Een auto van 1400 kg die met 19 m/s rijdt, botst frontaal op een auto van 900 kg die met 6 m/s in tegengestelde richting rijdt. De auto's haken in elkaar. Bereken hun gemeenschappelijke snelheid v′ direct na de botsing (positief in de richting van de eerste auto).
Werkblad Impuls en botsingen met antwoorden
Een auto van 1500 kg die met 18 m/s rijdt, botst frontaal op een auto van 1300 kg die met 8 m/s in tegengestelde richting rijdt. De auto's haken in elkaar. Bereken hun gemeenschappelijke snelheid v′ direct na de botsing (positief in de richting van de eerste auto).
Een projectiel van 18 kg dat horizontaal met 34 m/s beweegt, explodeert in twee brokstukken die langs dezelfde lijn bewegen. Het brokstuk van 10 kg gaat met 47 m/s vooruit. Vind de snelheid v′2 van het brokstuk van 8 kg (positief in de oorspronkelijke richting).
Een projectiel van 7 kg dat horizontaal met 13 m/s beweegt, explodeert in twee brokstukken die langs dezelfde lijn bewegen. Het brokstuk van 4 kg gaat met 56 m/s vooruit. Vind de snelheid v′2 van het brokstuk van 3 kg (positief in de oorspronkelijke richting).
Een bal van 0,5 kg raakt een muur met 23 m/s en kaatst recht terug met 12 m/s. Het contact duurt 5 ms. Bereken de grootte van de stoot J die de muur aan de bal geeft.
Een bal van 0,3 kg raakt een muur met 15 m/s en kaatst recht terug met 17 m/s. Het contact duurt 40 ms. Bereken de grootte van de stoot J die de muur aan de bal geeft.
Antwoordenblad
- 1. v′ = 9,217 m/s
- 2. v′ = 5,929 m/s
- 3. v′2 = 17,75 m/s
- 4. v′2 = −44,33 m/s
- 5. J = 17,5 N·s
- 6. J = 9,6 N·s
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.