Een auto van 1800 kg die met 20 m/s rijdt, botst op een stilstaande auto van 700 kg. De auto's haken in elkaar. Bereken hun gemeenschappelijke snelheid v′ direct na de botsing (positief in de richting van de eerste auto).
Werkblad Impuls en botsingen met antwoorden
Een bal van 0,25 kg die stilligt, wordt weggetrapt. De voet duwt er 10 ms lang met een gemiddelde kracht van 450 N tegen. Vind de snelheid v van de bal direct na de trap.
Een projectiel van 17 kg dat horizontaal met 6 m/s beweegt, explodeert in twee brokstukken die langs dezelfde lijn bewegen. Het brokstuk van 1 kg gaat met 14 m/s vooruit. Vind de snelheid v′2 van het brokstuk van 16 kg (positief in de oorspronkelijke richting).
Een projectiel van 14 kg dat horizontaal met 5 m/s beweegt, explodeert in twee brokstukken die langs dezelfde lijn bewegen. Het brokstuk van 8 kg gaat met 45 m/s vooruit. Vind de snelheid v′2 van het brokstuk van 6 kg (positief in de oorspronkelijke richting).
Een kogel van 20 g wordt horizontaal afgevuurd in een blok van 1,5 kg dat aan lichte touwtjes van 2 m lang hangt, en blijft erin steken. De touwtjes zwaaien uit tot een grootste hoek van 40° met de verticaal. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de snelheid v van de kogel vóór de inslag.
Een bal van 0,6 kg raakt een muur met 20 m/s en kaatst recht terug met 12 m/s. Het contact duurt 20 ms. Bereken de grootte van de stoot J die de muur aan de bal geeft.
Antwoordenblad
- 1. v′ = 14,4 m/s
- 2. v = 18 m/s
- 3. v′2 = 5,5 m/s
- 4. v′2 = −48,33 m/s
- 5. v = 230,3 m/s
- 6. J = 19,2 N·s
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.