Een blauw led met een doorlaatspanning van 3,2 V werkt op een voeding van 9 V via een serieweerstand. Bepaal de weerstand R die de ledstroom op 10 mA instelt.
Werkblad Diodes en transistoren met antwoorden
Een geel led met een doorlaatspanning van 2,1 V werkt op een voeding van 9 V via een serieweerstand. Bepaal de weerstand R die de ledstroom op 10 mA instelt.
Een zenerstabilisator van 6,2 V wordt gevoed uit 18 V via 220 Ω en voedt een belasting van 2200 Ω. Bepaal de zenerstroom IZ.
Een NPN-transistor met β = 50 wordt ingesteld met een basisweerstand RB = 820 kΩ vanaf de voeding VCC = 10 V. De collectorweerstand is RC = 3,3 kΩ en de emitter ligt aan massa. Neem VBE = 0,7 V en neem aan dat de transistor in het actieve gebied werkt. Vind de collector-emitterspanning VCE.
Een NPN-transistor met β = 80 schakelt een belastingsweerstand van 150 Ω, aangesloten tussen VCC = 5 V en de collector. De emitter ligt aan massa. De basis wordt aangestuurd vanuit een logische uitgang van 3,3 V via een basisweerstand RB = 220 kΩ. Neem VBE = 0,7 V en VCE(sat) = 0,2 V. Vind de collectorstroom IC in mA als de ingang hoog is. Bepaal eerst of de transistor verzadigd is.
Een diode wordt gemodelleerd als 0,7 V in serie met 25 Ω (hij geleidt boven 0,7 V). Hij staat in serie met een weerstand van 1000 Ω over een voeding van 3 V. Bepaal de werkpuntstroom ID waar de diodelijn de belastinglijn snijdt.
Antwoordenblad
- 1. R = 580 Ω
- 2. R = 690 Ω
- 3. IZ = 50,82 mA
- 4. VCE = 8,129 V
- 5. IC = 0,9455 mA
- 6. ID = 2,244 mA
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.