Als de prijs van een product met 4 % daalt, stijgt de gevraagde hoeveelheid met 1,6 %. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E.
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Een bioscoop verkoopt 200 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −0,8. Als de kaartjesprijs met 15 % stijgt, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Als de prijs van een kaartje verandert van €20,00 naar €22,00, verandert de weekafzet van 400 naar 370. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
Als de prijs van een kaartje verandert van €12,00 naar €6,00, verandert de weekafzet van 500 naar 1000. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 1500 − 50P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
De vraag naar een product heeft een constante prijselasticiteit van −1,5, dus Q = A·P^−1,5. Bij een prijs van €20 worden 5 000 stuks verkocht. Hoeveel stuks Q worden er verkocht bij een prijs van €14,00?
Antwoordenblad
- 1. E = −0,4
- 2. Q = 176 kaartjes
- 3. E = −0,8182
- 4. E = −1
- 5. P = 15 €
- 6. Q = 8537 stuks
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.