Een inverterende versterker met een ideale opamp moet een spanningsversterking van −2 hebben. De ingangsweerstand is R1 = 1 kΩ. Vind de terugkoppelweerstand Rf.
Werkblad Opampschakelingen met antwoorden
1.Makkelijk
Av = −2R1 = 1 kΩ
Rf = kΩ
2.Makkelijk
De opamp is ideaal en wordt gevoed met ±15 V. Vind de uitgangsspanning Vout.
Vin = 1,1 VR1 = 4,7 kΩRf = 10 kΩ
Vout = V
3.Gemiddeld
De verschilversterker gebruikt een ideale opamp met een voeding van ±15 V, met R3 = R1 en R4 = R2. Vind de uitgangsspanning Vout.
V1 = −1,3 VV2 = 1 VR1 = R3 = 22 kΩR2 = R4 = 100 kΩ
Vout = V
4.Gemiddeld
Kies de terugkoppelweerstand Rf die deze niet-inverterende versterker een spanningsversterking van 3 geeft.
R1 = 2 kΩAv = 3
Rf = kΩ
5.Moeilijk
De sommeerversterker gebruikt een ideale opamp met een voeding van ±15 V. Vind de uitgangsspanning Vout.
V1 = −2 VV2 = 0,9 VR1 = 100 kΩR2 = 22 kΩRf = 100 kΩ
Vout = V
6.Moeilijk
De integrator gebruikt een ideale opamp met een voeding van ±15 V; de uitgang verzadigt bij ±13 V. De condensator is ongeladen als op t = 0 een constante ingang Vin = 1,7 V wordt aangelegd. Vind de uitgangsspanning Vout op t = 200 ms.
Vin = 1,7 VR = 100 kΩC = 4,7 µFVsat = ±13 Vt = 200 ms
Vout = V
Antwoordenblad
- 1. Rf = 2 kΩ
- 2. Vout = −2,34 V
- 3. Vout = 10,45 V
- 4. Rf = 4 kΩ
- 5. Vout = −2,091 V
- 6. Vout = −0,7234 V
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.