Een karretje van 4,5 kg dat met 9,5 m/s rijdt, botst op een stilstaand karretje van 3 kg. Na de botsing rijdt het eerste karretje in dezelfde richting door met 2 m/s. Vind de snelheid v′2 van het tweede karretje.
Werkblad Impuls en botsingen met antwoorden
Een karretje van 4 kg dat met 3 m/s rijdt, botst op een stilstaand karretje van 1,5 kg. Na de botsing rijdt het eerste karretje in dezelfde richting door met 1,5 m/s. Vind de snelheid v′2 van het tweede karretje.
Een projectiel van 8 kg dat horizontaal met 24 m/s beweegt, explodeert in twee brokstukken die langs dezelfde lijn bewegen. Het brokstuk van 6 kg gaat met 78 m/s vooruit. Vind de snelheid v′2 van het brokstuk van 2 kg (positief in de oorspronkelijke richting).
Een projectiel van 10 kg dat horizontaal met 10 m/s beweegt, explodeert in twee brokstukken die langs dezelfde lijn bewegen. Het brokstuk van 3 kg gaat met 28 m/s vooruit. Vind de snelheid v′2 van het brokstuk van 7 kg (positief in de oorspronkelijke richting).
Een auto van 1600 kg botst op een geparkeerde auto van 1100 kg. De wrakken haken in elkaar en slippen 20 m voordat ze stilstaan. De kinetische wrijvingscoëfficiënt tussen banden en weg is 0,5. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de snelheid v1 van de eerste auto vlak vóór de botsing.
Een bal van 0,2 kg raakt een muur met 29 m/s en kaatst recht terug met 11 m/s. Het contact duurt 20 ms. Bereken de grootte van de stoot J die de muur aan de bal geeft.
Antwoordenblad
- 1. v′2 = 11,25 m/s
- 2. v′2 = 4 m/s
- 3. v′2 = −138 m/s
- 4. v′2 = 2,286 m/s
- 5. v1 = 23,64 m/s
- 6. J = 8 N·s
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.