Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). Een stad heeft 3500 inwoners. Aan het begin van een jaar hebben 103 van hen een chronische ziekte. In de loop van het jaar worden nog 50 mensen nieuw gediagnosticeerd (ga ervan uit dat niemand verhuist of overlijdt). Bepaal de cumulatieve incidentie CI over het jaar per 1000 mensen die risico lopen. Rond af op één decimaal.
Werkblad Statistiek voor evidence-based practice met antwoorden
Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). Een nieuwe test is in een studie vergeleken met de referentiestandaard (zie de 2 × 2-tabel). Bepaal specificiteit Sp als percentage. Rond af op één decimaal.
Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). Een patiënt-controleonderzoek vergelijkt 120 patiënten met een ziekte (cases) en 70 mensen zonder die ziekte (controles). De tabel toont hoeveel mensen in elke groep aan een risicofactor waren blootgesteld. Bepaal de odds ratio OR voor de blootstelling. Rond af op twee decimalen.
Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). In een cohort werden groepen mensen verschillend lang gevolgd (zie de tabel: aantal mensen en jaren follow-up per groep). Tijdens de follow-up traden 30 nieuwe gevallen op. Bepaal de incidentiedichtheid IR per 1000 persoonsjaren. Rond af op één decimaal.
Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). Zonder geneesmiddel krijgt 23% van de patiënten in een jaar een bepaalde bijwerking. Het geneesmiddel verhoogt dit risico met een relatief risico van RR = 1,76. Bepaal het number needed to harm NNH: hoeveel patiënten moeten een jaar lang het geneesmiddel gebruiken om één extra patiënt de bijwerking te laten krijgen? Rond naar boven af op een geheel aantal patiënten.
Oefenopgave (verzonnen waarden, geen klinisch advies). Een patiënt heeft een voortestkans van 20% op een ziekte. Een test met sensitiviteit 85% en specificiteit 63% geeft een negatief uitslag. Bepaal de natestkans p′ op de ziekte als percentage. Rond af op één decimaal.
Antwoordenblad
- 1. CI = 14,7 per 1000
- 2. Sp = 93 %
- 3. OR = 2,53
- 4. IR = 10,8 per 1000 persoonsjaren
- 5. NNH = 6
- 6. p′ = 5,6 %
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.