ 1/(s + a)², sin ωt ↔ ω/(s² + ω²), cos ωt ↔ s/(s² + ω²), en een verschuiving s → s + σ vermenigvuldigt de tijdfunctie met e−σt. Om een rationale F(s) terug te transformeren, splits je haar in partieelbreuken: het residu van een enkelvoudige pool p is A = [(s − p)·F(s)] bij s = p. Eindwaardestelling: f(∞) = lims→0 s·F(s), alleen geldig als alle polen van s·F(s) in het linkerhalfvlak liggen. Beginwaardestelling: f(0⁺) = lims→∞ s·F(s).

Ontbind de noemer

s² + 10s + 25 = (s + 5)²

Partieelbreuken

2s + 21 = 2(s + 5) + 11
F(s) = 2/(s + 5) + 11/(s + 5)²

Inverse transformatie

f(t) = 2·e−5t + 11·t·e−5t
f(0,2) = (2 + 11·0,2)·e−5·0,2 = 1,545

Antwoord

f(0,2) = 1,545
4.Laplacetransformaties

Antwoord: y(0.6) = 5,461

Laplacetransformatie: F(s) = ∫₀∞ f(t)·e−st dt maakt van afgeleiden vermenigvuldigingen met s: ℒ{f′} = sF(s) − f(0), ℒ{f″} = s²F(s) − s·f(0) − f′(0). Standaardparen: 1 ↔ 1/s, e−at ↔ 1/(s + a), t·e−at ↔ 1/(s + a)², sin ωt ↔ ω/(s² + ω²), cos ωt ↔ s/(s² + ω²), en een verschuiving s → s + σ vermenigvuldigt de tijdfunctie met e−σt. Om een rationale F(s) terug te transformeren, splits je haar in partieelbreuken: het residu van een enkelvoudige pool p is A = [(s − p)·F(s)] bij s = p. Eindwaardestelling: f(∞) = lims→0 s·F(s), alleen geldig als alle polen van s·F(s) in het linkerhalfvlak liggen. Beginwaardestelling: f(0⁺) = lims→∞ s·F(s).

Transformeer de vergelijking

s²Y − 9s − (−4) + 7(sY − 9) + 6Y = 0
Y(s) = (9s + 59)/((s + 1)(s + 6))

Partieelbreuken

A = 50/5 = 10
B = 5/(−5) = −1

Resultaat

y(t) = 10·e−t − e−6t
y(0,6) = 5,461

Antwoord

y(0,6) = 5,461

Controle: y(0) = A + B = 9.

5.Stapresponsie

Antwoord: tp = 0,3652 s

Stapresponsie: een eerste-ordesysteem G(s) = K/(τs + 1) beantwoordt een stap van grootte U met y(t) = K·U·(1 − e−t/τ): het bereikt 63,2 % van de eindwaarde K·U na één tijdconstante τ en 98 % na 4τ. Een tweede-ordesysteem G(s) = K·ωₙ²/(s² + 2ζωₙs + ωₙ²) heeft de polen s = −ζωₙ ± jωd met ωd = ωₙ√(1 − ζ²). Voor 0 < ζ < 1 schiet de stapresponsie door: procentuele overshoot %OS = 100·e−ζπ/√(1−ζ²), piektijd tp = π/ωd, en de 2%-insteltijd ts ≈ 4/(ζωₙ). Vergelijk de noemer met s² + 2ζωₙs + ωₙ² om ωₙ en ζ af te lezen. Voor een massa-veer-demper is ωₙ = √(k/m) en ζ = c/(2√(km)); voor een serie-RLC-schakeling is ωₙ = 1/√(LC) en ζ = (R/2)·√(C/L).

Vergelijk met de standaardvorm

De noemer moet overeenkomen met s² + 2ζωₙs + ωₙ².

ωₙ² = 83 → ωₙ = 9,11 rad/s
2ζωₙ = 6 → ζ = 6/(2·9,11) = 0,3293

Resultaat

ωd = 9,11·√(1 − 0,3293²) = 8,602 rad/s → tp = π/ωd = 0,3652 s

Antwoord

tp = 0,3652 s
6.Stapresponsie

Antwoord: ωn = 3262 rad/s

Stapresponsie: een eerste-ordesysteem G(s) = K/(τs + 1) beantwoordt een stap van grootte U met y(t) = K·U·(1 − e−t/τ): het bereikt 63,2 % van de eindwaarde K·U na één tijdconstante τ en 98 % na 4τ. Een tweede-ordesysteem G(s) = K·ωₙ²/(s² + 2ζωₙs + ωₙ²) heeft de polen s = −ζωₙ ± jωd met ωd = ωₙ√(1 − ζ²). Voor 0 < ζ < 1 schiet de stapresponsie door: procentuele overshoot %OS = 100·e−ζπ/√(1−ζ²), piektijd tp = π/ωd, en de 2%-insteltijd ts ≈ 4/(ζωₙ). Vergelijk de noemer met s² + 2ζωₙs + ωₙ² om ωₙ en ζ af te lezen. Voor een massa-veer-demper is ωₙ = √(k/m) en ζ = c/(2√(km)); voor een serie-RLC-schakeling is ωₙ = 1/√(LC) en ζ = (R/2)·√(C/L).

Eigenfrequentie en dempingsfactor

ωₙ = 1/√(LC) = 1/√(0,02·4,7 × 10⁻⁶) = 3262 rad/s
ζ = (R/2)·√(C/L) = (39/2)·√(4,7 × 10⁻⁶/0,02) = 0,2989

Resultaat

ωₙ = 3262 rad/s

Antwoord

ωn = 3262 rad/s
7.Bodediagrammen en marges

Antwoord: |G(jω)| = −5,134 dB

Frequentierespons: substitueer s = jω in de overdrachtsfunctie. De grootte in decibel is 20·log₁₀|H(jω)| en de fase is de som van de hoeken van de tellerfactoren min die van de noemerfactoren. Een eerste-orde RC- of RL-filter heeft zijn kantelfrequentie (−3 dB) bij ωc = 1/(RC) of R/L, en fc = ωc/(2π); een laagdoorlaatfilter geeft |H| = 1/√(1 + (ω/ωc)²) en φ = −atan(ω/ωc). In het asymptotische (rechte-lijn-)Bodediagram buigt elke pool de grootte met 20 dB/decade omlaag bij zijn kantelfrequentie, buigt elk nulpunt haar met 20 dB/decade omhoog, en geeft een integrator 1/s −20 dB/decade bij alle frequenties. Versterkingsdoorsnijding ωc: |L(jω)| = 1 (0 dB); fasemarge PM = 180° + ∠L(jωc). Faseomslag ω180: ∠L(jω) = −180°; versterkingsmarge GM = −20·log₁₀|L(jω180)| dB. De gesloten lus is stabiel als beide marges positief zijn.

Vermenigvuldig de groottes

|G(j15)| = 144/(√(15² + 3²)·√(15² + 8²)) = 144/(15,3·17) = 0,5537

Resultaat

20·log₁₀(0,5537) = −5,134 dB

Antwoord

|G(jω)| = −5,134 dB
8.Bodediagrammen en marges

Antwoord: PM = 40,4 °

Frequentierespons: substitueer s = jω in de overdrachtsfunctie. De grootte in decibel is 20·log₁₀|H(jω)| en de fase is de som van de hoeken van de tellerfactoren min die van de noemerfactoren. Een eerste-orde RC- of RL-filter heeft zijn kantelfrequentie (−3 dB) bij ωc = 1/(RC) of R/L, en fc = ωc/(2π); een laagdoorlaatfilter geeft |H| = 1/√(1 + (ω/ωc)²) en φ = −atan(ω/ωc). In het asymptotische (rechte-lijn-)Bodediagram buigt elke pool de grootte met 20 dB/decade omlaag bij zijn kantelfrequentie, buigt elk nulpunt haar met 20 dB/decade omhoog, en geeft een integrator 1/s −20 dB/decade bij alle frequenties. Versterkingsdoorsnijding ωc: |L(jω)| = 1 (0 dB); fasemarge PM = 180° + ∠L(jωc). Faseomslag ω180: ∠L(jω) = −180°; versterkingsmarge GM = −20·log₁₀|L(jω180)| dB. De gesloten lus is stabiel als beide marges positief zijn.

Versterkingsdoorsnijding

ω⁴ + 64ω² − 13456 = 0
ω² = (−64 + √(4096 + 4·13456))/2 = 88,33
ωc = 9,399 rad/s

Fasemarge

∠L(jωc) = −90° − atan(9,399/8) = −139,6°
PM = 180° + ∠L = 40,4°

Antwoord

PM = 40,4°

ExamProblems · examproblems.com/courses/signals-and-systems